Bekijk het origineel

De taal der bevinding [14]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De taal der bevinding [14]

Met het lampje op de rug

4 minuten leestijd

Als de Heere genade verheerlijkt in het leven van een zondaar, zal dat vroeg of laat ook in de vrucht openbaar komen. In woord en daad! De tere vreze Gods in beoefening blijft niet verborgen. Maar het is ook waar dat niet alle kinderen Gods durven te spreken van een verzekerd aandeel in Christus. Velen dragen het lampje op de rug. Voor henzelf is het vaak donker. Voor een ander zijn ze duidelijker zichtbaar als een kind van God dan voor zichzelf.

Bunyan heeft in “De Christinnereis” zo’n bekommerde getekend in de persoon van ‘Barmhartigheid’. Deze was diep onder de indruk geraakt van Christinne, die evenals haar man niet langer meer kon vertoeven in de Stad des Verderfs. Wat was de begeerte groot in het hart van Barmhartigheid om mee te reizen met Christinne. Wat was ze diep getroffen door hetgeen Christinne verteld had. Maar mócht ze wel meereizen met Christinne? Ze wist niet door de Heere daartoe uitgenodigd te zijn, terwijl Christinne heel duidelijk een roeping van God kende. Wat zag ze hoog tegen Christinne op. Christinne bezat veel meer zekerheid dan zij.

Maar als Christinne dan weer spreekt over de grote genade Gods die bij Hem te verkrijgen is, kan ze niet thuisblijven. Het was bij haar, als met de dichter van Psalm 84, wiens genegenheden brandden: “k Waar’ liever in mijns Bondsgods woning een dorpelwachter, dan gewend aan d' ijd'le vreugd' in 's bozen tent'.

Droefheid

Toch was Barmhartigheid ook zeer bedroefd toen ze de Stad verliet. Ze weende! En de oorzaak daarvan was gelegen in het feit dat ze haar betrekkingen moest achterlaten in die zondige stad. En het gaat toch ook voor hen op een eeuwigheid aan! Ze was met barmhartigheid bewogen over haar onbekeerde medereizigers. En zo ging Barmhartigheid mee op de pelgrimsreis. Voor zichzelf in het duister. Ze kende geen krachtige verandering. Ze wist niet van een persoonlijke belofte. Maar in de vruchten betoonde ze een innerlijke roeping te bezitten. Ze kleefde Christinne aan. Ze liep met het lampje op de rug!

Vuur

Op de Pinksterdag waren er tekenen van de uitstorting van de Heilige Geest. Het eerste teken had te maken met het horen: een geluid gelijk als van een geweldige gedreven wind. Het tweede teken had te maken met zien: ‘En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen’ (Hand. 2:3). Dus een ieder had deel aan de bediening van de Heilige Geest. Alleen zagen ze het bij zichzelf niet. Zo kan het zijn in het leven van Gods kinderen, dat ze zelf in het donker zitten, maar dat ze de vruchten van de bediening des Geestes bij een ander zo duidelijk mogen waarnemen.

Cornelius

Wat een voorrecht wanneer we in het leven iets mogen verspreiden van de welriekende reuk van Christus, wanneer er wat van ons uít mag gaan. Zo was het ook in het leven van Cornelius, de heidense hoofdman over honderd. Het gehele huis van Cornelius kwam onder het beslag van zijn Godsvreze. Het werd zelfs gevonden onder zijn soldaten: ‘En als de engel die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisknechten, en een godzaligen krijgsknecht van degenen die gedurig bij hem waren’ (Hand. 10:7).

Het werk des Heeren kan anderen jaloers maken. Zo was het leven van Cornelius anderen tot zegen. Zelf moest hij nog zoveel leren. Zelf gevoelde hij zich nog zo onwetend. Hij begeerde dan ook ‘woorden der zaligheid’ te horen. Cornelius kon het zelf niet doen met wat hij wist en wie hij was. Maar hij droeg het lampje op de rug. Het legde beslag in het leven van een krijgsknecht in zijn omgeving.

Door de poort

Hoe liep het af met Barmhartigheid? Wel, het liep uit op de enge poort. En nu kan een zondaar alleen door die enge poort met verlies van al het zijne. Met gejuich werden Christinne en haar kinderen binnengelaten. Maar Barmhartigheid stond nog buiten. Wat een beproeving! Toch ging ze niet terug naar de Stad des Verderfs. Ze bleef! En ze ging kloppen, harder en harder!

Toen brak het moment aan, dat er werd opengedaan door de Poortwachter. En wat zag hij? Barmhartigheid lag voor de poort. Ze was flauw gevallen. Zo bevreesd was ze dat de poort voor haar niet zou worden geopend. Maar wat is het voor haar meegevallen. Voor eeuwig! Toen mocht het gehoord worden:

Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
Verhogen Uwe majesteit.
Mijn God, niets gaat Uw roem te boven;
U prijz’ ik tot in eeuwigheid.


ds. J. Schipper, Leerdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 2016

De Saambinder | 20 Pagina's

De taal der bevinding [14]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 2016

De Saambinder | 20 Pagina's

PDF Bekijken