Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE AMBTSEED

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE AMBTSEED

37 minuten leestijd

Inleiding

Bij de aanvaarding van een ambt op staatkundig terrein, maar ook op andere terreinen, worden we in de regel geroepen tot het afleggen van een eed. Men ontbloot dan het hoofd, men gaat staan en men steekt twee vingers ten hemel, ten teken dat men zich met de alwetende en heilige God, Die in de hemel woont en voor Wie alle dingen naakt en geopend zijn, in verbintenis stelt. Vervolgens legt men met verstaanbare woorden eerbiedig de eed af. Wat hier verricht wordt, is geen kleine zaak. Begrijpelijkerwijs kan dan wel de vraag rijzen of het voor ons als zondige mensen wel geoorloofd is om zo'n daad te verrichten? Ook kan men zich afvragen of het onder ede trouw zweren bij installatie als raadslid, Statenlid of Kamerlid anno 2008 nog wel met een goed geweten mogelijk is, daar er toch zo vele goddeloze wetten zijn? We willen proberen daar een antwoord op te geven, op grond van Schrift en Belijdenis. Proberen, want de zaken liggen niet in alle gevallen eenvoudig. Dat Gods Woord ons daarbij steeds tot een lamp voor onze voet en een licht op ons pad zij (Ps. 119:105). Naar dat Woord hebben we ons immers steeds te richten, zowel op staatkundig alsook op godsdienstig en maatschappelijk terrein. Alles wat niet is naar dit Woord, zal geen dageraad hebben, gelijk wij lezen in Jesaja 8 vers 20: Tot de Wet en tot de Getuigenis; zo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn dat zij geen dageraad zullen hebben. In het verleden is door verscheidene personen al over het eedzweren geschreven, ook in dit blad l ) . Dit neemt echter niet weg dat het ter opfrissing van de kennis van de Staatkundig Gereformeerde beginselen inzake het eedzweren zeker haar nut kan hebben om hierop nogmaals in te gaan. We hopen daarom eens te gaan bekijken wat Gods Woord en de Belijdenisgeschriften ons in dezen leren en wat de afgelegde eed in de praktijk inhoudt 2 ^.

Oorzaak

Waarom is het eigenlijk nodig dat leden van raden, Staten en Kamers bij hun installatie een eed zweren? Om hier een antwoord op te geven moeten we terug naar de eerste hoofdstukken van Genesis. In Genesis 1 vers 27 lezen wij: En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld Gods schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. En in het 31ste vers van dat hoofdstuk: En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de zesde dag. God heeft de mens dus goed geschapen, volkomen naar Zijn beeld. De mens is geschapen om God te bedoelen, om tot eer van Zijn Schepper te leven. In het Paradijs leefde hij zonder zonde, volmaakt overeenkomstig de hem ingeschapen Goddelijke wet. Zo was het, maar zo is het niet gebleven. Dat kunnen we in Genesis 3 lezen. De mens is onbekwaam geworden tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, want hij is de leugenaar en mensenmoordenaar van den beginne toegevallen. Hij heeft satan geloofd die tot hem zei: Gijlieden zult den dood niet sterven; maar God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden; en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad (Gen. 3:4-5). Die leugen heeft hij vrij- en moedwillig geloofd! Daarmee viel hij van God af en werd hij zelf een leugenaar. Dat zondekwaad, dat liegen en bedriegen, dat huist nu van nature in ieders hart. Daar ligt nu de oorzaak dat de eed er moet zijn: om zaken als omkoping, fraude, partijdigheid, valse beschuldiging van personen enz. te voorkomen, om een getrouwe en plichtsvolle uitoefening van overheidsambten binnen de kaders van de geldende rechtsorde te bevorderen. Kortom, de eed dient om trouw en waarheid te bevestigen en te bevorderen en om een chaos in de maatschappij te voorkomen.

Tornen aan de beginselen

De dubbelzinnige en bedrieglijke rede waarmee de duivel de - evenals Adam - volmaakt uit haar Makers handen voortgekomen vrouw aansprak, was: Is het ook

dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs? (Gen. 3:1b). Is het ook...!, horen we deze taal ook heden ten dage niet veel? Dat dubbelzinnig voorstellen van Gods geboden, dat twijfel zaaien omtrent Gods geboden? Ja, langs die weg wordt er alsmaar getornd aan Gods Woord en aan de beginselen gegrond op dat Woord.

En dan moeten we het ook eerlijk zeggen: wanneer we een aantal jaren geleden een brief thuiskregen waarin geschreven stond dat we - op grond van Gods Woord - onmogelijk verder konden en mochten gaan dan voor de vrouw een gastlidmaatschap van de partij in te stellen, en wat jaren later wordt gezegd: 'Is dit wel zo? Behoort het lidmaatschap van een politieke partij wel tot het regeerambt? Is dit eigenlijk niet meer privaat terrein? ' Zijn we dan binnen onze eigen partij ook niet duidelijk aan het tornen aan de op Gods Woord gegronde beginselen? We kunnen helaas niet anders zeggen en constateren dan dat dit de waarheid is.

We leven weliswaar in een ernstige tijd, maar Gods Woord en Zijn geboden veranderen niet! Waarom niet? Omdat God van eeuwigheid Dezelfde is en blijft. Zoals Hij vroeger een mens kwam te bekeren, zo doet Hij dat nog. Het gaat nog langs een rechte weg, het gaat nog langs een ordelijke weg. Het gaat ook nu niet buiten de bevindelijke kennis van het stuk der ellende om en het is alles vrije soevereine genade. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave (Ef. 2:8). De tollenaarsbede wordt hun bede: O God, zijt mij zondaar genadig (Luk. 18:13b). Zij krijgen ware Godskennis, zelfkennis en Christuskennis. Dezulken nu die door God tot God bekeerd worden, krijgen een heilige afkeer van het tornen aan Gods Woord en van het tornen aan de daarop gegronde beginselen. En in het bijzonder dezulken zullen ook niet licht meer denken over de voor Gods heilig aangezicht afgelegde eed. Zij willen die onder geen beding breken.

