Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE OPVOEDING VAN ONZE KINDEREN -12-

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE OPVOEDING VAN ONZE KINDEREN -12-

19 minuten leestijd

Inleiding

De Amsterdamse predikant ds. Petrus Wittewrongel (1609-1662) heeft een kapitaal werk over de Christelijke huishouding geschreven, getiteld: 'Oeconomia Christiana' (1655). Dit werk, waarvan de eerste en tweede druk in 1655 en de derde in 1661 verscheen, bestaat uit twee delen van maar liefst 840 en 1194 pagina's (exclusief de opdracht, aanspraken, eerdichten, registers etc.). In het eenendertigste hoofdstuk van het eerste deel behandelt deze voluit gereformeerde pedagoog de plichten die de ouders hebben te betrachten om de welstand van de zielen van hun kinderen te bevorderen en om hen in de vreze Gods en de ware Godzaligheid op te voeden.

In de eerste plaats wijst hij erop dat ouders hun kinderen van jongs af aan naarstig behoren te onderwijzen in de Christelijke religie, onder andere door hen te oefenen in het lezen van de Schrift en door hen te catechiseren. Vooral jong hiermee beginnen achtte hij van groot belang. Dan zijn zij immers nog het gemakkelijkst te buigen. Ouders zullen zich nooit beklagen dat ze er te vroeg mee begonnen zijn, aldus ds. Wittewrongel.

Daarnaast maant hij de ouders om er goed op te letten dat hun kinderen niet met ijdele en goddeloze personen omgaan, want die met pek omgaat, wordt er mee besmet.

Voor een goede opvoeding is echter meer nodig dan alleen het naarstig onderwijzen en het nauwkeurig acht geven op hun gezelschap. Ouders moeten hun kinderen ook bestraffen wanneer zij zich ergens in ontgaan. En als bestaffen met woorden niet helpt, moeten zij hen door de roede der tucht zoeken te verbeteren. Op deze twee aspecten gaat ds. Wittewrongel in het eenendertigste hoofdstuk uitvoerig in. We laten dit gedeelte hieronder in zijn geheel volgen, enerzijds omdat het voor ouders ten zeerste nuttig is om hiervan kennis te nemen, en anderzijds om aan te tonen dat een pedagogische of corrigerende tik zeker niet onbijbels is. Ter wille van het leesgemak hebben we tussenkopjes geplaatst en zijn de woorden herspeld en hier en daar hertaald (met dank aan dr. J.A. Bunt uit Rhenen). We hopen van harte dat dit helder en lezenswaardig betoog van ds. Wittewrongel niet alleen tot opscherping mag dienen, maar ook tot ondersteuning mag zijn van die ouders die in deze verwarde en verleidingsvolle tijden hun kinderen naar de Schrift trachten op te voeden, wat verre van eenvoudig is.

A. Verwijs

Bestraffen

Ds. Wittewrongel: "Zij [te weten de ouders; AV] moeten hun kinderen bestraffen zo haast zij hen zien afwijken van de goede weg, want dat is een bijzonder goed middel om hen op de rechte weg te houden. Zo lief als zij de behoudenis van hun kinderen hebben, mogen zij hierin niet nalatig zijn: De bestraffingen der tucht [Kanttekening: 'door de tucht of door de onderwijzing'] zijn de weg des levens (Spr. 6:23). Die zijn een bekwaam middel om onze kinderen verstandig te maken volgens hetgeen wij lezen in Spreuken 15 vers 32: Die de bestraffing hoort, krijgt verstand. En in vers 5: Die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen. Daarom is dit ook te allen tijde door Godzalige ouders in acht genomen, gelijk wij daarvan een voorbeeld hebben in de patriarch Jakob, die daarin niet alleen zeer ernstig is geweest ten opzichte van zijn zonen Simeon en Levi toen zij dat schelmstuk tegen de Sichemieten hadden uitgevoerd: Gij hebt, zegt hij, mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners dezes lands (Gen. 34:30). Maar ook als hij een weinig tijds voor zijn dood al zijn zonen voor zich geroepen had om deze te zegenen, zo heeft hij niet nagelaten de bestraffingen aan hen te vernieuwen in Genesis 49 vers 5-7: Simeon en Levi zijn gebroeders; hun handelingen zijn werktuigen van geweld. Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad, mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering; want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt. Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig, en hun verbolgenheid, want zij is hard. Ik zal hen verdelen onder Jakob en zal hen verstrooien onder Israël. En tot Ruben zeide hij in vers 4: gij zult de voortreffelijkste niet zijn, want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden.

