Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

12 minuten leestijd

De discipel dan welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere.Joh. 21:7a

Het hoofdstuk waarin we deze woorden opgetekend vinden, begint met: Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de Zee van Tibérias. Wederom openbaarde Hij Zich; Hij was immers al tweemaal eerder aan Zijn discipelen verschenen. De eerste keer aan de avond van de dag waarop Hij was opgestaan. Toen was Thomas er niet bij. Maar acht dagen later was Thomas er wel bij. De Heere Jezus is opgestaan op de eerste dag van de week. Daarom wordt de eerste dag van de week de 'opstandingsdag' of de 'dag des Heeren' genoemd. Deze dag is afgezonderd van alle andere dagen. Juist op die dag, op Zijn opstandingsdag, laat Hij Zijn Woord verkondigen. Juist op die dag wil Hij Zich door middel van de bediening van Zijn Woord openbaren; wil Hij betonen dat Hij de Opgestane is, dat Hij de dood heeft overwonnen. Daardoor is het nu mogelijk dat zondaren worden opgewekt uit hun zondegraf, dat gevallen Adamskinderen van nieuws geboren worden. Daarom kon ook Petrus later schrijven: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (1 Petr. 1:3). Was Christus in het graf gebleven, dan was er geen hoop, geen verwachting geweest. Dan hadden zondaren nooit opgewekt kunnen worden uit hun geestelijke doodstaat. Maar nu is dat mogelijk. Tot op de dag van vandaag laat Hij Zijn knechten nog uitgaan, zondag aan zondag, om aan zondaren het Evangelie van vrije genade te verkondigen.

Christus heeft Zich tweemaal op de dag des Heeren geopenbaard, maar nu lezen we in ons teksthoofdstuk dat Hij Zichzelf openbaarde op een doordeweekse dag. Daaruit kunnen we deze les trekken dat we niet alleen op zondag, maar ook op doordeweekse dagen getrouw moeten opgaan onder de bediening van het Woord.

De discipelen waren naar Galiléa gegaan, gehoorzaam aan het woord dat de vrouwen hun van Christuswege hadden gebracht. Christus had tot de vrouwen gezegd: Vreest niet; gaat heen, boodschapt Mijn broederen dat zij heengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij Mij zien (Matth. 28:10). In Galiléa moesten ze wachten tot het moment daar was dat Christus Zich voor de derde maal aan hen zou openbaren. Wachten duurt lang. Het duurde Petrus te lang. Tegen de andere discipelen zei hij: 'Ik ga vissen'. Zes van de andere discipelen gingen met hem. Maar de Heere had hun geen opdracht gegeven om te gaan vissen. Ze begaven zich daarmee buiten het spoor. Ze kozen een weg die henzelf goed en redelijk leek, maar niet de van God geboden weg. Doen wij vaak ook niet zo?

Als het over het vissen ging, waren de discipelen mannen met ervaring, want ze waren allen vissers geweest. Van jongs af aan waren ze daarin opgevoed. Nu gingen ze opnieuw vissen op het meer van Galiléa. Dat was een visrijk water. Daar hadden ze al zoveel vis gevangen. En ze gingen op de beste tijd, want het was nacht. Ze wierpen hun netten uit, een keer, twee keer, telkens weer, maar ze vingen niets, helemaal niets! Ondanks hun ruime ervaring in het vissen. Waarom bleven hun netten leeg? Wel, de Heere wilde hun een les leren: zonder Mij kunt gij niets doen (Joh. 15:5b). Ze waren eigen wegen gegaan, maar daarin kwam de Heere niet mee. Ze vingen niets. Wat worden ook wij hier vermaand om steeds in Zijn wegen te gaan. Duidelijk blijkt ook dat als de Heere ons Zijn zegen in ons werk onthoudt, ons niets kan gedijen. Aan Zijn zegen is het al gelegen!

Inmiddels was de beste vistijd voorbijgegaan, het was al dag geworden. Toen ineens was daar een vreemdeling op de oever. Het was geen vreemdeling, maar ze herkenden Hem niet, het was de Heere Jezus Zelf. En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was (vers 4). Hoort u dat? Zij wisten het niet! Ds. Wilhelmus Schortinghuis heeft een boek geschreven waarin gesproken wordt over de vijf nieten. Eén van de vijf nieten is: 'Ik weet niet'. Wij leven in een tijd waarin er zoveel godsdienstige mensen zijn die menen het wel te weten. Een goede baan gekregen, hoog opgeklommen op de maatschappelijke ladder en dan meent men het te weten, dan meent men het ook godsdienstig te weten. Maar Gods kinderen leren: 'Ik weet het niet'. Die moeten van God geleerd worden. 'Discipel' betekent 'leerling' of 'volgeling'. Telkens maar weer te gevoelen onderwijs nodig te hebben. Dat geeft een afhankelijk leven.

