+ Meer informatie

Knoestige stammen en grillige pruiken

9 minuten leestijd

Met hun knoestige stammen en grillige pruiken bepalen knotwilgen in hoge mate ons Hollandse landschap. Aangeplant in rijen stofferen ze rivier oevers, dijken en uiterwaarden. Maar ook als solitair slaat de knotwilg geen gek figuur. Ondanks zijn lange tenen is hij een aantrekkelijke verschijning op boerenerven en in weilanden. Een gastvrije herberg voor insekten, vogels, paddestoelen en planten.

De Salix alba (salix betekent wilg en alba wit) is voor mens en dier al eeuwen van belang.
Hij stelt weinig eisen aan grond en standplaats en is gemakkelijk te telen. Vroeger werden ze speciaal aangeplant vanwege het geriefhout dat de boeren nodig hadden. De boer zaagde (knotte) de takken op twee meter af, anders vrat het vee de jonge loten op. Het taaie, veerkrachtige rijshout (de tenen) gaf veel gebruiksmogelijkheden. Het was geschikt voor de bouw van huizen, als erfafscheiding en om dijken en kribben te beschermen. Het dikkere hout werd bijvoorbeeld gebruikt om klompen en stelen van gereedschappen te maken. Van de dunnere twijgen vlocht men manden en fuiken. De jonge tenen dienden als bonestaken en als aanplant voor nieuwe generaties knotten.
Toen ruilverkavelingen en goedkope industriële produkten in de mode kwamen, betekende dat een bedreiging van het voortbestaan van deze karakteristieke wilgen. Vooral door ruilverkavelingen gingen er veel tegen de grond. In ruil voor meters prikkeldraad. Hierdoor verdween niet alleen de intimiteit in het landschap, maar ook het hele ecosysteem dat zich op en om de boom afspeelt. Bovendien raakten veel dieren hun behuizing kwijt. Veel boeren kwamen er niet meer aan toe de overgebleven wilgen te knotten. Met als gevolg dat de wilg -een snelle groeier- vaak bezweek onder zijn enorme takkenlast.
„Daardoor legden nog eens heel wat knotwilgen het loodje", zegt Evert Kluin van de Stichting Behoud IJssellandschap.

Familieboom
Sinds 1974 zet Kluin zich in voor het planten en knotten van wilgen. In november, als de sapstromen tot stilstand gekomen zijn, begint het knotseizoen. Door tientallen vrijwiUigers wordt er elke zaterdag tot half maart geknot.
Op rubberlaarzen glibberen we langs en over prikkeldraad door de vette klei. Ladders staan opgesteld. De knotters hebben hun handen vol aan een warrige wilgepruik. Om een dikke tak gaat een stevig touw. Om hem te leiden in zijn val. Er wordt driftig gezaagd en gesnoeid. Kinderen en volwassenen sjouwen, slepen en sorteren. Ieder heeft een taak.
„Wilgen knotten is eigenlijk werk voor het hele gezin. Vaak komen vader en moeder met de kinderen mee knotten. Gezellig, ontspannen en leerzaam. Ze zitten dan met z'n allen in een boom. De familieboom. De mensen vinden het heerlijk om een dag buiten in de natuur zinvol bezig te zijn. We pauzeren op de deel bij een boer. Met koffie en krentebollen. En na afloop eigengemaakte soep. Dat gaat er wel in na zo'n dag."