En zo wij ook in dezen onze plicht wel waarnemen, inzonderheid als wij goedaardige kinderen hebben, zullen wij daarmee veel meer dan door slagen kunnen vorderen. De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderdmaal te slaan, zo zegt Salomo in Spreuken 17:10. En zo die ook omtrent boosaardige kinderen nagelaten of met geen genoegzame ernst gedaan worden, zo zullen ze erger worden. Want als de hogepriester Eli in dezen zijn plicht vrij veel verwaarloosde en hij zijn goddeloze zonen niet scherp genoeg bestrafte, gelijk de Heere hem dat ten laste legde, dat als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, hij hen niet eens zuur aangezien heeft (1 Sam. 3:13), 'zo heeft hij hen en meteen zichzelf verdorven', zo zegt de oude leraar Chrysostomus.

Dat was ook de zwakheid in de heilige David ten opzichte van zijn zoon Adonia, waarvan wij lezen in 1 Koningen 1 vers 6: En zijn vader had hem niet bedroefd van zijn dagen. En wij mogen wel geloven dat het niet anders zich ook met zijn Absalom heeft toegedragen, welke zonen hem daarna door Gods rechtvaardig oordeel tot smart en droefheid zijn geweest.

De roede gebruiken

Als de bestraffing niet helpt, moeten zij hun kinderen door de roede der tucht zoeken te verbeteren. Want dat is de uiterste remedie die de ouders bij de hand kunnen nemen om hun kinderen die zich niet vanzelf willen laten leiden, tot de deugd te dwingen. En dat is het wat doorgaans als een schuldige plicht de ouders wordt opgelegd: Tuchtig uw zoon (Spr. 19:18; 29:17). Weer de tucht van den jongen niet (Spr. 23:13). En: Gij zult hem met de roede slaan (Spr. 23:14). Als God het zo duidelijk van hen afeist, wie kan het dan zonder zich tegen de hemel te bezondigen, nalaten? Gods gebod deed de grote patriarch Abraham gehoorzamen, al moest hij zijn eigen zoon opofferen (Gen. 22:2-3). En zouden wij dan weigerachtig zijn om onze zonen te tuchtigen?

Groot voordeel

Wat hen hierin behoort te bewegen, is dat zij bij zichzelf overdenken, ten eerste het grote voordeel dat zij daardoor hun kinderen zullen toebrengen. De roede der tucht zal hun een recht medicijn zijn. De tuchtroede is ook door de filosoof Aristoteles een medicijn genoemd. Het ware immers een rechte dwaasheid, als wij onze kinderen liever wilden laten sterven dan hun een bittere drank te drinken te geven. Gezwellen der wonde (die door zulke slagen veroorzaakt worden) zijn in den boze een zuivering, mitsgaders de slagen van het binnenste des buiks (Spr. 20:30). [Kanttekening: 'de zin is, dat aan een mens die tot boosheid overgegeven is, geen betering te verwachten is, dan door zware lijfstraffen']. De dwaasheid is in het hart van den jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen (Spr. 22:15), ja, als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven (Spr. 23:13), en zijn ziel van de hel redden (Spr. 23:14). Wie zal niet graag door zulk een middel het welvaren van zijn kinderen bevorderen en hun ondergang en verderf zoeken te voorkomen!