Tweemens

Door wedergeboorte wordt een mens een tweemens. Het werk Gods in hem, de nieuwe mens, is weliswaar volmaakt in delen, maar de oude mens wordt niet geheel uitgeroeid. Nee, die oude mens blijft een mens zijn levenlang meedragen. Daarom kan het ook na ontvangen genade gebeuren dat een mens liegt tegen zijn naaste. Het nieuwe leven dat uit God is, doet dat niet, dat zondigt niet, maar de oude mens wel. Dat maakt nu juist de strijd in het leven van Gods kinderen uit. Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. (...) Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? , zo riep Paulus veelzeggend uit (Rom. 7:21, 24). Dit leert ons dat bij de aanvaarding van een overheidsambt ook voor Gods kinderen de eed noodzakelijk is. Als Gods kinderen op zichzelf zien, op hun eigen hart, dan ontwaren ze niets dan list en bedrog. Voor hen wordt het zalig worden toch zo'n groot wonder. Tegenwoordig kunnen mensen zalig worden buiten dat wonder om. Vroeger hoorde men wel: die of die is tot ruimte gekomen, maar tegenwoordig lijkt dat niet meer nodig. Maar God is niet veranderd, zo hebben we gezegd. Mensen, het zal een wonder moeten worden in ons leven. Dat we ons toch niet bedriegen voor de eeuwigheid!

Eedweigeraars

In de tijd van de Reformatie waren er ook veel wederdopers. Die wederdopers loochenden de noodzaak en de geoorloofdheid van de eed. Zij waren feitelijk perfectionisten of volmaaktheidsdrijvers. Zij stelden dat een wedergeboren mens op aarde reeds volmaakt was en dat daarom de eed voor hem of haar niet meer nodig was. En volmaakte mensen hebben volgens hen ook geen overheid meer nodig. De wederdopers weigerden daarom de overheid te erkennen en weigerden de eed af te leggen als de overheid dit vroeg. Die wederdopers grepen als het ware vooruit op de toekomst, want pas in de hemel zullen er geen zonden meer zijn en daar zal dan ook geen overheid meer nodig zijn om zondig kwaad te beteugelen.

Om hun afwijzen van de eed kracht bij te zetten, beriepen de wederdopers zich vaak op Matthéüs 5 vers 34-37, waar we lezen: Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods; noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings; noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken. Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze. Heeft dit bevel van niet te zweren betrekking op al het zweren? Nee, het gaat hier over het lichtvaardig en onnodig zweren. Zulk een zweren verbiedt Christus hier, maar niet het Godzaliglijk bij de Naam Gods een eed zweren, "als het de overheid van haar onderdanen, of anderszins ook de nood vordert, om trouw

en waarheid daardoor te bevestigen (...), want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond, en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest (Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 101).

In onze tijd zijn het voornamelijk atheïsten ofwel openbare Godloochenaars die de eed weigeren. Zij krijgen helaas van regeringswege de vrijheid om in plaats van de eed de belofte af te leggen.

Eedzweren: wat houdt dat in?

Wat is een eed? En wat houdt het eedzweren in? De Heidelbergse Catechismus geeft ons in vraag en antwoord 102 hierop een helder antwoord, te weten: "een rechten eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als Die alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffe, indien ik valselijk zweer; welke eer aan geen schepsel toebehoort".

Met het afleggen van een eed wordt dus een beroep gedaan op Gods alwetendheid. Onderdanen noch overheden zijn alwetend, alleen God is alwetend. Alwetendheid is een onmededeelbare eigenschap van God, zo hebben we op catechisatie geleerd. Wanneer de overheid de eed van ons vraagt, dan belijdt ze daarmee dus Gods alwetendheid, dan belijdt ze daarmee dat niemand anders dan alleen Hij kenner is van de harten en proever van de nieren (Ps. 7:10, Jer. 11:20, Jer. 20:12 en Openb. 2:23). Zo wordt God door de overheid als God erkend! Bij het afleggen van een eed roept men - als het goed is tenminste - bewust de Naam des Allerhoogsten aan. Men stelt zich bewust voor Gods heilig aangezicht. God is volmaakt heilig en daarom is ook de eed heilig. De eedaflegger zal dan ook goed moeten bedenken dat hij een plechtige en heilige daad verricht. De eed roept hem als het ware toe: trek uw schoenen uit van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig land (Ex. 3:5b, Hand. 7:33b).

Wanneer men een eed aflegt, roept men ook uitdrukkelijk Hem ter hulpe bij het getuigen voor de rechter en/ of bij het vervullen van zijn ambt. Men belijdt daarmee uitdrukkelijk het niet te kunnen in eigen kracht, maar Gods hulp daarbij nodig te hebben.

Bij het afleggen van een eed vraagt de eedaflegger aan God om aan de waarheid getuigenis te geven en om hem te straffen indien hij valselijk zweert of handelt. Gods ogen zien als het ware dwars door hem heen. Zijn oren horen hem als hij de eed aflegt en Zijn ogen zien hem in zijn handel en wandel. Wanneer hij valselijk zweert of wanneer hij de eed breekt, zal God hem geenszins onschuldig houden. Wanneer hij valselijk zweert, roept hij de toorn des Heeren over zich in. Want God is een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen die Hem haten, maar doet barmhartigheid aan duizenden dergenen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden (Ex. 20:5-6, Deut. 5:910).