De discipelen wisten het niet. Toch hadden ze Hem leren kennen als de opgestane en opgewekte Levensvorst. Weet u wat dat betekent? Dan hebben ze Hem door het geloof mogen omhelzen, ja, mogen mijnen zoals een Thomas: Mijn Heere en mijn God (Joh. 20:28b). Dan mag de Kerk weten: Hij heeft de straf voor mij gedragen. Hij heeft de schuld voor mij betaald. De levende, opgestane Christus is dan voor Gods Kerk een kwitantie dat alles is voldaan. Gods kinderen mogen dan weten dat ze in Christus voor God rechtvaardig zijn. Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Rom. 4:25), schrijft de apostel Paulus. Vroeger zei men: 'Zulke mensen staan niet voor de zaak, maar die staan erachter'. Toch wisten ze niet dat het Jezus was. Dat leert ons dat een mens ook na ontvangen genade en ook na die zaak beleefd te hebben, steil en diep afhankelijk blijft van het onderwijs van Gods Geest.

Vervolgens lezen we dat Jezus tot hen gaat spreken. Hij gaat Zichzelf aan Zijn discipelen openbaren en ze tevens een les leren. Hij zegt tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? (vers 5). Dat is een liefelijke aanspraak, Hij noemt ze kinderkens. Eens toen Christus van Zijn aanstaande lijden had gesproken, gingen de discipelen twisten wie van hen toch wel de meeste was. Terwijl Christus juist de minste wilde worden, terwijl Hij Zichzelf wilde vernietigen, gingen zij twisten wie van hen de meeste was. Maar toen had de Heere Jezus hun een beschamende les geleerd. Hij had een kindeken genomen en tot hen gezegd: Zo wie dit kindeken ontvangen zal in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij ontvangen zal, die ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft. Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn (Luk. 9:48). Hoe worden we nu een kindeken? In het natuurlijke leven gebeurt dat door de geboorte. Zo moeten wij ook geestelijk wedergeboren worden om een kindeken te worden. Als een mens wederom geboren wordt, dan gaat een mens leven. Dan wordt hij van dood levend gemaakt, dan gaat hij ademen. Dan gaat een mens werkelijk bidden. Het gebed wordt niet voor niets de ademtocht van de ziel genoemd. Dan krijgt hij een afhankelijk leven.

In ons teksthoofdstuk spreekt Christus Zijn discipelen aan met kinderkens als Hij hun een les wil leren, als hij hun een ontdekkende vraag wil stellen. Hij zegt: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Ze behoeven geen hoofdgerecht voor Hem neer te zetten, maar slechts enige toespijs. Wij zouden zeggen broodbeleg, meer niet. Hebt u dat niet voor Mij? Dan moeten ze met hun armoede openbaar komen en moeten ze zeggen: Neen. Hij ontdekt hun aan hun armoede en leert ze verstaan: zonder Mij kunt gij niets doen. Zonder Hem komt er geen visje in het net. Uit en van zichzelf niets te hebben dan zonden en een zondige natuur, dat is ook de les die wij moeten leren bij aan- en voortgang. Uit onszelf geen vrucht meer tot in der eeuwigheid. Al onze gerechtigheden zijn een wegwerpelijk kleed. Hebben we dat al bevindelijk leren verstaan?

Christus gaat Zijn discipelen dan een wonderlijke opdracht geven: En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip. En dat doen ze nog ook. Dat ging geheel tegen hun lange ervaring in het vissen in. Van jongs af aan hadden ze gevist en geleerd dat je het beste kunt vissen tussen wal en schip. Dat was de bakboordkant, de linkerzijde. En nu aan de andere kant, in de diepte, het net uitwerpen? Maar dan schieten de vissen toch weg? Dan vang je er niet één! En toch, die wonderlijke opdracht, ze volgen hem op. Hoe komt dat? Omdat Jezus hier spreekt als de Machthebbende (Matth. 7:29). Dat doet Hij voor de eerste keer in het leven van Zijn volk als Hij ze inwendig komt te roepen door Woord en Geest. Maar niet alleen dan, dat doet Hij telkens weer als Hij tot hen spreekt. Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er (Ps. 33:9). Ook hier bij de discipelen. Hij zegt het en daarom werpen ze het net aan de rechterzijde. En Hij geeft er nog een belofte bij: en gij zult vinden.