Ten tweede [moeten de ouders overdenken] de verscheidene onheilen en ongemakken die zij zo ten opzichte van zichzelf zullen kunnen wegnemen. Want zij zullen veel moeite sparen in het onderwijzen van hun kinderen, die dikwijls meer door één roede dan door vele bestraffingen zullen leren. Zij zullen veel smaad, verdriet en schande van zich afwenden, die zij noodzakelijk onderworpen zijn, als hun kinderen op de weg des verderfs komen te wandelen. Want een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene die hem gebaard heeft (Spr. 17:25). De roede der tucht moet deze dwaasheid wegdrijven (Spr. 22:15), opdat de vader zich in hem zal verblijden. Ja, zo doende zullen zij zichzelf bevrijden van de schuld van hunner kinderen overtreding. Want als zij de roede der tucht niet gespaard hebben, zo kunnen zij in hun gemoed gerust zijn dat zij hun best gedaan hebben. God de Heere zal de misdaad van hun kinderen dan van hun hand niet eisen.

Naar de Schrift en in liefde

Maar opdat de ouders dit geluk en zo grote zegen mochten verkrijgen, zo dienen de volgende belangrijke aspecten wel in acht genomen te worden.

Ten eerste ten aanzien van de zaken waarover zij de roede in de hand zullen nemen. Dat zij hen niet naar hun goeddunken kastijden (Hebr. 12:10), maar naar de regel van Gods Woord. Ook moet blijken dat er een misdaad door hun kinderen gedaan is. Daar moet geen corresijf [bijtend middel als heelpleister; AV] gelegd worden waar geen wond is of wij zouden het erger maken. In het bijzonder [dienen zij erop te letten] dat hetgeen zij bestraffen willen in hun kinderen, strijdig is met de wet des Heeren en voor een zonde moet gerekend worden. Ten tweede ten aanzien van de manier en wijze waarop zij deze roede der tucht zullen gebruiken. Zij moeten daarin Gods voorbeeld navolgen Die, gelijk Hij Zijn eigen lievelingen en Zijn gunstgenoten kastijdt, als zij tegen Hem zondigen (Spr. 3:12; Hebr. 12:6-8), dat ook doet in Zijn liefde en gunst tot hun bestwil. Zo moeten de ouders hun kinderen tuchtigen in liefde, met heilige bewegingen, in een bezadigd gemoed. Alzo dat zij laten blijken hoe node dat zij daartoe komen, hoe weinig vermaak dat zij daarin hebben. Want zo staat er van God de Heere: Hij plaagt en bedroeft des mensen kinderen niet van harte (Klaagl. 3:33). En meteen acht geven op de zwakheden van hun kinderen en op de zwaarte van de misdaad waarvoor ze hen willen tuchtigen. Inzonderheid hebben wij de volgende twee uitwassen te vermijden.

Niet al te streng

Ouders dienen niet al te streng te zijn in het gebruik van de tuchtroede overeenkomstig Paulus' regel in Efeze 6 vers 4: Gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn. En in Kolossenzen 3 vers 21: Gij vaders, tergt uw kinderen niet. Dit kunnen zij op verschillende manieren

veroorzaken, maar inzonderheid geschiedt dit daardoor dat zij hun kinderen om kleine of zelfs geen vergrijpen al te zwaar en al te dikwijls slaan en straffen, waardoor zij hun kinderen moedeloos maken en hen niet verbeteren, maar verergeren, ja, in hun boze weg verharden. Het paard wil niet te scherp of te dikwijls met de sporen gestoken zijn of het zou gemakkelijk op hol geraken. Medicijnen willen niet te veel gebruikt zijn of zij zouden het lichaam verzwakken, ja, doden.

Ouders behoren in het straffen van hun kinderen bedachtzaamheid te gebruiken en hen daarom ook te straffen zonder toorn. Of anders moeten zij de straf liever uitstellen, want een korzelig hoofd en een haastige toorn veranderen de rechtvaardigheid van de tucht in enkel wraakgierigheid. De toorn maakt dat de gebreken ons groter schijnen, gelijk de lichamen door een nevel. De kastijdingen die met bedachtzaamheid gedaan worden, hebben hun nuttigheid en worden van de kinderen beter aangenomen.