Door het afleggen van een eed wordt tegelijk ook een beroep gedaan op het eindgericht, op het eindoordeel. Dan zal God als hoogste Rechter immers al wat de mens gesproken en gedaan heeft op aarde, in het gericht brengen. Hij zal rekenschap van hem afeisen en hem dan ten volle straffen indien hij valselijk gezworen heeft, tenzij hij in de tijd door Gods Geest wedergeboren mag zijn en Christus' gerechtigheid zijn gerechtigheid voor God geworden is.

Tot Gods eer en des naasten heil

De Heidelbergse Catechismus leert ons verder dat we noch bij de heiligen noch bij enige andere schepselen een eed mogen zweren, maar alleen bij de Naam Gods. Alleen Hem komt die eer toe. Alleen voor Hem zijn immers alle dingen naakt en geopend. Men misgaat zich ten zeerste en men krenkt Hem in Zijn eer, wanneer men bij een ander schepsel dan bij God zweert. Men stelt Hem dan op één lijn met nietige en in zichzelf zondige en doemwaardige schepselen. Men rukt dan als het ware God de kroon van het hoofd. Zo is dan de ere Gods nauw verbonden met bij wie men zweert. Alleen het rechte eedzweren strekt tot eer van God.

Het rechte eedzweren strekt daarnaast ook tot heil van onze naasten. Behalve dat de Heere het afleggen van de eed als middel kan gebruiken tot eeuwig zielenheil van onze naasten - wat ook wel gebeurd is - , verleent de eed ook aan hen bescherming. Het is een middel ter voorkoming dat zij door partijdigheid van ons zouden benadeeld of ten onrechte schuldig verklaard worden. Het is een middel dat de overheidspersonen verplicht en onder de klem brengt om naar eer en geweten te handelen. Kortom, het is een middel om orde en recht in de maatschappij te handhaven.

We leven in een tijd waarin allerlei zondige praktijken, niet het minst het liegen en bedriegen, steeds meer opgeld doen. Dat komt omdat de Heere Zijn algemene genade steeds meer gaat intrekken. Dan komt meer en meer naar buiten wat ons hart door onze val in Adam geworden is. Het afleggen van de eed - voor de rechter en bij de aanvaarding van een overheidsambt - is derhalve in onze tijd des te meer noodzakelijk. "Regerende bij de gratie Gods en gebonden aan Zijn wetten is de overheid geroepen de eed te eisen", zegt terecht artikel 3 van het huidige SGP-beginselprogram.

Eedzweren geoorloofd

Het eedzweren is, zo leert ons de Heidelbergse Catechismus ten slotte, "in Gods Woord gegrond, en daarom om ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest". Als bewijs dat volgens Gods Woord het eedzweren echt wel geoorloofd is, tenminste als het niet lichtvaardig of onnodig geschiedt, zijn tal van teksten aan te voeren.

Allereerst kan dan gewezen worden op het feit dat God Zelf bij Zichzelf ook eden zweert. Ik zweer bij Mijzelven, zo sprak de HEERE tot Abraham nadat gebleken was dat Abraham Izak aan Hem niet onthouden had (Gen. 22:16). En tot die van Juda zei Hij: Ik zweer bij Mijn groten Naam, (...) zo Mijn Naam met den mond van enig man van Juda in gans Egypteland meer zal genoemd worden, die zegge: Zo waarachtig als de Heere HEERE leeft (Jer. 44:26). Ook Amos 4 vers 2 kan in dit verband genoemd worden, waar we lezen: De Heere HEERE heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, zie, dagen over ulieden zullen komen, dat men u zal optrekken met haken en uw nakomelingen met visangels. Verder zijn het ook Goddelijke eedzweringen op welke Gods verbond met de uitverkorenen als op een onwrikbare grondslag en op onbewegelijke pilaren rust. De apostel Paulus schrijft aan de Hebreeën dat God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daar is tussengekomen (Hebr. 6:17). Die onder ede bevestigde onveranderlijkheid Gods strekt Gods kinderen tot grote troost. Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd (Mal. 3:6). God heeft van eeuwigheid al gezworen dat Hij een volk zal roepen en toebrengen uit het zondige mensengeslacht. Dat zal hij doen, daar zal geen klauw van achterblijven!

Niemand minder dan de Heere Jezus heeft gezworen toen hij voor Kajafas stond en op Kajafas' woorden: Ik bezweer TJ bij den levenden God, dat Gij ons zegt of Gij zijt de Christus, de Zone Gods, antwoordde: Gij hebt het gezegd (Matth. 26:63-64).

Daarnaast vinden we menig voorbeeld in de Heilige Schrift dat de Bijbelheiligen gezworen hebben. In Hebreeën 6:16 schrijft de apostel Paulus dat de mensen zweren (...) bij den Meerdere dan zij zijn en dat de eed tot bevestiging (...) denzelven een einde van alle tegenspraak is. Dit heeft Abraham in praktijk gebracht, want we lezen in Genesis 21 vers 24 dat hij letterlijk tot koning Abimélech heeft gezegd: Ik zal zweren. En in Genesis 31 vers 53 lezen we dat Jakob zwoer. En David zwoer aan Saul dat hij zijn zaad niet zou uitroeien als hij koning geworden zou zijn (1 Sam. 24:22-23) en aan Bathséba dat Salomo voorzeker op zijn troon zou zitten (1 Kon. 1:29-30). Ook lezen we van Paulus dat hij God aanriep tot een Getuige (Rom. 1:9, 2 Kor. 1:23). Al deze

teksten en voorbeelden bewijzen overduidelijk dat de eed zeker geoorloofd is en een instelling Gods is.

