Bekijk het origineel

Bart en Kees.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bart en Kees.

7 minuten leestijd

Kees. Nu zou je ons zeggen hoe het met je is afgeloopen?
BART. O ja, ik geloof, dat ik je verteld heb, dat ik te Hazeroth zoo zalig gestemd was en dat ik dacht zoo de Palmstad binnen te trekken; dat ik mijn tranendoek en rouwgewaad had weggeworpen en ik zoo zalig gezongen had. En nu wil je weten hoe dat met mij is afgeloopen? 't Is in één woord treurig met mij afgeloopen, Kees. Ik heb mijn tranendoek weer voor den dag moeten halen en mijn rouwgewaad weer aan moeten treljken.
Kees. Maar hoe is dat nu gekomen?
Bart. Ach Kees, ik heb me van al dat heerlijks en zaligs laten berooven door het ongeloof.
Kees. Maar, dat noem ik toch dwaasheid. Als de Heere je zoo ver brengt dat je het maar voor het grijpen hebt en je laat het je dan nog ontnemen, dat noem ik dwaasheid!
Bart. Je hebt gelijk Kees. je slaat daar den spijker juist op den kop. Och üeve jongen ik heb mijn heele leven in den Bijbel gelezen (Spr. 21:22) Al stiet gij een dwaas in een mortier, zijn dwaasheid zou van hem niet wijken.
En nu heb ik mijn heele leven gedacht, dat Salomo met dien dwaas een ander bedoelde en nu moet ik tot mijn smart, nu mijn haren grijs zijn, hoe langer hoe meer gewaar worden dat hij er altijd mij mede bedoeld heeft. Kees.
Kees. Maar dat is toch nu niet meer?
Bart. Ja wel jongen, ik heb het nooit zoo goed geweten als nu, nu ik eiken dag over mijn dwaasheid struikel en door mijn dwaasheid mijzelve en dikwijls een ander, zooveel leed berokken.
Kees. Ik zou haast medelijden met je krijgen.
Bart. Dat is niet noodig, want ik kom nooit wijsheid te kort, omdat Christus mijn wijsheid voor God is en als ik wijsheid noodig heb, dan behoef ik ze maar te vragen, zie maar 1 Cor. 1 :30 en Jac. 1 :5, hoewel ik hier nu weer tot mijn schande toe moet voegen, dat ik mij dikwijls liever met mijn eigen dwaasheid behelp, dan dat "ik tot den Heere om wijsheid ga.
Kees. Dan is het geen wonder, dat je telkens het pad bijster bent.
Bart. juist m'n jongen, daar zit het hoor! en ik hoop dat jij het er beter af z'al brengen.
Het volk van Israël heeft het er niet beter afgebracht dan ik. Kees.
Kees. Hoe ging het dan met dat volk ?
Bart. Dat kunt ge lezen in Num. 12. Mirjam, de zuster van Mozes en Aäron, begon ruzie te maken tegen Mozes en zij hitste Aäron ook tegen Mozes op.
Kees. Mirjam ? Die lieve godvreezende Mirjam, die voornaamste der vrouwen, die aan de Roode zee de geheele gemeente aan het lingen bracht, ging die hier ongenoegen stichten?
Bart. Ja Kees, die lieve godvreezende, voorname Mirjam, die moeder in Israël die deed het. Inplaats dat zij zooVeel mogelijk van de zaligheid genoot, die er in Hazeroth, in het voorhof te zien en te genieten was, gaat zij tegen haar eigen broeder te keer en wat nog meer zegt, zij tast hem aan in zijn leiderschag* van Gods gemeente, waartoe hij toch duidelijke van den Heere geroepen is. Ze zegt le|terlijk tegen Aäron: ,Heeft de Heere maar alleen door Mozes gesproken ? Heeft Hij ouk niet door ons gesproken ?"
Kees. Als nu toch zulke vooraanstaande zusters en broeders den vrede verstoren, dan is het toch ook geen wonder, dat er zooveel ongenoegen heerscht in zoo menige gemeente?
Bart. Dat is het juist. En vooral menschen met genade en gaven zooals Mirjam bezat, die hebben een aanhang. Zulken kunnen veel goed doen, maar ook veel kwaad stichten.
Kees. Maar waarover was zij dan zoo verbolgen ?
