Bekijk het origineel

Naast Birmalijn lag spoor van kruizen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Naast Birmalijn lag spoor van kruizen

"Wie niet meer verder kon werd achtergelaten in het oerwoud"

14 minuten leestijd

Zaterdag 24 juni werd door prins Bemhard op het terrein van het Koninklijk Tehuis voor OudMilitairen "Bronbeek" te Arnhem een gedenkteken ter gedachtenis van de slachtoffers van de Birma-Siamspoorweg onthuld. Meer dan tweeduizend oud-Birmagangers en nabestaanden woonden de plechtigheid bij. Van de 17.399 Nederlanders die aan de 415 kilometer lange dodenlijn werkten keerden er 3098 niet terug. Het monument in de tuin van Bronbeek herinnert bezoekers aan het drama dat zich afspeelde in de jungle van Birma en Siam, het hedendaagse Thailand. Twee Birmagangers doen verslag van hun "overleving". <br />

De oprichting van een gedenkteken voor de slachtoffers van de Birmaspoorweg is een initiatief van het comité Birmaspoorweg, dat vorig jaar werd geboren. Stuwende kracht achter het comité is de 74-iarige oprichter en secretaris B. Dros. Vanuit zijn verbouwde boerderij aan de rand van het Leersumse bos ijvert hij voor de doelen die hij zich gesteld heeft: het organiseren van een jaariijkse reünie voor oud-Birmagangers en het laten leggen van kransen op de erebegraafplaatsen in Birma, Thailand en Jakarta op elke vijftiende augustus, de dag van de Japanse capitulatie. Zijn voomaamste doelstelling werd de 24e juni gerealiseerd, toen door prins Bernhard in Arnhem een monument voor de slachtoffers van de Birma-Siamspoorweg werd onthuld.

Litteken
Een litteken aan zijn linkerscheenbeen is voor Dros een zeer persoonlijke herinnering aan de gruwelen van Birma, in 1939 werd hij door de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij uitgezonden naar Batavia. In 1941 verliet hij de scheepvaart en werd planter op een rubber- en koffieplantage. In '42 kwam een abrupt einde aan zijn loopbaan in Indië. De Gordel van Smaragd werd onder de voet gelopen door de Jappen. Na de capitulatie van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger werd Dros met andere Nederlanders opgesloten in kampementen in Tjimahi bij Bandoeng. Zijn vrouw verdween met hun twee jaar oude dochtertje achter het prikkeldraad van een vrouwenkamp. Landbouwkundig ingenieur Ivo Bouwman onderging hetzelfde lot als Dros. In 1936 was hij op de bonnefooi naar Indië gegaan, omdat hij in Nederland geen werk kon vinden. Op een Sumatraanse rubberplantage kon hij als planter aan de slag. Direct na zijn aanstelling liet hij zijn verloofde overkomen en trad in Medan in het huwelijk.

Vetlapdoosje
Toen de ooriog in Indië uitbrak was de ingenieur werkzaam op een proefstation op Java. Zoals bijna alle mannelijke Nederianders werd hij ingedeeld bij het KNIL. Van vechten kwam niet veel. Het Nederlands-Indische leger had geen schijn van kans tegen de Japanse overmacht. Na de capitulatie zat hij in verschillende interneringskampen in Tjimahi gevangen. „In een van die kampen heb ik Wim Kan ontmoet. Die verzorgde voor ons nog wel 's een optreden. Daar kreeg ik ook te horen dat ik vader van een zoon was geworden." In een aluminium vetlapdoosje graveerde de ingenieur belangrijke data. ,,Dat deden er meer. Sommigen maakten er complete kunstwerken van. Van 8 maart tot 13 oktober '42 heb ik in Tjimahi gezeten. Op een gegeven moment kregen we bericht: alles inpakken. In een geblindeerde trein werden we afgevoerd naar Batavia. Daar hebben we vijf dagen gezeten. Toen zijn we via Tandjong Priok naar Singapore verscheept en in het enorme kamp Changi opgesloten. Afgezien van het eten hebben we het daar niet slecht gehad."

