Bekijk het origineel

Eeneiïge tweelingen hebben niet hetzelfde karakter

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Eeneiïge tweelingen hebben niet hetzelfde karakter

„We weten zelf soms niet wie wie is op foto's"

15 minuten leestijd

Tweelingen hebben een bepaalde aantrekkingskracht die een 'gewoon' mensenkind mist. Moeders met een extra brede kinderwagen kunnen rekenen op minstens een blik onder de kap, vaak ook een opmerking. Maar altijd verwisseld worden met de ander, ook in je eentje als "tweeling" worden aangeduid, door onbekenden gegroet worden: tweeling-zijn is niet alleen maar leuk. Wel is er een unieke band met elkaar, al lijkt die bij vrouwen sterker dan bij mannen.

Ze woonden op een woonark met zowaar een slaapkamertje. Voor een normale linnenkast was daar geen plaats en daarom had de heer der ark zelf iets in die richting gefabriceerd. Toen zich echter een baby aandiende moest de kast worden gehalveerd om plaats te maken voor een wieg. Zorgvuldig werkte de aanstaande vader de halve kast bij. Toen er een dochtertje was geboren, merkte de kersverse vader verbaasd op: „D'r komt nóg een voetje!" Enige tijd later was de geboorte van de eeneiïge tweeling Groenenberg een feit, 4 april 1969.

Ze kunnen er in Oud-Beijerland nog steeds om lachen. Moeder legt uit: „Het was mijn eerste kind, wat weet je er dan van! Wel vond ik dat er nog zo'n vreemd bultje zat toen Marjon was geboren, maar je denkt dat dat zo hoort."

De tweeling Lagendijk, nu woonachtig in Dordrecht en in Papendrecht, werd evenmin verwacht. „Eind 1958 was de medische stand zo ver ontwikkeld, dat men niet wist dat er een tweeling kwam", deelt Arjo, de oudste, mee. Arjo en Martin (eeneiïg) werden samen in een ledikantje gelegd met de voeten naar elkaar toe. „Het kan best zijn dat we in het ziekenhuis na een verschoning eens verwisseld zijn." „Dus misschien ben ik de oudste", vult Martin aan.

Elk in een hoek
Moeder Groenenberg ontdekte: „Je krijgt van een tweeling veel meer kraambezoek dan anders. Mensen die normaal niet zouden komen willen toch wel even de tweeling zien." „Het waren zulke slechte eters", vervolgt ze met een zucht. „Ik zat eerst met de ene een uur en dan met de andere. Wie het hardst brulde ging voor. Later zette ik ze elk in een hoek van de bank en ging ik in het midden zitten, met in elke hand een flesje. En ze waren zo ondeugend!

We waren verhuisd naar een flat en als ik even beneden was bij de deur deden ze van alles. Ze zaten in een tweelingbox (1 m bij 1 m). Als de een zich bukte en de ander stapte per ongeluk op haar, was die algauw over de rand van de box geklommen. Er was er altijd wel eentje uit. En wat de een niet wist bedacht de ander wel.

's Zomers zaten ze op het balkon te spelen. Buurkinderen kregen die twee zelfde hoofdjes in de gaten, vonden dat leuk en riepen: laat maar vallen dat speelgoed. Eén kind alleen zou niet opvallen. Haalden ze in een winkel iets ondeugends uit, dan moest het winkelpersoneel erom lachen. Op één kind zouden ze boos worden, maar die twee hoofdjes met krullen, dat was zo leuk."

„Ze zijn erg verwend", bromt pa. „We waren ook nog eens van beide kanten de eerste kleinkinderen", vult Wilma grinnikend aan. Pa: „Ze kregen veel te veel aandacht. Wat je met z'n tweeën doet is opeens leuk; van eentje alleen wordt veel gauwer gezegd: Niet doen!"

