+ Meer informatie

Salomo's raad aan de jeugd

4 minuten leestijd

„Gedenkt aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap..."Prediker 12:1

Wat is de beste tijd, de meeste geschikte tijd om de bekering te zoeken en de verzoening met God? Hoor wat de wijze koning Salomo zegt: Het is de tijd van de jeugd! Als de mens is oud geworden, als de kwade dagen er zijn, is het niet zo gemakkelijk om datgene te verkrijgen wat in de jeugd verzuimd werd, wil hij zeggen. Het jonge boompje kan o zo licht nog buigen, een oude stam niet meer; die breekt. Wij lezen in de bijbel van een Obadja, hofmeester van de goddeloze Achab. Hij kon getuigen tegen Elia: „Ik, uw knecht nu, vreze den Heere van mijn jonkheid af." En van de vrome koning Josia staat vermeld dat hij zestien jaar was, toen hij de Heere begon te zoeken. Vroege Godsvreze is een grote zegen. Hoewel de Heere vrij blijft in het bepalen van de tijd waarop de geroepenen tot Hem gebracht worden, komt het Woord het van ons eisen Hem vroeg, in de dagen van onze jeugd, te zoeken. Ja, dit betaamt alle mensen. Bij de profeet Maleachi vinden wij daarvan een krachtig en sprekend beeld. Zoals God geen andere offers mocht zien dan die gaaf en volkomen waren, zo is het eis dat de mens de beste tijd van z'n leven Hem wijdt. Onttrekken wij onze jeugdjaren door zorgeloosheid en verharding aan de dienst des Heeren, dan onthouden wij Hem het beste van ons leven. En willen wij ons dan eindelijk in de avond van het leven tot de Heere bekeren, mag Hij dan niet zeggen: „Als gij wat blinds aanbrengt om te offeren of wat kreupels of wat kranks, brengt dat toch uw vorst, zal hij een welgevallen aan u hebben?" Alsof Hij zegt: „Trakteer daarop eens uw koning, zal hij dan niet beledigd zijn? Weet, Ik ben een groot Koning!"

De tijd der genade is er niet altijd. De tijd om uit te varen is er zolang de wind de zeilen doet bol staan. Velen denken werkelijk dat zij zich op elk moment kunnen bekeren als zij willen. Maar op de weg naar de hemel is de zelf gestarte motorboot nutteloos; men moet, wil men daar komen, leren zeilen. De wind des Geestes brengt de beweging in het vaartuig en stelt het in staat vooruit te komen. Ouden klagen over afnemende wind, de Geest blaast zo krachtig niet als in hun jeugd. De klacht waarmee Gods kinderen zichzelf moeten aanklagen, wordt gehoord: Hoe ouder, hoe kouder. Kortom, Salomo's les is: Neem de tijd der genade waar, zodra hij zich aandient.

Is er aan de andere kant ook niet een zegen in, als we Salomo's raad in de jeugd mochten opvolgen? Nu is er de ouderdom en zijn de kwade dagen over ons gekomen. Kwade dagen? Hoor, daar begint er een te zingen: „O God, Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen." Daar getuigt zulk een oud bondgenoot van God: „Ik ben jong geweest en nu oud geworden, maar zag nooit de rechtvaardige verlaten." In het beleven van Gods goedertierenheid blijven zij jeugdig en fris. Een heel leven in de omgang met God doorgebracht, heeft hen geleerd te roepen in vrije genade alleen. Zij vinden in zichzelf anders niet dan de dood. Daarbij komt dat de vijand zeer listig is. Maar Die hen geroepen heeft met een hemelse roeping, is getrouw. Het bloed en de gerechtigheid van Christus hun grond. O wonder van genade: Waarom was 't op mij gemunt? Dan gaan ze het aanbidden.

De wijze koning Salomo heeft het de jeugd aangeprezen, maar kan hij het ons geven? Om het te verkrijgen word ik naar een groter Koning gewezen. „Meer dan Salomo is hier." Hij alleen kan het ons leren en onze kinderen schenken. Door wat middel? Daarop wijst de Prediker ons: „De woorden der wijzen zijn als prikkelen en gelijk nagelen diep ingeslagen door de enige Herder." Het Woord is verordineerd tot het krachtige middel, dat werkzaam is in onze harten. Salomo wijst op Jezus Christus als de enige Herder. Zijn zalving leert het ons dat Hij als Sions Koning de Kerk bewaart bij de verworven zaligheid. En die Kerk, dat zijn zij in wier harten de woorden Gods zijn ingeslagen gelijk nagelen en gelijk prikkelen, diep ingeslagen, zo diep dat het er nooit weer uitgaat. Er is niets zo rijk als dit in de jeugd bij aanvang te hebben leren kennen. Want daaraan is verbonden de bijzondere bewaring Gods: „...als hij oud zal geworden zijn, zo zal hij daarvan niet afwijken." De oude bondgenoot des Heeren is aan Zijn rechten en inzettingen verkleefd. Hij volhardt daarbij door de bewaring Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.