Eedformules

Zo de Heere ons spaart, zullen Deo volente in 2010 weer verkiezingen voor de gemeenteraad gehouden worden en in 2011 voor de Provinciale Staten en de Tweede Kamer. Zij die dan verkozen worden, zullen vervolgens bij hun installatie geroepen worden om een eed te zweren. De leden van de Staten-Generaal leggen bij de aanvaarding van hun ambt de volgende eed af:

"1. Ik zweer dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. 2. Ik zweer dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. 3. Ik zweer trouw aan de Koning, aan de Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet. 4. Ik zweer dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt, getrouw zal vervullen".

Door het Kamerlid dat de eed aflegt, wordt dan geantwoord, terwijl hij zijn twee voorste vingers van zijn rechterhand opsteekt: "Zo waarlijk helpe mij God almachtig!".

De eedformule voor gemeenteraadsleden, wethouders, Statenleden en gedeputeerden komt in veel overeen met die voor de Kamerleden. Lid 1 en 2 zijn inhoudelijk zelfs geheel hetzelfde. Daarna treedt enig verschil op. Lid 3 en 4 zijn teruggebracht tot één lid dat als volgt luidt:

"3. Ik zweer dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van het gemeentebestuur / lid van de provinciale staten naar eer en geweten zal vervullen". Door de gemeentelijke of provinciale vertegenwoordiger of bestuurder wordt dan gelijk als door de Kamerleden geantwoord: "Zo waarlijk helpe mij God almachtig!" 3 ^.

Het belangrijkste verschil tussen de beide eedformules is dat de Kamerleden voor wat betreft de geldende wetten alleen trouw zweren aan de Grondwet, terwijl de vertegenwoordigers en bestuurders in raden en Staten trouw zweren aan de Grondwet én aan de wetten van het land. Wel is het goed om hierbij te bedenken dat vertegenwoordigers en bestuurders van raden en Staten de directe bevoegdheid missen om de Grondwet en de door de landelijke overheid afgekondigde wetten te wijzigen, terwijl Kamerleden die bevoegdheid in principe wel hebben.

Hierdoor is er een verschil in verantwoordelijkheid, maar dit mag er niet toe leiden dat men als vertegenwoordiger of bestuurder op gemeentelijk of provinciaal niveau staande blijft in een kwade zaak. Koning Salomo zegt in Prediker 8 vers 2: Neem acht op den mond des konings, doch naar de gelegenheid van den eed Gods. Dat is volgens de kanttekenaren: "gehoorzaam alzo den koning of de overheid, dat gij middelerwijl niet verlaat of vergeet den schuldigen plicht en eed, waarmede gij allereerst aan God verbonden zijt" (kanttekening 7).

Verschil met de belofte

In onze tijd wordt door heel wat vertegenwoordigers niet een eed, maar een belofte afgelegd. Het verschil tussen een eed en een belofte komt in het kort hierop neer dat wie de belofte aflegt, daarmee feitelijk verklaart dat hij wel in eigen kracht in staat is om na te komen wat de overheid van hem verwacht en eist. Bovendien miskent men met het afleggen van een belofte openlijk Gods oppergezag, Gods autoriteit. De belofte strekt dus niet tot eer van God en is daarom voor een Christen als vervanger van de eed volstrekt niet geoorloofd.

Het verschil tussen de eed en de belofte komt overigens ook tot uitdrukking in de omschrijving die de overheid zelf van beide geeft. Volgens de overheid is de eed "een plechtige verzekering onder aanroeping van God dat men de waarheid spreekt" en de belofte "een mondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets toezegt". Wanneer u deze twee omschrijvingen naast elkaar leest, dan valt gelijk op dat ook de overheid hier toch schijnbaar wat meer respect heeft voor de eed, voor die "plechtige verzekering onder aanroeping van God"!

In de praktijk

Trouw zweren aan de wetten des lands? Kan dat nog met een goed geweten? Trouw zweren aan bijvoorbeeld de wetten die sportbeoefening en de openstelling van winkels op de dag des HEEREN uitdrukkelijk mogelijk maken en het niet toelaten dat een raad dit geheel of zelfs ten dele verbiedt? Trouw zweren aan de Grondwet die niet alleen vrijheid biedt aan de ware Gereformeerde religie, maar ook - op voet van gelijkheid zelfs - aan alle valse godsdiensten? Kan een Staatkundig Gereformeerd politicus daaraan trouw beloven, terwijl hij behoort te streven naar, zoals artikel 1 van het SGPbeginselprogram ons leert, "een regering van ons volk geheel op de grondslag van de in de Heilige Schrift geopenbaarde ordening Gods" en derhalve behoort voor te staan "de handhaving van het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis"? Ik denk wel eens: zouden er inmiddels misschien niet velen zijn binnen de achterban van de SGP die het handhaven van artikel 36 toch eigenlijk wel geschrapt willen zien? U zult zeggen: 'Nee, dat artikel mag niet geschrapt worden, want dat artikel is in overeenstemming met Gods Woord'. U hebt gelijk, maar dat betekent nogal wat voor een politicus. Afgoderij en valse godsdiensten weren en uitroeien, dat betekent niet: mensen afslachten. Dat weten we allemaal wel. Maar dat betekent wel, alles wat zich in het openbare leven tegen God verheft en wat niet is naar Zijn Wet, weren en uitroeien. Alles en allen moeten Hem immers eren; Hij heeft daar recht op. De mens heeft God te bedoelen, dat is zijn scheppingsopdracht. Maar al wat niet naar Gods Wet is, is zondig en niet tot eer van God. Dat heeft de overheid, dat heeft een Staatkundig Gereformeerd politicus dus in het openbare leven tegen te gaan en te weren. Dat moet dan niet alleen onze belijdenis zijn, maar in de praktijk dienen we ook overeenkomstig die belijdenis te handelen. Wat denkt u bijvoorbeeld van een moskee bouwen, van het verhuren van een lokale gebedsruimte aan mohammedanen of van medewerking verlenen aan de bouw en oprichting van een school met de koran? Zijn zulke zaken tot eer van God? Mogen wij die op grond van Gods Woord toelaten? Mensen, wij dienen ook in dezen naar onze Belijdenis te handelen en te stemmen!