Transport
De tiende januari '43 kregen de Nederlandse krijgsgevangenen te horen dat ze zich gereed moesten maken voor transport. Als vee werden vijfhonderd van hen in de verroeste vrachtschuit Nitimei Maru gepropt. De herinnering eraan is voor Dros in de achterliggende decennia nauwelijks vervaagd. ,,Er was zo weinig ruimte dat je alleen met opgetrokken knieën in de scheepsruimen kon zitten. Bij toerbeurt mocht je een poosje naar het dek. In het voorschip zaten vijfhonderd Japanners." Een bombardement door een Amerikaans luchtmachteskader bracht het schip honderd kilometer uit de kust van Birma tot zinken. De projectielen troffen het midden- en voorschip, zodat de meeste doden onder de Japanners vielen. Van de Nederlanders wisten er 450 het vege lijf te redden door zich vast te klemmen aan wrakstukken. Bouwman verliet als een van de laatsten het zinkende schip., ,Het is een heel merkwaardige ervaring als je met je bril op en je schoenen om je nek geknoopt in zee stapt. Dat is iets watje normaal in een bioscoop ziet. Het enige wat ik dacht was: dit kan toch het einde niet zijn. Die Japanners lagen met elkaar in het water te zingen, met de helm nog op en het geweer om de nek. De Jap beschikte over een uitgebreid repertoire dat hij kon zingen als hij voor de keizer mocht sterven."

Lotgenoten
Uren later werden de drenkelingen opgepikt door de aan het bombardement \> ontkomen vrachtboot Moji Maru, die was volgeladen met Australiërs en Amerikanen. „Maar dat was geen punt", constateert Dros. ,, In zo' n geval kan alles. Je was allemaal lotgenoten." ,, U moet zich dat eens proberen voor te stellen'', raadt Bouwman aan.,,Je zit met een paar duizend mensen op een vreselijk oud kreng van een vrachtschip. Overal scherven, want ook dat schip was geraakt. Van een bekende hoorde ik dat m' n vriend Leo zwaargewond op het voorschip lag. Het is ons gelukt bij hem te komen. ,, Leo'', zegt die kameraad van me,,, hier is Ivo." Leo kijkt me aan, hij zegt: ,,Ivo, benje daar?" en hij sterft. Die zoete, weeë lucht van zwaargewonde en dode mensen, die raak ik nooit meer kwijt." Vanuit een gevangenis in de Birmaanse havenplaats Moulmein werden de krijgsgevangenen naar Thanbuazayat vervoerd. Daar werden ze verdeeld in "kumi's", groepen van een vijftig man, en de jungle in gestuurd. Voorgangers hadden langs de rivier Kwai al een strook oerwoud ontdaan van bomen. De Nederlanders werden ingedeeld bij de taludbouwers. Elke gevangene moest dagelijks één tot twee kuub grond verplaatsen met behulp van twee bamboes waaraan een zak was bevestigd. Na de taludbouwers volgden de kumi's die de dwarsliggers plaatsten. De spijkerploeg legde de rails.,, Begrip van tijd had je niet'', zegt Dros.,, Er werd zeven dagen per week doorgewerkt."