Karakter
De ouders zijn niet van mening dat de meisjes hetzelfde karakter hebben. „Het zijn toch twee verschillende wezentjes. Marjon is de oudste, maar duwt Wilma altijd voorop. Marjon uit zich veel meer en is zó in tranen, Wilma kropt alles op. Dat eeneiïge zit voornamelijk in het uiterlijk. Maar ze waren wel altijd één front tegen mij!", verklaart mevrouw Groenenberg. „We hadden altijd ruzie en we konden nooit zonder elkaar", constateren de dames in kwestie.

Met de ruzie valt het tegenwoordig wel mee; Wilma is getrouwd en woont in een andere plaats. Maar nog steeds kunnen ze niet zonder elkaar: „We bellen elkaar elke dag." Nee, Wilma's man wordt niet jaloers. Toch komt jaloezie wel voor bij echtgenoten van wie de wederhelft tevens tweelinghelft is, weet mevrouw H. Kreuze-Salentijn, secretaresse van de Nederlandse Vereniging voor Tweelingen: „Waarom bel je zo vaak met haar, waarom ga je zo vaak naar hem toe?" Volgens haar zijn tweelingen „in wezen, in aanleg hetzelfde." Wetenschappelijk onderzoek hiernaar is nooit verricht.

Zonder reden
Qua karakter zijn Arjo en Martin verschillend, menen de vrouwen van de tweeling, Gea en Clasien. Maar waarin dat verschil nu bestaat kunnen ze niet goed zeggen. „Arjo is wat spraakzamer", vindt Clasien van haar zwager. „Ja maar als je ziet welk werk Martin doet", werpt Gea tegen, „dat zie ik Arjo nog niet doen!" Martin is ambtenaar van de burgerlijke stand en voltrekt als zodanig wel eens huwelijken. Daarnaast geeft hij les op de bestuursschool voor ambtenaren. Zijn tweelingbroer is vertegenwoordiger in rijwielonderdelen.

De mannen weten niet of ze een meer-dan-normale band met hun tweelingbroer hebben: ze hebben verder geen broers of zussen. Ze bellen beslist niet elke dag, maar Clasien vertelt wel: „Als ze elkaar een poos niet gesproken hebben, zegt Martin vaak: „Ik moet Arjo weer 'ns spreken", en zonder dat er dan een bepaalde reden is." Ze komen veel bij elkaar thuis, maar dat is logisch als je in de buurt woont en elkaars enige broer bent.

Koerier
Jan van Andel, Wilma's echtgenoot, heeft bewust zijn oog op Wilma laten vallen en niet op Marjon. Hij kende de meisjes allebei: als twaalfjarigen waren ze vriendinnetje met zijn zusje. Hoe hij Wilma deelgenoot moest laten worden van zijn gevoelens wist de 15-jarige Jan niet. Ten slotte nam hij een beproefde methode te baat: hij liet een buurjochie van de meisjes een briefje aan Wilma geven. Het valt de jeugdige koerier niet kwalijk te namen dat hij het belangrijke document aan Marjon overdroeg. Die er eerst even mee in het toilet verdween, voor ze het aan haar zus overhandigde.

Clasien: „Ik heb Martin leren kennen doordat ik Arjo kende. Die werkte in een winkel tegenover ons. Toen kwam ik op het gemeentehuis om mijn rijbewijs aan te vragen en daar zag ik Martin. Ik dacht van Arjo en zeg: Hoi! Hij heel verbaasd: Ik ken jou niet. Jawel, je werkt toch tegenover ons, zei ik. Een poosje later kreeg ik een brief van Martin." Gea kent de tweeling haast van kindsbeen aan. „Ze zaten voor ons in de kerk, op school zag je ze..."

Waardoor viel haar oog op Arjo? „Ja, dat is zo... ik weet niet... ja, ik voelde gewoon: hij is het! Van hem kreeg ik ook weerwoord." De kinderen van Arjo en Gea hadden aanvankelijk wat moeite met het benoemen van oom Martin. Toen ze een keer met de familie aan tafel zaten en een van de kinderen (in de peuterleeftijd) werd gevraagd wie wie was, kwam al vlot het antwoord: „Dat is pappa..., oma..., mamma..., pappa..."