Bart. Omdat Mozes een Kuschietische tot vrouw had genomen. (Num. 12:1.)
Kees. Wat was dat dan voor een vrouw ?
Bart. Het was een zwarte, een nakomelinge van Cham, Kees, daar zat het in.
Kees. Maar Bart, deed Mozes daar wel goed aan om een Moorenkind tot vrouw te nemen; er waren toch zeker vrouwen genoeg te krijgen onder het volk van Israël ? Ik vind dat ook verkeerd van Mozes, om, inplaats van een dochter zijns volks, zoo'n zwarte te nemen en ik vind het geen wonder dat zijn zuster daar tegen protesteerde.
Bart. Het was een huwelijk in Gods gunst gesloten. Kees. Mozes was hier een type van Christus, vergeet dat niet. En het is je wel bekend hoe ook Salomo een zwarte nam, om een schaduw beeld te zijn van „de bruid van Christus", van dat volk van God, dat uitmoet roepen: „Ik ben zwart als de tente Kedars .
En dan werd door dit huwelijk van Mozes met die Kuschietische afgebeeld, hoe eenmaal de heidenen met het oude volk saamverbonden, God zouden groot maken. Immers, Egypte zou met Moorenland, tot God verheffen hart en hand.
Kees. Nu je de zaak zoo openlegt, ja, nu moet ik zeggen, dat het een heerlijk huwelijk was; dat er veel +roost in ligt voor een, die zich'als een Moorenkind leert kennen; dat hij niet te zwart voor Christus kan zijn.
Bart. Maar dat zal Mirjam er ook niet ingezien hebben.
Kees. Dat wil ik aannemen, 't Is te hopen dat het enkel onkunde was. Ze kan ook nog wel geprikkeld zijn geweest dat Mozes haar goedkeuring niet eersl gevraagd lieeit. Ja Kees, kijk me maar niet zoo aan ; dat gebeurt wel meer of liever gezegd zoo dikwjls, dat een zuster of een broeder onheil sticht, omdat ze door Dominé of Kerkeraad niet in deze of gene zaak gekend zijn. Geprikkelde hoogmoed Kees, is een kwaad ding, en dan gaat ze zoeken naar'de Bijbelteksten om boosheid te dekken. Mirjam roept heel haar bevinding te hulp om haar kwade zaak te polysten (heeft de Heere ook niet door ons gesproken). Het is haar slecht bekomen Kees. Lees maar eens het rechtsgeding voor Gods vierschaar in Num. 12. Zeven dagen melaatsch. Zeven dagen buiten het leger, en er loopen al wat broeders en zusters in het donker, Kees, om hun twist stoken.
Kees. Het is toch jammer dat er zooveel haat en nijd is onder Gods volk.
Bart. Haat en nijd zijn de rechte woorden niet Kees, ze kunnen wel eens kibbelen maar dat meenen ze niet zoo erg. Dat ziet ge immers ook hier weer. Aäron smeekt aan Mozes om vergeving en Mozes loopt den Heere aan als een stroom om Mirjam's genezing, en heel de vergadering wil niet doorreizen als die lieve Mirjam niet medegaat. Zeven dagen wachten ze op haar! Zie je Kees, als het goed is och dan kan Gods volk elkander toch niet missen. Dan hebben ze elkander lief, en dan bidden ze na elke kibbelpartij weer van harte voor en met elkander: „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren".
Kees. Toch zou hét dunkt mij beter geweest zijn als Mirjatri eerst onderzocht had, vóór zij haar beschuldiging uitsprak.
Bart. Zeker Kees, maar daar heb je er al weer een, die zich liever met haar eigen dwaasheid behielp dan wijsheid te vragen.
Kees. Nu ja, dat zijn er dan pas twee. Jij en Mirjam, maar al Gods volk zal zoo dwaas niet zijn.
Bart. Wij zullen zoo de Heere wil, den volgenden keer hooren of het volk van Israël wijzer was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1921

De Saambinder | 4 Pagina's

Bart en Kees.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1921

De Saambinder | 4 Pagina's

PDF Bekijken