"Aanzienlijke personen"
Aan het hoofd van elke kumi stond een krijgsgevangen officier, die verantwoording schuldig was aan een Japanse commandant. ,,Een heel moeilijke positie'', erkent Bouwman. ,, Er waren er bij die zich bijzonder flink hebben gedragen, maarzij waren in de minderheid. In Birma ben ik alle gevoel voor autoriteit kwijtgeraakt. Ik heb gezien hoe mensen van wie je beter zou verwachten zich in dergelijke omstandigheden gedragen. "Aanzienlijke personen", zoals Wim Kan zo mooi kon zeggen. Vooraanstaande lieden die je terug zag vallen tot de primitieve staat van ik, ik en nog eens ik. Gelukkig waren er uitzonderingen. Overste Platte bij voorbeeld, een Zeeuw. Die man is bijna een legende geworden. In een periode dat er erg veel zieken waren wilde de Japanse commandant vijftig man uit de ziekenbarak hebben voor het werk aan de spoorweg. Een collega van Platte had gezegd: komt in orde. Maar Platte zei: komt niets van in. Hij heeft 24 uur bij de kampwacht in de houding moeten staan. Geef je ze nu wel?, vroeg de Jappencommandant de volgende dag. Nee, zei Platte. En als u die zieken zonder mijn toestemming laat werken en iemand van hen overlijdt binnen veertien dagen, dan klaag ik u na de oorlog aan en zal niet rusten voor u bent opgeknoopt. Hij werd weggestuurd en de volgende dag werd een bus met 1500 kininepillen bezorgd. De Japanse sergeant van de wacht zei hem: ,, You very good soldier.'' Dat is de Jap."

Moderne tijd
In nog geen anderhalfjaar tijd werd zes miljoen kubieke meter grond verplaatst, drie miljoen kubieke meter steenslag voor het spoorvlak aangebracht en 415 kilometer rails gemonteerd met miljoenen ijzeren bouten. Kosten: ruwweg 200.000 mensenlevens. Maar die hadden voor de Japanners geen waarde. ,, Het was net als bij de bouw van de piramiden'', zegt Dros.,, Daar werd ook niet gekeken op duizend doden meer of minder. Hoe dit in deze modeme tijd kon plaatsvinden is onbegrijpelijk he." De krijgsgevangenen kregen een derde van het rantsoen dat een landarbeider nodig heeft. Zieken ontvingen nog minder. ,, Vlees was er alleen wanneer een dier was buitgemaakt. Dat werd direct soldaat gemaakt. Ik heb wel slang gegeten. Dat smaakt heerlijk. Lijkt een beetje op paling. Ratten aten we ook wel. Als er maar vlees aan zat. Wat ook heel hinderlijk was, elke dag moest je 's ochtends en 's avonds op appèl komen. En tellen kon de Jap nauwelijks. Uren stond je in het gelid. Altijd weer dachten ze dat er mensen weg waren. Dan werden ze razend en sloegen er in het wilde weg op los. De Koreanen onder de bewakers waren zo mogelijk nog grotere sadisten."

Ziekten
Vanuit zowel Thailand als Birma werd gewerkt aan de lijn. Op 17 oktober '43 ontmoetten beide groepen elkaar, niet ver van de Drie Pagodenpas op de grens tussen beide landen. De voltooiing van de spoorlijn betekende niet het einde van de slavenarbeid. Het oprukkende oerwoud en Amerikaanse en Britse bombardementen vereisten continu onderhoud en herstel van de lijn en de spoorbruggen. Ondervoeding en uitputting eisten hun tol. De meeste krijgsgevangenen overleden aan tropenziekten als malaria, dysenterie, tyfus, beri-beri en cholera. Medicijnen werden nauwelijks verstrekt. Na de ooriog bleek dat veel medicamenten van het Rode Kruis achtergehouden waren door Japanse artsen. ,, Ook de marsen van het ene kamp naar het andere hebben enorm veel mensenlevens gekost", weet Dros.,, Wie niet meer verder kon werd achtergelaten in het oerwoud. En als in een kamp cholera uitbrak trokken de Jappen gewoon weg en lieten het hele kamp aan z'n lot over. Die mensen kregen ook geen eten. Daar moesten ze zelf maar voorzorgen. Van die kampen is niemand meer over."