Wie is wie
Beide tweelingen droegen dezelfde kleren. „Als de ene baby gespuugd had moest ik ze allebei omkleden, want in mijn ogen moesten ze hetzelfde aan", zucht mevrouw Groenenberg. De klasgenootjes ontdekten algauw een manier om de meisjes uit elkaar te houden: Marjon had een klein wijnvlekje naast haar ene oog. De zusjes kregen dat in de gaten en prompt tekende Wilma een rood stipje naast haar oog. Of beiden plakten een pleister over het bewuste plekje.

Later was dat niet meer nodig, want Wilma kreeg ook een wijnvlekje op die plaats. Inmiddels is bij beiden het vlekje spontaan verdwenen. Gelukkig is het niet zo erg dat ze elkaar niet uit elkaar hielden. Dat gebeurde bij een vierjarig jongetje dat pardoes tegen een spiegel liep in de mening dat zijn tweelingbroertje eraan kwam. Arjo overkwam het omgekeerde. In een winkel meende hij zijn spiegelbeeld te zien staan toen bleek dat het zijn broer was. De moeder van Martin en Arjo liet soms in een winkel de koop niet doorgaan als er van het gewenste kledingstuk niet een tweede te vinden was...

Foto's
Vader en moeder Groenenberg hadden geen problemen met het uit elkaar houden van de kinderen. „Maar als we nu foto's van vroeger zien, weten we soms niet meer wie wie is", onthult pa. „Vooral als er maar één op staat. Terwijl we het vroeger gek vonden dat mensen ze niet uit elkaar hielden."

De schoolfotograaf die bij de gebroeders Lagendijk („Zo werden we vaak genoemd; de meester was natuurlijk bang de plank mis te slaan") op school kwam had aanvankelijk niet in de gaten dat hij twee dezelfde jongens op de foto zette. „We waren een poosje na elkaar aan de beurt. Maar toen die man later de foto's zou gaan afdrukken, zag hij dat hij één jongetje twee keer had genomen. Dus de beste opnamen zocht hij eruit en de rest verscheurde hij.

De meester kwam naar ons toe met maar één envelop voor Lagendijk. „Jullie moeten zelf maar uitzoeken wie wie is", zei hij. Nou, we wisten het zelf niet, dus hebben we het maar aan ma gevraagd." Enige tijd geleden kwamen de broers erachter dat ze elkaars fotoalbum van baby- en kindertijd in bezit hadden.

Twee linkerschoenen
Op een keer kwam Marjon Groenenberg thuis van gym op school, zonder rok, alleen in maillot en trui. Ze hield tegen moeder vol dat ze geen rok had aangehad. Even later arriveerde haar zusje in exact hetzelfde kostuum. Ook zij beweerde geen rok te hebben gedragen die dag. Voor Marjon en Wilma leverde de kleding wel eens nadelen op; bij de opening van een winkel kregen alle kinderen gratis een ijsje.

Marjon was al geweest en tegen Wilma, verderop in de rij, werd gezegd dat ze al gekregen had. En toen Marjon ergens ging logeren bleek ze voor 's zondags twee linkerschoenen bij zich te hebben („ik weet 't nog goed, die donkerblauwe flatjes!"), terwijl Wilma thuis met twee bijpassende rechterschoenen zat.

Eindelijk brak de tijd aan waarop de meiden zelf kleding mochten kopen. „Ze zijn toen elk afzonderlijk de stad ingegaan, maar kwamen met dezelfde jas thuis! En in verschillende winkels gekocht! Er was ietsje verschil." Wilma: „Nu hebben we wel een verschillende smaak, ik kies voor wat sportiever, Marjon houdt meer van college, netjes."

De Lagendijks zijn zelfs "in hun trouwen" nog wel eens met bijna dezelfde kledingstukken thuisgekomen. Ze hebben dan ook allebei een klassieke smaak. En lusten geen van tweeën spruitjes en knolletjes. Dat Arjo later op de avond vraagt wat Martin wil drinken is eigenlijk een overbodige beleefdheidsvraag; maar ja, stel dat-ie een keer geen lemon belieft.

