+ Meer informatie

De zaligheid van jonggestorven kinderen

6 minuten leestijd

Vorige keer ging ik in op vragen over de tijd van ons sterven. In de brief kwam nog een andere vraag voor. „Hoe spreekt de Bijbei ten aanzien van jonggestorven kinderen? Is, zoals men beweert, zo'n kind volgens de doopbelofte zalig?"

Een teer onderwerp waarmee vele vragen verbonden zijn. Hoeveel is er al niet geworsteld de eeuwen door met deze vragen? Vaak wordt een onderscheid gemaakt tussen kinderen die op het erf van de kerk hebben geleefd, verbondskinderen, èn de anderen, die buiten het erf van het verbond hebben geleefd en zijn gestorven. Wat deze laatsten betreft laat de Schrift ons weinig mogelijkheden om over hen iets te zeggen, al zijn er sommige onverdachte theologen die hier heel ruim gesproken hebben. Ik meen dat we, waar de Schriften ons niets zegt, de dingen in Gods hand moeten laten liggen. De vraag is nu of er iets meer gezegd kan worden als het verbondskinderen betreft. Bekend is de grote stelligheid waarmee bijv. W. a Brakel, die zich dan overigens in het gezelschap van andere gereformeerde theologen bevindt, op dit punt heeft gesproken. In zijn "Redelijke Godsdienst" geeft hij als zijn mening te kennen dat jonggestorven kinderen van bondgenoten -bekeerd of onbekeerd (!)- voor zalig gehouden moeten worden. Anderen uit die tijd wijzen erop, dat ouders op grond van de doop getroost mogen leven uit de wetenschap dat hun jonggestorven kinderen behouden zijn. Misschien mogen we het zo formuleren, dat men er in die dagen vaak toe neigde om te geloven dat de verbondskinderen die voor de jaren des onderscheids worden weggenomen, de zaligheid deelachtig worden. Op deze wijze onder woorden gebracht geeft het iets aan van een bepaalde spanning. Anderen wilden zo ver niet gaan als bijv. a Brakel en hielden staande dat hier weinig met zekerheid te zeggen valt. Inderdaad moet gezegd worden dat een stellig oordeel met de hand op de Schrift moeilijk is.

Verkiezing
Valt er dan verder niet meer te zeggen in deze zaak? Dat brengt me bij de Dordtse Leerregels, 1,17. Opmerkelijk is het dat hier benadrukt wordt, dat we van de wil Gods uit Zijn Woord hebben te oordelen. Blijkbaar wil onze belijdenis ook hier Gods woord laten spreken. Welnu, Gods Woord getuigt dat de kinderen der gelovigen heilig zijn, niet van nature maar krachtens het genadeverbond, waarin God hen opgenomen heeft. Op grond van dit gegeven -dus eigenlijk op grond van het genadeverbond Gods- moeten godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid van hun vroeggestorven kinderen. Is dit zoveel anders dan wat a Brakel zei? Bedoelen de Dordtse Leerregels met gelovigen en godzaligen niet dezelfden als a Brakel met bondgenoten? Daar wordt verschillend over geoordeeld. Ik proef hier toch een enigszins verschillend spreken. Overigens staat wat de Dordtse Leerregels zeggen in een bepaald verband. Voor de Remonstranten is de zaligheid van jonggestorven kinderen vanzelfsprekend. „Natuurlijk..." Daartegenover spreekt onze belijdenis over "de verkiezing en zaligheid van..." Hier is geen zaligheid buiten de verkiezing om en zeker geen zaligheid als vanzelfsprekendheid.

Verbond
Waarom zou de belijdenis spreken over "godzalige ouders"? Zouden juist zij niet de worsteling met deze vragen omtrent hun jonggestorven kinderen in zijn volle ernst kennen? Zijn zij het niet die verstaan en doorleven dat zij, ziende op zichzelf en ziende op hun kinderen zoals die van zichzelf zijn, geen enkele troost kunnen hebben? Zij weten iets van het diep buigen onder het vonnis van Gods Wet, maar ook is hun niet onbekend de onbegrijpelijke ontferming van God in Christus. In dat alles weten ze iets van het gewicht van Gods verbond en woorden. Juist zij worden hier aangesproken in onze belijdenis. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de zaligheid van hun kinderen rust op hun godzaligheid! Hier wordt nu juist duidelijk gemaakt dat de zaligheid rust op God van het verbond! Ook wordt niet gezegd dat kinderen van niet-godzalige ouders verloren zijn.

Verstand
Onze belijdenis spreekt in de D.L,I,17 geloofstaal! Wat hebben onze vaderen rijke schatten gezien in de leer van het verbond. Maar is God niet ook soeverein in Zijn werk? Jawel! Dat geeft juist ruimte! Met ons theologiseren over verkiezing en verbond zijn we vaak veel grote gedachten van de God van het verbond kwijtgeraakt. Graag wil ik nog noemen dat de Westminster Confessie in één adem met jonggestorven kinderen anderen noemt, die niet in staat zijn de roeping van het Woord te vernemen. Daarbij mogen we denken aan onze gemeenteleden met zeer weinig of geen verstandelijke vermogens. Ten slotte dit: De worsteling met het oog op de jonggestorvenen is voluit te verstaan. Maar laten we wel toezien dat we niet onszelf als ouders en grootouders voorbijlopen! Hoe is het met mijn godzaligheid?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.