Slagroomtaart
Een spoor van ruwhouten kruizen langs de baan illustreerde de kosten van de Birmaspoorweg. De predikanten en pastoors onder de krijgsgevangenen stonden dagelijks aan primitieve graven. Na de oorlog werden de doden herbegraven op drie erebegraafplaatsen. Bouwman is van mening dat de psychische weerbaarheid in hoge mate de overlevingskansen bepaalde. „Toen ziekten begonnen uit te breken gingen mensen denken: hoe overleef ik de ellende? Anderen vroegen zich af: zal ik dit wel overleven? Die twijfelden al. Er waren er ook die zeiden: ik zie het niet meer zitten. Die waren binnen de kortste tijd overleden. Was je getrouwd, zoals ik, dan schermde je je min of meer af voor de vraag: hoe zou het met m'n vrouw en m'n kinderen zijn? Want als je daarmee opstond en naar bed ging, dan ging je ook dood." De verschillen in achtergrond en intelligentie werden door de gemeenschappelijke ellende voor een groot deel uitgewist. De interesse van allen was gericht op de vervulling van de primaire levensbehoeften. ,,We hadden er een vent bij die de mooiste verhalen kon vertellen over hoe je allerlei taarten kon maken. Een slagroomtaart met een rand van chocolade en vruchten erop bij voorbeeld. En de Indische jongens hadden hele verhalen over loempia's. Wat erin zat en hoe ze gebakken werden. Er werd enorm veel over eten gepraat.''

Maden
Geregeld werd de ingenieur geveld door malaria. Na de twintigste aanval hield hij op met tellen. In '44 stortte hij volledig in. Met een ziekentransport werd hij afgevoerd naar een ziekenkamp in het Thaise Tamarkan. Ook Dros raakte arbeidsongeschikt. Bij het hakken van stenen liep hij een wond aan zijn scheenbeen op. Het door lijkenvocht vergiftigde water in de jungle veranderde de verwonding in korte tijd in een etterend abces. ,,Elk kamp had barakken die vol lagen met mensen die waren aangetast door tropenzweren. Van hen hebben maar twee van de tien de hel van Birma overleefd. De maden kwamen in die wonden. Die aten eerst al het zwerende vlees weg, maar het was ondoenlijk om ze daarna te laten stoppen. Ik verzorgde die beenwond met repen van m'n hemd. Op een gegeven moment kreeg ik van m'n slapie wat jodoform. Dat had hij van een Jap gekregen in ruil voorz'n horloge. Hij had zijn wond ermee genezen en ik kreeg de rest. Dat heeft m'n leven gered. Eerst heeft de dokter alles wat geel was met een houtsnijmesje weggesneden. Toen hebben we jodoform erop gedaan. Drie dagen later ging het verband eraf en zagen we gezond roze vlees."

Eigenwijs
Het percentage Nederlandse krijgsgevangenen dat in de jungle van Birma en Thailand de dood vond bleef beperkt tot achttien procent, tegen 23 procent bij de Amerikanen, 29 procent bij de Engelsen en 31 procent bij de Australiërs. Dros verklaart dit uit het feit dat de Nederlandse artsen tropenervaring hadden. Hun kennis van geneeskrachtige kruiden was van levensbelang. De Engelstaligen weigerden dat te erkennen. ,, Angelsaksen voelen zich verre superieur boven Nederianders", verklaart Bouwman. ,,Katjang idjoe bij voorbeeld is een heel goed middel tegen beri-beri, maar ze aten het niet. Het gebeurde wel dat wij rijst ruilden tegen kaflang idjoe. Dat vonden die Engelsen prachtig. Ze maakten van rijst een soort deeg en bakten daar smakelijk uitziende kadetjes van. Dat oogde natuudijk veel beter dan een bord rijst met katjang idjoe. Door hun eigenwijsheid hebben ze meer mensen verloren dan strikt noodzakelijk was." Onder Australiërs met tropenzweren aan de benen won eigenbelang het van nationale trots.,,Hun eigen artsen zetten veel sneller een been af", licht Bouwman toe. ,,Dat gebeurde dan met een ordinaire vleeszaag. Verdoving was er nauwelijks. Zo'n vent moest door vier kerels vastgehouden worden. De Nederlandse artsen lepelden die tropenzweren uit. Ook dat deed onbeschrijfelijk pijn, maar zo zijn toch de meeste benen gered. Toen die Australiërs dat zagen vertikten ze het natuuriijk om zich een been te laten afzagen door hun eigen artsen."