Moeilijke situaties

Vaak zijn de vraagstukken en situaties die zich aandienen, complex en de verleiding om af te wijken van wat Gods Woord ons als de weg voorhoudt, groot. Er wordt bijvoorbeeld een nieuwe rondweg aangelegd. Die rondweg moet er komen voor de nieuwbouw, maar op de kosten moet zoveel mogelijk bespaard worden. Een pomphouder met een pompstation die op zondag open is, moet weg. Hij wil wel verhuizen naar een locatie aan de nieuwe rondweg - wat financieel zonder meer gunstig is voor de gemeente - , mits de gemeente hem de verzekering wil geven dat hij ook daar zondags open mag zijn. Wat doen we dan? Voelt u het spanningsveld? Gaan we daarin mee, terwijl Gods Woord ons leert: Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt?

Volgens de Grondwet mogen we geen onderscheid maken tussen mensen op grond van gehuwd zijn, ongehuwd samenwonen of het hebben van een man-man-relatie c.q. een vrouw-vrouw-relatie. Hoe moet dat nu bij het benoemen van personeel voor de openbare school als er samenwonende kandidaten zijn? Hoe moet dat nu als u als wethouder verantwoordelijk bent voor het toewijzen van woningen en er komt een verzoek van een samenwonend stel om een huurwoning? Wat denkt u van een vrouw die een uitkering wil hebben om abortus provocatus te laten uitvoeren, terwijl ze verder aan de eisen van de wet, aan de regeltjes, precies voldoet? Kunt u bijvoorbeeld als ambtenaar daaraan uw medewerking geven, terwijl Gods wet zegt: Gij zult niet doden?

Dit zijn allemaal zaken waar we op staatkundig terrein mee te maken kunnen krijgen. En dit zijn nog maar enkele voorbeelden. Hoe moet dat nu? Kunnen we dan bijvoorbeeld nog wel raadslid zijn? We moeten dan immers onder ede trouw zweren aan de Grondwet en aan de wetten des lands? Voelt u de moeilijkheid? Waar kiezen we dan voor: trouw aan menselijke wetten of allereerst trouw aan Gods wet? Dat is in wezen de kernvraag.

Het antwoord van Calvijn

Calvijn heeft hierop een duidelijk antwoord gegeven. Na vastgesteld te hebben dat God van ons eist dat wij de overheden gehoorzaam zijn, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden (1 Petr. 2:18), schrijft hij in zijn Institutie:

"Maar bij de gehoorzaamheid die men (...) aan de heerschappij van de overheden verschuldigd is, moet altijd deze uitzondering gemaakt worden, of veeleer hierop vooral gelet worden dat die gehoorzaamheid ons niet mag afvoeren van de gehoorzaamheid aan Hem aan Wiens wil alle begeerten van de koningen behoren onderworpen te zijn, voor Wiens besluiten hun bevelen moeten wijken en voor Wiens majesteit hun scepters moeten buigen. En waarlijk, hoe verkeerd zou het zijn dat men, om aan mensen genoegdoening te schenken, Hem zou beledigen om Wiens wil men de mensen gehoorzaamt! De Heere is dus de Koning der koningen: wanneer Hij Zijn heilige mond geopend heeft, moet Hij alleen voor allen en boven allen gehoord worden; verder zijn wij onderworpen aan die mensen die over ons staan, maar niet anders clan in Hem. Indien zij iets bevelen dat tegen Hem ingaat, dan moet dat niet geteld worden. (...) In overeenstemming hiermee betuigt Daniël (6:23) dat hij niet gezondigd had tegen cle koning, toen hij aan zijn goddeloos bevel niet gehoorzaamd had: want de koning was zijn perken te buiten gegaan en was niet alleen onrechtvaardig geweest tegenover de mensen, maar had ook door de hoornen op te heffen tegen God zelf zijn eigen macht vernietigd' 4 K Dit heldere getuigenis van Calvijn is geheel in overeenstemming met Handelingen 5 vers 29, waar we lezen: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den mensen. Calvijn stelt hier een op Gods Woord gegronde grens aan de gehoorzaamheid die men aan de hoge overheden en hun wetten verschuldigd is. Een grens die elke bestuurder in acht dient te nemen en die hij - als hij eerlijk is - niet doorbreken kan met welke praktische argumenten ook.

Een worsteling

Dit onvoorwaardelijk buigen voor Gods bevelen betekent in de politieke praktijk van onze dagen, waarin overheid en onderdanen zich steeds verder en verder van God en Zijn geboden verwijderen, dat zich een toenemend aantal gevallen voordoet waarbij 'gehoorzaamheid' aan een democratisch tot stand gekomen wet of besluit in het licht van Handelingen 5:29 niet geoorloofd is. Een en ander heeft wel tot gevolg dat een politicus die een voluit Staatkundig Gereformeerde lijn aanhoudt, zich steeds meer waarneemt als verkerende in een worstelperk waarin hij van alle kanten aangevallen wordt. Hij voelt dan dat hier mensenkracht te-

kortschiet, hij voelt dat er meer nodig is om staande te blijven en niet van het Bijbelse pad af te wijken. De gevolgen van het onvoorwaardelijk vasthouden aan Gods geboden in een weerbarstige praktijk lijken soms ook zo bedreigend dat daarmee veeleer het tegendeel bereikt lijkt te worden. Om dan standvastig te blijven, om dan gehoorzaam aan Gods geboden te blijven, dat is niet eenvoudig! Maar heeft Calvijn deze worsteling dan niet aangevoeld? Ja, want hij schrijft:

"Ik weet hoe groot en hoe onmiddellijk gevaar deze standvastigheid dreigt, omdat de koningen het met grote verontwaardiging dragen wanneer ze geminacht worden, want hun grimmigheid, zegt Salomo (Spr. 6:14), is [als] de bode des doods. Maar daar door de hemelse heraut Petrus (Hand. 5:29) dit gebod is afgekondigd dat men Gode meer moet gehoorzamen dan de mensen, zo laat ons ons troosten met deze gedachte dat wij dan die gehoorzaamheid betonen welke de Heere eist, wanneer we alles liever lijden dan dat we afwijken van de vroomheid" 5 K

Mochten we ter beoefening van deze standvastigheid de God van Calvijn onmisbaar van node krijgen en mochten we door de nood uitgedreven worden tot Hem Die ons ook in 2008 als een God van nabij wil wezen voor een aan het eind gekomen mens die het niet meer weet. Men zegt het wel zo gemakkelijk: 'U moet maar op de Heere vertrouwen en het van Hem verwachten'. Dat is waar, maar als enerzijds handhaven van Gods gebod naar menselijke waarneming bijkans onmogelijk lijkt en wij anderzijds van Gods gebod niet af kunnen, wat kan men het dan daaronder benauwd hebben. Dan voelt men wel dat men ook in eigen kracht niet op God vertrouwen kan. Ook dat moet ons geschonken worden. Dit neemt niet weg dat we toch - in eenvoudigheid en in biddend opzien tot God - moeten blijven trachten om standvastig Gods geboden te handhaven, wat er ook tegen opkomt. Alleen op het houden van Zijn geboden kan immers zegen rusten.

Meineed?

Meer dan eens wordt tegengeworpen dat raadsleden en Statenleden die zich niet houden aan de wetten van het land wanneer deze in strijd zijn met Gods Woord, meineed plegen. Raadsleden en statenleden hebben immers met een plechtige eed aan die wetten trouw beloofd, zo voert men aan. Onder andere oud-GPV-Kamerlid G.J. Schutte was deze mening toegedaan, zo blijkt uit een opinieartikel van hem in het RD van 12 april 1990 6) . Als voorbeeld noemt hij in dat artikel de Zondagswet. Deze wet verbiedt gemeentebesturen om zulke besluiten te nemen die de sportbeoefening op zondag beletten. De centrale overheid beperkt hier dus op een zondige wijze de bevoegdheden van de gemeentebesturen. Hebben gemeentebestuurders nu het recht om deze wet niet op te volgen? Volgens Schutte zeker niet. Een gemeentebestuurder zou zich dan naar zijn mening niet aan de door hem afgelegde eed houden; hij zou dan meineed plegen. Een individueel gemeenteraadslid mag bij zulke onderwerpen wel het Staatkundig Gereformeerde geluid laten horen, maar bij de stemming moet hij vanwege de eed in gehoorzaamheid aan de wetten des lands 'liberaal' stemmen; hij moet ook zondige wetten gehoorzaam zijn. De SGP'ers C. den Uil, die gemeentesecretaris is geweest, en zijn zoon, drs. PC. den Uil, zitten ongeveer op dezelfde lijn 7 ). Ook de heer L.M.P. Scholten zegt, kort samengevat: 'We hebben gezworen dat we getrouw zullen zijn aan de Grondwet en de wetten zullen nakomen. Daar mogen we niet vanaf'. Maar in de praktijk stelt hij de volgende uitweg voor: 'Wanneer er in de raadszaal iets aan de orde komt dat tegen Gods Wet ingaat, maar in overeenstemming is met de geldende wetten, dan mag u daartegen wel getuigen, maar bij de stemming kan en mag u vanwege de afgelegde eed niet tegenstemmen. Daarom zit er voor u in zo'n geval niets anders op dan kort vóór de stemming tegen de voorzitter te zeggen: voorzitter, ik kan vanwege de eed niet tegenstemmen en omdat de zaak tegen Gods Wet ingaat, ook niet voorstemmen, ik verlaat daarom even de raadszaal' 8) . Ik heb veel respect voor de heer Scholten, maar dat een raadslid in zo'n geval niet tegen mag stemmen, daarin ben ik het toch niet met hem eens.

Argumenten

De heer N. Verdouw heeft op het opinieartikel van Schutte met een goed doordacht opinieartikel gereageerd onder de titel: 'Gods Wet gaat ook in de politiek uit boven al onze menselijke wetten' 9 ). Hij schrijft dat de "grondslag en het bestaansrecht" van de Staatkundig Gereformeerde politiek "worden aangetast wanneer de menselijke wetten boven Gods Wet worden geplaatst in de praktijk van het politieke handelen". Hij pleit ervoor om in zaken als sportbeoefening op zondag, verkoop

van grond ten behoeve van een moskee en de oprichting van een school met de koran toch tegen te stemmen, daar de afgelegde eed in de genoemde gevallen volgens hem ons niet verplicht om vast te houden aan de menselijke wetten ten koste van de Goddelijke wetten. Achtereenvolgens voert hij daarvoor de volgende argumenten aan:

"Heel belangrijk is het karakter van de eed. De aard van de eed is een godsdienstige. Dat bewijst ook wat de eedaflegger uitspreekt: 'Zo waarlijk helpe mij God almachtig'. De twee partijen bij de eed (eedafnemer en eedaflegger) verbinden zich over en weer aan Hem Die alwetend is. De eed brengt een verbond tot stand tussen eedafnemer en eedaflegger, in onderwerping aan God. Dit sluit in dat Gods Wet boven hetgeen gezworen wordt, blijft staan.