„Ga naar je les"
De Groenenbergs zaten altijd bij elkaar in de klas, tot Wilma in mavo twee bleef zitten. Toen was de tijd aangebroken om naar elkaars lessen te gaan. „Wilma zou voor mij naar geschiedenis gaan en ik voor haar naar Frans. Blijkt geschiedenis te vervallen; had Wilma mooi een tussenuur en kon ik voor haar een onverwachte overhoring Frans maken!"

Arjo en Martin hadden op de mavo een verschillend vakkenpakket en zagen het niet zitten om elkaars les te volgen, hoewel de leraren ze soms aanmaanden binnen te komen. Tot ze ontdekten dat er al een van de twee in het lokaal zat.

Nu Wilma getrouwd is hebben de zussen een verschillend kapsel, zodat ze uit elkaar te houden zijn. Op Wilma's trouwdag was dat nog niet het geval; ze leken nog als twee druppels water op elkaar. Zelf stonden de meisjes daar natuurlijk niet altijd bij stil. Toen Wilma met de bruidegom op pad was om foto's te laten maken en Marjon de deur opende voor de gasten, voelde de laatste zich dan ook enigszins onbehaaglijk toen een schoonzusje van de bruid tegen haar zei: „Heb je je nu nóg niet omgekleed?" Wat ongerust vroeg Marjon zich af of ze er dan niet netjes uitzag.

Groeten
Arjo en Martin zijn momenteel uit elkaar te houden doordat Arjo sinds kort een ander brilmontuur heeft. Maar als (vage) kennis van de tweeling let je daar niet zo op, zodat de buitenwacht hen nog steeds verwisselt. De kinderen van Arjo en Gea voelen inmiddels haarfijn aan wie pappa is en wie oom.

Arjo: „Pas lag Lydia (3 jaar) 's avonds te huilen. Ik zeg tegen Martin: Zet jij mijn bril even op en geef haar maar een beertje, meestal huilt ze daarom. En zeg niks, anders hoort ze het aan je stem. Hij naar boven, geen licht aan, niks zeggen; maar ze lag toch te kijken, te kijken! Ze had het wel door!"

Gedag zeggen voor elkaar blijft een probleem, vinden de heren. Martin: „Ze denken dat je niet wilt groeten, maar ik ken die mensen niet. Ik heb trouwens een keer gedaan of ik Arjo was. Ik stond ergens bij een winkel en er kwam een collegaatje aan met haar moeder. Ik keek strak voor me uit. Toen ze dichtbij was zei zij: Hoi!, maar ik zei niets terug en keek wat verbaasd. Toen zei ze tegen haar moeder: O, het is de verkeerde!"

Ook Marjon en Wilma worden als ze alleen zijn vaak gegroet door mensen die ze niet kennen, (ex-) collega's van hun zus bij voorbeeld. „Eerst reageerden we wat vreemd, maar je went eraan, tegenwoordig groeten we maar gewoon terug, en je zegt erbij: maar ik ben Wilma niet hoor."

„Ik trap er niet in"
De gebroeders Lagendijk houden hun verjaardag om en om bij de een of de ander thuis. De familie van hun vrouwen komt dan ook. En die vergist zich elke keer. Arjo over een tante: „Ik deed de deur open en werd gefeliciteerd. Toen liep ze de kamer in en gaf de rest een hand. Ik stond inmiddels ook weer in de kamer en ze had mijn hand al te pakken toen ze ineens zei: O nee... ik heb jou al gehad."

Martin: „Of ze slaan mij over, zo van: Nee, ik trap er niet in, jou heb ik al gehad! Dan wordt Arjo dubbel gefeliciteerd." Is het niet raar als velen niet goed weten wie je bent of je altijd maar de naam van je broer geven? Martin en Arjo hebben er geen moeite mee, maar Gea weet van een tweeling van wie de ene helft echt in de problemen raakte doordat iedereen haar voor haar zus aanzag en nooit andersom.