Trots
Op 15 augustus 1945 kwam totaal onverwacht een einde aan de dwangarbeid in de jungle door de Japanse capitulatie na het Amerikaanse atoombombardement op Hirosjima en Nagasaki.,,Atoombommen die ons leven hebben gered", stelt Dros vast. ,,Ze zijn precies op tijd gegooid. De Jappen hadden op de hoeken van onze kampen al machinegeweren gereed staan waarmee we neergeschoten moesten worden. De dag na de capitula-O tie kwamen ze vragen of ze onze schoenen mochten poetsen. Zo was de Jap ook." De afvoer van de Nederlandse Birmagangers kwam uiterst traag op gang. Tegen alle voorschriften in nam Dros zelf het initiatief en reisde in een inlandse trein naar Bangkok. Via een oom van zijn vrouw, die een hoge post in het Nederiands-Indische leger bekleedde, lukte het hem in februari '46 terug te keren naar Java. ,,M'n dochtertje was inmiddels vijf jaar. Ze was reuze trots dat ze een vader had."

Losgeslagen mensen
Bouwman was er ten tijde van de Japanse capitulatie redelijk aan toe. ,,Ik had een reuze mooie job gekregen. Onder toezicht van Japanners moest ik alcohol en gistdrank voor het hospitaal maken. Later bleek dat van de ploeg waarmee ik begonnen ben meer dan de helft was omgekomen. Ik heb echt geboft." Al vrij snel na de capitulatie ontving de ingenieur bericht dat zijn vrouw en kinderen de kamptijd in het Javaanse Ambarawa hadden overleefd. Na een aanval op het kamp door republikeinse revolutionairen werden de kampbewoonsters en hun kinderen per schip en trein naar Bangkok geëvacueerd. In een van deze treinen zag Bouwman de dag voor Kerst zijn vrouw terug. ,,Ikhadme opgegeven als begeleider. Ineens zag ik m' n vrouw zitten. Toen zag ik ook voor het eerst m'n zoontje. Drie en een halfjaar waren we van elkaar gescheiden geweest. Maar de hemel zij geloofd, het was alsof we weer opnieuw begonnen." De oud-Birmaganger beseft dat dat niet vanzelfsprekend was. ,,Er hebben zich heel veel drama's afgespeeld. Vrouwen die van hun mannen vervreemd waren. Mannen die losgeslagen waren en in Bangkok het ene bordeel na het andere binnen liepen. Het is iets heel vreselijks als mensen zijn losgeslagen."

Geen Japanse auto
Ook het huwelijk van Dros doorstond de aanslag die erop gepleegd was door de vierjarige scheiding. ,,Datis niet iets watje zelf in de hand had. De vrouwen waren in de kampen ontzettend zelfstandig geworden. Hadden jarenlang zelf alle beslissingen moeten nemen. Zij lieten zich niet meer gezeggen. Dat was voor veel mannen een schok." Beide oud-Birmawerkers keerden al in '46 terug naar Nederland. Een oorlogssyndroom is hen bespaard gebleven. Maar bij Dros is de haat tegen de Jap nog niet uitgedoofd.,,Drie jaar lang hebben ze ons dag in, dag uit naar het leven gestaan. Het lijkt misschien kleinzielig, maar wij denken er nog steeds niet aan om een Japanse auto te nemen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 2 augustus 1989

Terdege | 64 Pagina's

Naast Birmalijn lag spoor van kruizen

Bekijk de hele uitgave van woensdag 2 augustus 1989

Terdege | 64 Pagina's

PDF Bekijken