Maar ook niet te slap

In het kastijden mag ook niet al te grote zachtmoedigheid gebruikt worden. Want zo zouden de ouders zich aan de zonde van de hogepriester Eli schuldig maken en daarin hun kinderen meer eren dan God (1 Sam. 2:29). Dit zou God zeer zwaar in hen bezoeken, gelijk dat in het voorbeeld van de heilige David maar al te klaar is gebleken. De ouders moeten wel toezien dat zij hun kinderen door al te grote slappigheid en zoetzinnigheid niet verderven. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden, slappe ouders stijfhoofdige kinderen. Daarom is die strelende toelating en malle vrees om hun kinderen te bedroeven ten enenmale verdoemelijk. Als een tweede uitwas niet minder schadelijk dan de eerste. Het zou immers een al te grote dwaasheid zijn en een verkeerde barmhartigheid als wij de kastijdingen zouden nalaten om hier het storten van een weinig kindertranen te beletten, die ze in meer overvloed en bitterheid daarna in de hel zouden moeten uitschreien. Dwaze vaders en moeders zullen dit liefde noemen, maar de Vader der geesten zegt: Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging (Spr. 13:24). En wat nog erger is, deze zoetzinnigheid van de ouders baant de weg om Gods gestrengheid over hen te verwekken, zegt de oude leraar Augustinus.

Zotte ouders [zijn het] die door al te grote zoetzinnigheid hun kinderen gelijk een aap zijn jongen zouden willen doden. Van dewelken wij wel zouden mogen zeggen, gelijk eens de Romeinse keizer zei van Herodes (als hij hoorde dat hij ook zijn eigen zoon in die droevige kindermoord van Bethlehem had laten doden), dat het beter was zwijnen van zulke mensen te zijn dan hun zonen. Zulke ouders die de roede sparen, werpen met de roede ook het kind in het vuur: de roede in het vuur van de haard en het kind in het vuur van de hel. De kinderen zullen al te laat over zulke ouders klagen. Hoe velen hebben vóór de galg staande hun ouders zwaar beschuldigd, omdat zij hen niet bijtijds gestraft hebben? En hoe velen willen hen in de hel vervloeken op zulk een wijze als de oude leraar Cyprianus meent dat zodanige kinderen doen zullen wier ouders hun de Christelijke doop onthouden hebben, zeggende: 'De verraderlijke ontrouw van onze ouders heeft ons in deze tormenten gebracht, onze vaders en moeders zijn moordenaars van ons geweest. Die ons ons natuurlijk leven hebben toegebracht, hebben ons van een beter beroofd. En die

ons met de roede niet hebben willen verbeteren, zijn de oorzaak dat wij met schorpioenen gegeseld worden'. O, dat de ouders mochten overdenken de bitterheid van zulke klachten, eer dat zij ook zelf komen in de plaats der pijn en daar geen barmhartigheid kunnen vinden, omdat zij hier al te veel barmhartigheid aan hun kinderen bewezen hebben.

Tucht én onderwijs

Als ouders genoodzaakt worden om de tuchtroede in de hand te nemen, zo moeten zij ook inzonderheid daarop letten dat zij bij die roede de nodige vermaningen en onderwijzingen voegen uit het Woord des Heeren, opdat zij hun kinderen te beter op de weg van de deugd en van Godzaligheid leiden. Daarin moeten zij God de Heere navolgen, Die Zijn Vaderlijke tuchtiging en heilzame onderwijzing tezamen voegt. Waarop de heilige David zag als hij zei: Welgelukzalig is de man, o HEERE, dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet (Ps. 94:12). Wij moeten onze kinderen opvoeden in de lering en vermaning des Heeren (Ef. 6:4). Daarvoor gebruikt de apostel twee Griekse woorden, waarvan de eerste ook overgezet kan worden als 'tuchtiging', zodat daaronder begrepen is die plicht waar wij zojuist van gesproken hebben. En daarbij voegt hij een ander Grieks woord dat in de vermaning des Heeren betekent. Wanneer die uit Gods Woord genomen zijn, kunnen die het allerbeste dienen om de kinderen in de vreze des Heeren op te voeden. Wij moeten die onze kinderen voordragen en die in hun gemoed zoeken in te drukken, gelijk het woord in de grondtekst meebrengt. Het moet zijn: de roede in de hand en het Woord in de mond. Een stomme roede is maar een beestachtige discipline en laat onze kinderen zo brutaal en onredelijk als die ooit geweest zijn. Kastijding zonder onderwijzing zal eer de beenderen dan het hart breken, het vlees eerder dan de zonde doden. Die kan de natuur en het leven uitblussen, maar de genade en de deugd niet voortbrengen. Daarom moeten de vaders onzes vleses [Kanttekening: onzer lichamen] niet naar hun goeddunken (Hebr. 12:9-10), maar naar Gods voorschrift hun kinderen tuchtigen.