Geheim
Marjon: „We waren natuurlijk altijd samen jarig; toen Wilma getrouwd was vond ik het bijna eng om alleen jarig te zijn!" Op de verjaardagen gaf de tweeling elkaar nooit een cadeautje. Wilma: „Toen we dertien werden dacht ik: weet je wat, ik ga Marjon ook wat geven. Heel stiekem, niemand wist 't, ik voelde me echt zo van: ik heb nu ook wat voor haar."

Marjon: „En ik had toen voor het eerst, in het geheim, wat voor Wilma gekocht!" Voor de verjaardag van hun opa kwamen de dames met hetzelfde cadeau aan, een mandje dat was opgemaakt met boodschappen. „Terwijl we het nog nooit over zo'n cadeautje hadden gehad!" Arjo en Martin kozen voor eikaars verjaardag hetzelfde van de verlanglijst van de ander: postzegels. Beiden verzamelen die.

Met wie?
Marjon nam van de havo wel eens vriendinnen mee naar huis. „Die vonden het hartstikke eng dat ze opeens nog precies zo'n meisje zagen. Ik vond dat wat overdreven, maar toen ik later een tweeling zag van wie ik er maar één kende, vond ik het ook raar." De mevrouw van de winkel waar Arjo en Martin beiden wel eens met hun vrouw komen snapte er aanvankelijk niets van. Dan had-ie een blond vrouwtje bij zich, dan een donkere...

Toen moeder Lagendijk de winkel een keer bezocht, nam de eigenares haar apart; ze moest haar toch eens even wat vragen: Met wie was haar zoon nou eigenlijk getrouwd? De kapper keek ook vreemd op toen een week na Arjo Martin de zaak binnenstapte. Moest die man nu alweer geknipt worden?

Band
Onlangs zei een van een tweeling dat ze niet wist of ze meer van haar man of meer van haar tweelingzus hield. Hoe is dat bij de Groenenbergs? Wilma: „Met m'n man heb ik een heel andere band dan met Marjon. Toen ik in verwachting was heb ik het eerst aan Marjon verteld en een maand later pas aan mijn moeder."

Marjon: „Ik bel elke dag wel effies en Wilma ook." Wilma: „We hebben weinig vriendinnen gehad; je had altijd iemand om mee te spelen en je kent mekaar door en door." Hebben ze doordat ze zo veel met elkaar omgaan minder band met hun moeder? Dat kan de tweeling niet bepalen. „Misschien, ik weet het niet. Intieme zaken bepraat je wel meer met elkaar."

Niet krampachtig
In Oud-Beijerland, waar Marjon momenteel woont en Wilma voor haar trouwen enige jaren heeft gewoond, weten velen niet dat de meisjes tweeling zijn. Op het dorp waar ze als tiener woonden, kende ieder „de tweeling van de dominee".

Marjon: „Iedereen noemt je tweeling, of je nu alleen bent of samen. Pas was ik ergens met mijn vriend en toen riep iemand die mij kende: Hee, de tweeling!" Vader en moeder hebben hun dochters nooit zo aangeduid. Zij spraken en spreken altijd over Marjon en Wilma. De band die ze hebben proberen de beide tweelingen niet 'kunstmatig' in stand te houden. Altijd angstvallig hetzelfde gekleed gaan en dergelijke vinden ze onzin.

Wilma: „Ik weet van een meisjestweeling die met een jongenstweeling is getrouwd, die het huis hetzelfde hebben ingericht, nog altijd exact dezelfde kleren dragen, tot de oorbellen toe. Wij hebben nooit zo krampachtig geleefd van: Wij zijn een Tweeling."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 9 oktober 1991

Terdege | 80 Pagina's

Eeneiïge tweelingen hebben niet hetzelfde karakter

Bekijk de hele uitgave van woensdag 9 oktober 1991

Terdege | 80 Pagina's

PDF Bekijken