In de tweede plaats vernietigt de wetgever door het uitvaardigen van zondige wetten zijn eigen macht op dit punt, ook in de richting van hem die de eed aflegt. In het laatste boek van de 'Institutie' schrijft Calvijn over Daniël, die de Wet der Meden en Perzen overtrad: 'Zodoende kan Daniël betuigen, dat hij niet tegen de koning had gezondigd, toen hij diens goddeloos bevel niet opvolgde (Dan. 6:23). Want de koning was zijn perken te buiten gegaan en was niet alleen tegenover mensen onrechtvaardig geweest, maar had ook, door zich tegen God te verheffen, zelf zijn eigen macht vernietigd'.

Een derde belangrijk gegeven is ook, dat bij de ambtseed de eedafnemer en de eedaflegger behoren tot de overheid, waarvan gezegd wordt in Romeinen 13, dat zij Gods dienaresse is, u ten goede. Zij regeren ook bij de gratie Gods. In wezen is op het moment van eedaflegging juist dat raadslid echt overheidspersoon (dienaresse Gods) die (in overeenstemming met de aard van de eed én overeenkomstig zijn plicht) Gods Wet stelt boven de landelijke wetten.

Te weinig wordt - in de vierde plaats - beseft dat in de ambtseed evenzeer onder ede beloofd wordt het belang van de gemeente (of van de provincie) 'met al mijn vermogen' voor te staan en te bevorderen. Een zondige wet bevordert het belang van de gemeente niet. Integendeel. Zondige wetgeving schept dus tegenstrijdigheid in de tekst van de eed. Een SGP'er kan de eed afleggen zoals die luidt, zonder tegenstrijdigheden. Het is waar, trouw aan de grondwet en de wetten des Rijks wordt eerst genoemd. Dat betekent niet dat het tweede van minder belang is. Ten vijfde: in het gemeenteprogram van de SGP wordt ook heel duidelijk Gods Wet boven de grondwet en de wetten van het Rijk gesteld: 'De raad, het college van B en W en de burgemeester streven ernaar elk voor het hem opgedragen bestuur te handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel één van dit program [grondslag Gods Woord en mitsdien handhaving van het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis; NV] en voorts, voor zover dit niet strijdig is met het voorgaande, overeenkomstig het bepaalde bij de grondwet en de wetten des Rijks'. Het is uiterst gevaarlijk om te zeggen dat de eed ons verplicht tot gehoorzamen aan zondige wetten. Als dit zo zou zijn, dan zouden we Gods hulp vragen bij het trouw blijven aan de wetten die tegen Gods Wet ingaan. Dat mag en kan nooit. Dan kunnen we de eed niet afleggen".

Men moet hierbij ook bedenken dat in de eed op de grondwet "volstrekt niet" ligt "dat men alles wat die grondwet voorschrijft, elk verkeerd denkbeeld dat zij bevat, aanneemt. Integendeel. Van stonde aan heeft ieder het volste recht en de dure roeping te arbeiden om het verkeerde door het goede te vervangen", aldus ds. G.H. Kersten 10) .

Tevens willen we hierbij onderstrepen dat raadsleden en Statenleden zweren dat zij hun plichten 'naar eer en geweten' zullen vervullen. Wanneer er geen andere mogelijkheden meer zijn om het zondige kwaad tegen te houden, "kan en mag men met een beroep op [deze] zinsnede uit de eedsformule", aldus de opstellers van de SGP-publicatie Kan een SGP-er nog raadslid zijn? , "ruimte vragen voor het standpunt Gode meer gehoorzaam te moeten zijn dan mensen". Met te zweren, 'naar eer en geweten' te zullen handelen, spreekt een SGP'er die de eed aflegt, immers "impliciet uit dat hij ruimte vraagt voor zijn geweten, dat Bijbels genormeerd is. Hij is ervan overtuigd dat de gemeente het best gediend wordt wanneer geregeerd wordt naar de normen van Gods Woord" 11 ).

Wanneer wij al deze argumenten overzien, dan zijn wij met de opstellers van de genoemde SGP-publicatie ervan overtuigd dat wij de gezworen eed niet breken als wij in zaken die tegen Gods Woord ingaan, Gods Wet boven menselijke wetten stellen.

Geen misdaad begaan

Nogmaals willen wij u wijzen op Daniël. Koning Darius had een wet getekend dat alle man die in dertig dagen

van enigen god of mens iets verzoeken zou, behalve van de koning, in den kuil der leeuwen zou geworpen worden (Dan. 6:13). Zouden wij dan niet gezegd hebben: 'Daniël, luister eens. U behoeft toch niet voor het open venster te bidden waar de wereld u ziet, u kunt toch ook in uw binnenkamer bidden? Als u nu dertig dagen lang alleen in uw binnenkamer bidt, dan kunt u over ons blijven regeren, dan kunt u ons volk nog blijven leiden en mogelijk nog veel voor ons ten goede keren. Ja, zo zouden wij redeneren, maar voor Daniël was het een geloofszaak. Hij stelde het eren van God boven het eren van mensen. De ere Gods woog hem zwaarder dan het behoud van zijn hoge positie en het behoud van zijn leven. Ondanks het verbod van de koning, bad hij toch openlijk tot God, met als gevolg dat hij in de kuil geworpen werd, maar God redde zijn leven. Tegenwoordig wordt er wel zo gemakkelijk gezegd: 'De God van Daniël leeft nog; Hij is nog dezelfde'. Ja, dat is waar, maar geloofden we dat maar meer. Dan waren we niet zo benauwd, dan gingen we ook niet overal voor opzij! Daniël sprak vanuit de kuil: Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, o? ndat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning, tegen u geen misdaad gedaan (Dan. 6:23). Omdat hij Gods Wet meer gehoorzaam moest zijn dan die van de koning, had hij door des konings wet niet op te volgen, geen misdaad tegen de koning begaan! Evenzo maakten ook de vroedvrouwen zich niet aan opstand tegen het gezag schuldig toen zij niet deden wat de koning van Egypte hun had bevolen. Tegen het gebod van de koning in hielden zij de knechtjes in het leven (Ex. 2:17). Juist daarom deed God aan de vroedvrouwen goed (Ex. 2:20). Daarom moeten ook wij in raden en Staten niet alleen getuigen tegen wat niet is naar Gods Wet, maar tevens onze stem daartegen uitbrengen.