Openhaardhout
„Nieuwe mensen krijgen eerst instructie", legt hij uit. „Scherp gereedschap is belangrijk, 't Is zwaar werk. Je moet eerst naar de boom leren kijken. Dan bedenken: Hoe zal ik beginnen. Kijken hoe een tak valt. 't Is vaak net een heel bos als je erbovenop staat. Dus ruimte maken. Iedereen wil meteen zagen. Da's het mooiste. Maar opruimen is het meeste werk. En sorteren. Per dag knotten twintig mensen ongeveer tien bomen, 't Hout ligt dan netjes opgetast. Dik hout wordt op meters gezaagd. Dat is voor de open haard. Onze knotters mogen dat meenemen. Wat overblijft, verkopen we.
Soms zijn er heel mooie kromme stukken bij die boven het water gehangen hebben. Daar worden midwinterhoorns van gesneden. Dan heb je het takhout. Voor afscheidingen en bonestaken. Als nieuw plantmateriaal gebruiken wij vijfjarig hout. Officieel moet dat driejarig zijn in verband met de watermerkziekte. Maar dan krijg je zo'n dun stammetje dat staat te zwiepen in de wind. Driejarig hout geeft veel uitval. Als je meteen een dikkere neerzet heb je met een paar jaar al een aardige boom.
Om de vijf, zes jaar moet de pruik er af Ongeknot wordt een wilg hooguit 'n jaar of vijftig. Goed geknipt en geschoren kan hij drie keer zo oud worden. Weinig moeite. Veel winst", meent de knotter.

Apen
„Van het takhout blijft het grootste gedeelte over. Dat gaat naar Apenheul in Apeldoorn. De apen zijn er dol op. Ze vreten de bast eraf In wilgehout schijnt dezelfde stof voor te komen die in aspirine zit. Belgische paarden lusten er ook wel pap van. Nog hoor ik het gekraak tussen hun tanden."

Steenuilen
Hoe weten de mensen dat ze jullie kunnen inschakelen bij het knotten?

„Sommigen lezen dat in plaatselijke kranten. Maar meestal roeren wij zelfde trom. Ik stap eropaf Boeren en andere eigenaars zijn vaak blij als wij willen knotten. Als er een bliksemof stormslachtoffer onder de bomen is, probeer ik het zo te regelen dat ze mogen blijven liggen. Voor insecten en vogels. Het hoort bij de natuur. De natuur kent geen afval. We planten er dan nieuwe naast. Kaalslag moeten we niet hebben. Ook dode en gescheurde knotwilgen worden door veel holenbroeders gebruikt. Die kunnen nergens anders naartoe. Veel dieren zijn afhankelijk van de wilg. Torenvalken broeden erin. Eenden ook. En neem nou steenuilen. Echte knotbewoners. Die hebben hun eigen territorium en daarbinnen moeten ze leven. Ik schat dat er in dit weiland", hij wijst met een armzwaai, „hoogstens voedsel is voor twee paartjes. Ze jagen op insekten, mollen en muizen. Al dat kleine spul vindt schuilgelegenheid op en in de buurt van de wilg. Net als de hermelijnvlinder. En trouwens ook de rups. Die leeft ervan."

Holletjes
„'t Zijn ideale bomen met al die holletjes en knoesten. In oude bomen ontstaan op den duur trechtervormige holten waar vaak regenwater in blijft staan. Dat gaat rotten, waardoor het kernhout vermolmt. Dat geeft niks. Als bast en schors maar intact blijven. Daarin schuilt het leven. Niet in het binnenste van de wilg. In die holten komen allerlei zaden terecht. Van wilgeroosjes en varens. En vlier. Die is altijd vroeg met z'n blad. In het vroege voorjaar valt dat op. Tegen die tijd komen hommels weer in actie. Want dan staan de katjes in bloei.
De wilg is tweehuizig. Als je katjes 's winters op de vaas zet kun je het zien. De vrouwelijke katjes lijken groenig. De mannelijke zien geel van de meeldraden", weet Kluin. Trots: „In de uiterwaarden van Wilp, voorbij het viaduct van de snelweg, staat een van de dikste knotwilgen van ons land. Die heeft een stamomtrek van zes meter. Hij was vijftig jaar niet geknot. Nog zo'n monument heeft de Stichting Knotwilg in Heteren in beheer. Goed onderhoud is het belangrijkste. Dan kunnen ze wel 150 jaar worden."

Wilt u ook eens knotten of heeft u een knotwilg die onder het mes moet? Evert Kluin, tel. 05717 1726, Schoolstraat 25,7396 AT Terwolde.
Bij de St LONL kunt u informeren naar een knotter bij u in de buurt Tel. 030-340777.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.