Bekijk het origineel

Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd (Rom. 14 : 5)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd (Rom. 14 : 5)

8 minuten leestijd

Er zijn soms in de gemeente Gods zaken, waarnaar verschillend geoordeeld wordt. Zo ook in de gemeente, waaraan Paulus de brief schrijft, waaruit we de bovenvermelde tekst hebben aangehaald. Er is verschil van gedachten over het eten van sommige spijzen, en dat in verband met de ceremoniële wetgeving; ook ten aanzien van het onderhouden van bepaalde dagen is er een uiteenlopende opvatting. Met deze zaken heeft ook de apostel te doen. Hij spreekt echter geen oordeel uit. Hij laat deze zaak voor een ieders „gemoed". Hierin moeten wij elkander niet beoordelen, noch minder veroordelen.

Laten we dit gedeelte eens lezen: „De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen". Vers 3, „De een acht wel de ene dag boven de andere dag, maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd".

Hoe onderwijzend is dit gedeelte van de Schrift ook ten aanzien van de zaak van de vaccinaties. Deze zaak blijft telkens onze aandacht vragen. Vooral wanneer hier en daar van tijd tot tijd zich polio-gevallen voordoen, welke dan heel bijzondere aandacht trekken. Een geweldige campagne wordt dan gevoerd om hen, die hun kinderen niet hebben laten inenten, daartoe alsnog te bewegen. Veelal gaat vandaag aan de dag een en ander gepaard met een hetze van pers en andere communicatiemedia. Hoe grof men dan zich durft uitleven tegen hen, die bezwaren hebben tegen deze inentingen, is vaak onvoorstelbaar. Een „fabrikant" van rolstoelen meldt zich bij een schoolhoofd in de besmette omgeving om met hem tot „zaken" te komen. Zo'n macabere grap is tekenend voor de sfeer, waarin alsdan onze mensen moeten leven.

Mensen, die het nooit moeilijk hebben met het plegen van de abortus (een kwaad dat tot „lopende band-werk" geworden is), blijken nu de krachtigste verdedigers van bedreigd leven. Juist in de sfeer van de hetze is het dan zo moeilijk om een evenwichtig oordeel te vormen over de juiste houding, die men onder zulke omstandigheden moet innemen. We weten, -dat uit kracht van de vorming, die we in onze kringen van ouds gekregen hebben, er een grote weerstand tegen vaccinaties bestaat. Terecht, naar ik meen. Er is vaak zo gesproken en geschreven of wij het leven in eigen hand nemen konden. De eenvoudige vromen hebben zich vanouds gestoten aan een redenering, waarin nog nauwelijks plaats voor Gods handelen gelaten werd. Daarbij kwam, dat de pokken-vaccinaties zelf ook vele nare gevolgen hebben kan. Juist ook om het laatste is er steeds sterk verzet geweest tegen vaccinatie-dwang. Vooral in de S.G.P. heeft men de strijd tegen de vaccinatie-dwang tot een politieke gemaakt; ook om de gevolgen, die een en ander had. Deze strijd is met een gunstige uitslag bekroond, want de dwang is afgeschaft. Het zich wel of niet laten vaccineren of immuniseren is een zaak van persoonlijke beslissing geworden. En die is niet altijd eenvoudig. Laten we dat niet vergeten. Bij velen ontbreekt het inzicht in wat er gebeurt. Er zijn toediening van sera, die verkregen zijn uit dieren, welke een weerstand tegen sommige ziekten geven* die zich voordoen, pr zijn besmettingen met verzwakte virussen, "die een ziektekiem in een gezond lichaam brengen met het doel, het lichaam zelf de gewenste weerstand te doen ontwikkelen. Dat verschilt dus nogal'wat.

We kunnen niet ontkennen, dat sommige ziekten, die voorheen tot een gesel van de mensheid waren, niet meer op zo'n uitgebreide schaal voorkomen. Dat zijn niet te loochenen feiten.

Toch geeft dat velen de vrijmoedigheid niet om tot vaccinatie over te gaan; terwijl anderen hun aanvankelijke bezwaren zien wegvallen. Is dit nu niet een zaak, waarin het aankomt op het „in eigen gemoed ten volle verzekerd" zijn? 'k Meen van wel. Wanneer ik dit zo stel, IS die niet los van mijn zeer persoonlijke levensondervinding in een zo tere aangelegenheid als deze is. Wat polio betekent in een gezin, weten we uit ondervinding. Ook welke zorg en kommer als dan het hart bezetten kan, wanneer we denken aan onze kinderen. We mogen niet zorgeloos zijn en toch ook de Heere niet voorbijgaan.

En dan weten we; dat juist dat de Heere rust en onderwerping geven kan in de wetenschap, dat ons leven in Gods hand is. Het is beter in Zijn handen te vallen, dan in de handen van mensen. Dat kan in zware nood een veilige schuilplaats zijn. We weten dat uit de praktijk van het leven. De Heere heeft behoed. En gewis, het zijn de slechtste tijden niet. Dat wil niet zeggen, dat geen nieuwe strijd kan volgen.