Ten besluite

Met te stellen dat we Gods Wet meer gehoorzaam behoren te zijn dan menselijke wetten, hebben we geenszins willen zeggen dat we niet zwaar aan de eed behoeven te tillen. Vanwege het feit dat koning Saul de aan de Gibeonieten gezworen eed gebroken had, kwam er in Davids tijd drie jaar honger in het land Kanaan (2 Sam. 21). Dit voorbeeld zij ons ter waarschuwing opdat wij toch vooral niet lichtvaardig over de afgelegde eed denken.

We hebben het met name over de ambtseed op het terrein van de overheid gehad. Maar ook daarbuiten worden eden gezworen. Bijvoorbeeld bij het ten doop houden van kinderen. Daar beloven ouders dat zij hun kinderen zullen opvoeden in de leer die naar de Godzaligheid is. Dat kunnen zijn niet in eigen kracht. Als ze eerlijk zijn, zullen ze moeten erkennen dat ze daarin veel tekortschieten. Maar is het zo ook niet met de afgelegde ambtseed voor de overheid? Op onze handel en wandel zal de Heere terugkomen. Moet dan niet iedere vertegenwoordiger of bestuurder de hand in eigen boezem steken? En wie we ook zijn, laten we in ieder geval niet denken dat we ons zelf wel op het rechte pad kunnen houden. Kijk eens naar den rechtvaardigen Lot, van wie geschreven staat dat hij vermoeid was van den ontuchtigen wandel der gruwelijke mensen (2 Petr. 2:7), waartoe hij verviel! Terechtgekomen in een penibele situatie bood hij nota bene zijn eigen dochters aan de wellustige mannen van Sódom aan. De Heere heeft dat ook niet ongestraft gelaten. We weten wat er later met hem en zijn dochters onder Gods toelating gebeurd is. Ontzettend! Dit leert ons hoe eenieder van ons uit onszelf dagelijks tot hinken en zinken elk ogenblik gereed is. Onze bede mocht dan ook wel gedurig zijn: Laat mij van 't spoor, in Uw geboön vervat, niet dwalen, Heer'; laat mij niet hulp'loos varen (Ps. 119:5 ber.).

Ondanks veel verval en afval mogen we ook in deze tijd het voorrecht nog hebben dat hier en daar in de vergaderzalen van de overheid Gods Woord nog mag klinken. Degenen die daar nog een helder geluid mogen laten horen, verkeren echter vaak wel op eenzame posten. Er komt daar veel op hen af en zij krijgen vaak veel over zich heen. Maar we mogen toch ook zeggen

dat men ondanks alle kritiek vaak toch nog tot op zekere hoogte respect heeft voor hen die eerlijk voor hun beginsel uitkomen. Ik denk dat we daar waar het met behoud van beginsel mogelijk is, onze plaats moeten blijven innemen, opdat het Staatkundig Gereformeerde geluid in den lande nog gehoord mag worden. Dan kunnen ze net wetten verzinnen als ze willen. Daar moeten we niet voor weglopen, maar ze aanspreken dat alles wat niet is naar Gods Woord en Wet geen dageraad zal hebben. Geve de Heere ons maar kracht, sterkte, inzicht, wijsheid en verstand, eenieder op zijn plaats. En dat onze consciëntie maar niet dichtgeschroeid behoeft te worden. Want daar zijn momenten, dan zal ons geweten, genormeerd aan Gods Woord, een besluit moeten nemen. Dan zegt Psalm 119 vers 1 en 2: Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des Heeren gaan. Welgelukzalig zijn zij die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken.

Noten:

1) Zie onder andere: In het Spoor, decembernummer 1999, p. 209-210 en julinummer 2005, p. 122-130 2) Dit artikel is een bewerking van de lezing die door mij gehouden is op de jaarvergadering van de 'Landelijke Stichting ter bevordering van de Staatkundig Gereformeerde beginselen' te Barneveld, 31 mei 2008. 3) Onder andere geciteerd bij: P.A. Zevenbergen, 'Praktische beginselen (12)', in: De Banier, 30 mei 2008 4) J. Calvijn, Institutie, dl. 3, boek IV, hoofdstuk 20, paragraaf 32, p. 593-594 5) Calvijn, Institutie, p. 594-595 6) G.J. Schutte, 'Wie trouw zweert aan de grondwet, mag sport op zondag niet verbieden', in: RD, 12 april 1990 7) Zie: C. den Uil, 'Nogmaals Ambtseed of - belofte', in: De Banier, 3 september 1982, p. 8-9 en drs. P.C. den Uil, 'Eedaflegging dwingt tot compromis', in: RD, 20 oktober 1999 8) G. Ligtenberg, 'Het gewicht van de ambtseed', in: RD, 28 februari 1998 9) N. Verdouw, 'Gods Wet gaat ook in de politiek uit boven al onze menselijke wetten', in: RD, 26 april 1990. Zie ook: N. Verdouw, 'Raadslid mag zondige wetten niet gehoorzamen', in: RD, 7 maart 1998 10) G.H. Kersten, 'De eed op de Grondwet', in: De Banier, 13 september 1923 11) J.T. van den Berg e.a., Kan een SGP-er nog raadslid zijn? , Houten 1995, p. 42

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 2008

In het spoor | 52 Pagina's

DE AMBTSEED

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 2008

In het spoor | 52 Pagina's

PDF Bekijken