Ze hebben het gedaan in gehoorzaamheid aan Hem. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen. Hoort u het? Als Johan-nes dat ziet, dan gaan de ogen van Johannes, de discipel der liefde, open. Wij zeggen wel eens: 'De liefde is blind', doch dat is maar ten dele waar. Ik denk dat u moet zeggen: 'Verliefdheid is blind', want de ware liefde ziet scherp. Johannes, de apostel der liefde, zijn ogen gaan open. Hij zegt dan tegen Petrus: Het is de Heere. In het Grieks staat er eigenlijk: Het is de Kurios! Het is Degene Die het voor het zeggen heeft en kon getuigen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28:18b). Het was de Middelaar, Die waarachtig en eeuwig God en tegelijk ook waarachtig en rechtvaardig mens is. Hem was het bestuur in hemel en aarde in handen gegeven. Dat er geen visje in het net kwam, daar had Hij voor gezorgd. En dat er nu honderddrieënvijftig grote vissen in het net zaten, zoals we lezen in vers 11, daar had Hij ook voor gezorgd. Dit wonderteken heeft de apostel Johannes verstaan. Dat maakte hem er opmerkzaam op dat het de Heere was Die op de oever stond, Hij Die de overwinning over dood en graf had behaald, Hij Die al Zijn volk van onder de heerschappij van satan zou verlossen.

Petrus ging toen direct naar Jezus toe en ook de andere discipelen kwamen met het scheepje, (…) slepende het net met de vissen. Aan land komende zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood (vers 9). Dus van de honderddrieënvijftig vissen die zij gevangen hebben, had de Heere Jezus er niet eentje nodig. God heeft ons niet nodig. Een godsdienstig mens denkt wel dat God hem nodig heeft, en doet net alsof de Heere wel blij mag zijn dat hij nog zo godsdienstig is. Maar Gods kinderen leren verstaan dat God de algenoegzame, de volzalige in Zichzelf is, Die het niet van node heeft om van mensenhanden gediend te worden. De Heere zet hen er eerst helemaal buiten, Hij leert ze eerst van alle eigen werk af te zien, om hen bij vernieuwing vatbaar te maken om uit Hem bediend te worden. Dan zegt Jezus: Brengt van de vissen die gij nu gevangen hebt (vers 10). Vissen die door Zijn wonderlijke zorg en arbeid in het net gevangen waren. Petrus dan trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig (vers 11). Ze hadden alleen maar grote vissen gevangen. Hier ligt geestelijk het beeld in dat alleen maar grote zondaren gevangen worden; zij die door Gods Geest ontdekt zijn aan hun zondestaat en op al hun eigen werken voor God een grote nul hebben leren schrijven. Zij die zich de grootste der zondaren noemen. Maar kleine zondaars, mensen die nog veel eigen gerechtigheden hebben, schieten er doorheen. Zijn wij al de grootste der zondaren geworden bij inleving? En hoewel er zovele waren, zo scheurde het net niet. Gods Kerk kan niet scheuren. Uitwendige kerkverbanden kunnen scheuren, maar Gods Kerk niet; een enige is Mijn duive (Hoogl. 6:9a), zegt Christus. Als Gods kinderen zich bij vernieuwing als grote zondaren leren kennen, dan gaan ze niet boven elkaar staan, maar onder elkaar. Dan wordt het evenals bij die vrouw die de dominee, toen hij van de kansel afkwam, toch even aan zijn preekjas trok en zei: 'Dominee, vanmorgen heeft u wat gezegd, waar ik het niet mee eens ben. U zei met Paulus: Ik ben de grootste der zondaren, maar dat hebt u mis; dat ben ik'. Dat geven Gods kinderen elkaar niet gewonnen. Als dat waar is, dan scheurt het net niet! Dan is de Kerk één van hart en één van geest. Dan gaat er wat van de Kerk uit!

Het net scheurde niet. Dat wijst er ook op dat de Heere al Zijn uitverkorenen verlossen zal uit satans heerschappij; hen redden zal uit alle nood en dood. Daar zal geen klauw achterblijven. Zijn beloften feilen niet, zoals ook Psalm 111 vers 5 tot troost van Zijn volk ons leert en daarmee willen we dan eindigen:

't Is trouw, al wat Hij ooit beval;
Het staat op recht en waarheid pal,
Als op onwrikb're steunpilaren;
Hij is het Die verlossing zond
Aan al Zijn volk; Hij zal 't verbond
Met hen in eeuwigheid bewaren.

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2011

In het spoor | 56 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2011

In het spoor | 56 Pagina's

PDF Bekijken