Door het Woord der vermaning en het Woord der waarheid moeten hun kinderen geheiligd worden (Joh. 17:17). Vermaningen uit de Heilige Schrift moeten hen wijsmaken tot zaligheid (2 Tim. 3:15). Als er een wijs woord, een Goddelijke onderwijzing, bij de roede gevoegd wordt, zal die wijsheid en het leven voortbrengen. Godzalige ouders moeten van Davids verstand zijn, die zei: Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg dien gij gaan zult; ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn. Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake (Ps. 32:8-9). Zulk een zoete onderwijzingen en vermaningen kunnen soms de slagen verhinderen en de roede achterhouden, of, als de roede moet gebruikt worden, deze zegenen en heiligen.

Bid voor hen

Inzonderheid moeten de ouders ook vurig zijn in het gebed tot God, Die deze kastijding ten nutte moet maken en bekrachtigen. God de Heere Zelf, Die behoeft maar de roede en het woord der vermaningen te gebruiken, omdat Hij de zegen in Zijn eigen hand heeft; Hij kan een zegen gebieden. Maar het is hierin niet zo met ons. Een Paulus mag planten en een Apollos natmaken, maar God moet de wasdom geven (1 Kor. 3:6). Al onze moeite en arbeid is tevergeefs, als God Zijn Geest onze kinderen niet instort en hen inwendig leert, gelijk wij hen met de roede en vermaning zoeken te onderwijzen. Ora et labora, dat geldt ook hier: 'Bid en werk'. Bidt en onderwijst uw kinderen. Bidt God dat Hij uw vermaningen wil bekrachtigen. Salomo's ouders moeten hierin vurig geweest zijn, daar hij wordt genoemd een zoon van hun geloften (Spr. 31:2). Zij zouden derhalve voor hun kinderen God de Heere om wijsheid bidden en zeggen gelijk eens Manóach: Och HEERE, dat toch de Man Gods, Dien Gij gezonden hebt, weder tot ons kome, en ons lere wat wij dat knechtje doen zullen, dat geboren zal worden (Richt. 13:8). Wij zouden over de ziekten die wij vinden in de zielen van onze kinderen, tot God smeken om de heling van die, gelijk de Kananése vrouw bad voor haar dochter: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten (Matth 15:22). Daar is menigmaal een boze geest in onze kinderen, die wij door gebeden moeten zoeken uit te drijven. Wij moeten Jobs voorbeeld hierin gaarne navolgen die met offeranden en gebeden alle dagen zijn kinderen heiligde, opdat zij zich tegen de HEERE niet bezondigden (Job 1:5).