Een aantal jaren later deed zich in Rotterdam- West een heel ernstig polio-geval voor. Wat een zorg en spanning ook in de gemeente; Als we aan haar dachten, die getroffen was, een meisje, dat van de ene dag op de andere dag, van een levenslustig kind tot een hulpbehoevend kind werd, dan sloeg de schrik om ons hart. We konden de verscheurende twijfel van de ouders zo goed begrijpen. Hebben we er goed aan gedaan? Hebben we ons kind het nodige niet onthouden? Zouden we dan niet denken aan onze kinderen, die we zo liefhebben en die we voor zulk onheil zouden willen behoeden?

In het lezen van de Heilige Schrift was de beurt Ezra 8. Het begin waren slechts namen. Maar daar kwamen we bij de verzen 21-23: „Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier A'hava, opdat wij ons verootmoedigen voor het aangezicht onzes Gods, om van Hem te verzoeken een rechte weg, voor ons en onze kinderkens, en voor al onze have. Want ik schaamde mij van de koning, een heir en ruiters te begeren, om ons te helpen van de vijand op de weg, omdat wij tot de koning hadden gesproken: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toom over allen, die Hem verlaten. Alzo vastten wij; en verzochten zulks van onze God; en Hij liet Zich van ons verbidden". De Heere kwam er onderwijzend in mee. We hadden in het verleden ook gesproken over de hand onzes Gods, die ten goede over ons uitgestrekt was. Daarom schaamden we ons om nu „vaccinatie" als een heir en ruiters te begeren. We hebben toen 's zondags in de gemeente over dit woord gesproken en niet zonder onderwijs in de gemeente. Voor ons was de zaak toen duidelijk.

Toch hebben we toen niet zonder opmerking gelezen, dat Nehemia bij zijn tocht wel ruiters van de koning begeert. Lees Nehemia 2:7: „Voorts zeide ik tot de koning: Zo het de, koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier, dat ze mij overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn", en in vers 9: „En de koning had oversten des heirs en ruiteren met mij gezonden".

Zou Nehemia nu Ezra een verwijt mogen maken van zorgeloosheid? Zou Ezra nu Nehemia een verwijt mogen maken van biddeloosheid? 'k Dacht van niet. Wat Nehemia mocht, kon Ezra niet doen; wat Ezra mocht beoefenen, was Nehemia's deel niet. Dat is nu wat Paulus in Rom. 14 ook schrijft. En nu zullen er zijn, die met Ezra goed over de Heere gesproken hebben; en daarom zich en de hunnen, ook zelfs in deze noden, niet kunnen en durven te laten vaccineren; en er zullen er zijn die met Nehemia van de koning „oversten des heirs en ruiteren" begeren. Laten we dat voor een ieders „gemoed" laten. Daarin moeten we niet oordelen en veroordelen, 'k Las in een kerkelijk blad: We laten het aan de mensen over; we censureren niet in deze zaken. Dat betekent, dat we nooit de „gewetens" kunnen binden in deze zaak aan „zo zegt de Heere", Als het over stelen, moorden of overspelen gaat, zeggen we niet: Dat laten we''aan de mensen over, want er staat duidelijk geschreven wat Gods eis is. Maar in deze zaak is het als Paulus aan de Romeinen schreef over het spijs eten en houden /van dagen. Dit is wat we noemen een „afgeleid beginsel". 

Eén ding echter mag niet vergeten worden: Paulus zegt (de Heere zegt): „Die de dag waarneemt, die neemt Hem waar de Heere; en die de dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar de Heere. Die daar eet, die eet zulks de Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks de Heere niet, en hij dankt God (Rom. 14 : 6).

Dat is het voornaamste, we moeten de dingen niet zomaar doen. Dat geldt vaccineren en niet-vaccineren. Laten we het onderwijs van de Heere zoeken. Het moet een persoonlijke beslissing zijn.

Niemand mag zich in deze „gemoeds-zaak" op een ander beroepen of verlaten, ook hierin is het nodig: Die het doet, die doet zulks de Heere; die het niet doet, die doé-het-niet de Heere". Er moeten beslissingen voor Gods aangezicht genomen worden. En die kunnen wel beproefd worden. Maar de Heere beschaamt niet, die Hem verwachten, 'k Zal nooit zeggen: Dat moet u niet doen!, of dat moet u wel doen. 'k Verwijs liever naar Gods Woord en naar het gebed, naar de binnenkamer, waar we onze noden op onze knieën tot de Heere brengen.

Ezra en- Nehemia. Wat de ene mocht, kon de ander niet doen; wat de ander deed, durfde de ene niet betrachten. Maar van Ezra en Nehemia geloven we, dat zij hun „beslissingen" de Heere genomen hebben. En daar komt het bij vaccineren of niet-vaccineren op aan. „Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1978

De Saambinder | 8 Pagina's

Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd (Rom. 14 : 5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1978

De Saambinder | 8 Pagina's

PDF Bekijken