Godzalige ouders kunnen soms goddeloze kinderen hebben, hoe wel dat zij zich ook in de betrachting van deze plichten komen te kwijten. Adam had zowel een vervloekte Kaïn als een godsdienstige Abel. Noach een goddeloze Cham. Abraham een spotachtige Ismaël, die naar het vlees geboren was en vervolgde die naar den

geest geboren was (Gal. 4:29). Izak een profane Ezau (Hebr. 12:16). Eli rechte zonen Belials, zodanig ook Samuëls zonen geweest zijn, hoewel zij een Godzalige vader hadden. Wij lezen van hen: Doch zijn zonen wandelden niet in zijn wegen, maar zij neigden zich tot gierigheid, en namen geschenken en bogen het recht (1 Sam. 8:3). David, een man naar Gods hart, had een bloedschandige Amnon en een eergierige Absalom. Josafat een Joram. Hizkfa een Manasse. Josfa een Jójakim. En zo ziet men de waarheid van deze zaak alle dagen in eigen bevinding. De reden is, omdat de genade van de ouders niet wordt voortgezet tot de kinderen, maar de natuur. Hoe heilig dat ook iemand is, hij kan zijn kinderen niet anders dan met de natuurlijke geboorte en niet naar de geestelijke wedergeboorte voortbrengen: Non ex principiis novitatis, sed ex reliquiis fetustatis, zegt een van de oude vaders: 'Niet uit de beginselen van de nieuwe, maar uit de overblijfselen van de oude mens'. Hetwelk de heilige David ook erkende, hoewel hij van Godzalige ouders voortgekomen was, als hij zei: Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen (Ps. 51:7). Het koren, hoewel nog zo goed gezuiverd van het kaf, kan niet zonder hetzelve tevoorschijn komen, als het wederom gezaaid is. Wij kunnen onze kinderen de wereldse goederen, maar onze goedheid niet nalaten. Derhalve dan, zo kan iedereen wel afnemen, zou hij vreugde aan zijn kinderen zien, zouden die God vrezen en Godzalig zijn, hij moet hun een goed voorbeeld geven. Al terstond en van hun eerste jaren hen in de vreze des Heeren leiden, bestraffen, kastijden en vermanen naar dat de gelegenheid het vereist, en vooral God bidden dat Hij met Zijn zegen al hun moeite en arbeid in dezen wil achtervolgen.

Ten besluite

O, dat de ouders den Vader der geesten hierin terdege wilden navolgen. Dat zij op zodanige wijze ook hun kinderen wilden leren, vermanen en tuchtigen. Elke vader behoort in zijn huis te zijn als een koning, een profeet en een priester. O, dat elk kind reden mocht hebben om zijn vader die roem te geven die Augustinus gaf aan zijn moeder Monica. 'Zij maakte meer haar werk daarvan', zegt hij, 'dat Gij, Heere, mijn Vader zoudt zijn, omdat ze meer in arbeid was om mijn eeuwige zaligheid te bevorderen dan om mij in mijn eerste geboorte ter wereld te brengen'. O, dat onze vleselijke ouders konden spreken van hun eigen kinderen, wat Paulus zei van die van Galatië: Mijne kinderkens, die ik wederom arbeid te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge (Gal. 4:19). Opdat zij alzo zichzelf meer in hun tweede dan in hun eerste geboorte mochten verheugen. En dat moeten zij doen door de roede en door de vermaningen des Heeren. Dan zullen zij eerst recht genoegen kunnen vinden in hun kinderen. Die zullen hun gerustheid aandoen en hun zielen vermakelijkheden geven (Spr. 29:17). Want wat kan er ook meerder vreugde of blijdschap zijn voor Godzalige ouders dan dat zij horen en zien dat hun kinderen in de waarheid wandelen (3 Joh. 1:4). Cassiodorus kon eens van iemand zeggen: Quot dedit familice juvenes, tot reddidit curice consulares (zoveel zonen als hij zijn familie heeft gegeven, zoveel raadsheren heeft hij aan de staat gegeven). Maar gelukkig zijn ze die zoveel zonen als hun God de Heere heeft gegeven, zoveel kinderen voor God opgebracht hebben en zoveel erfgenamen voor het Koninkrijk der hemelen".

Ds. P. Wittewrongel

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 mei 2010

In het spoor | 56 Pagina's

DE OPVOEDING VAN ONZE KINDEREN -12-

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 mei 2010

In het spoor | 56 Pagina's

PDF Bekijken