+ Meer informatie

Gods eer of mijn zaligheid?

6 minuten leestijd

Gaat het me in mijn zoeken van de Heere nu om de eer van de Heere of is het me eigenhjk alleen maar om mijn eigen behoud te doen? Deze vraag brengt altijd weer mensen tot ongerustheid en de pastor komt er steeds mee in aanraking.

De vraag heeft natuurlijk een achtergrond. Deze achtergrond nameHjk, dat alles in ons leven gericht dient te zijn op de eer van God. Met het oog op Zijn eigen verheerlijking heeft God indertijd alles geschapen. Door de val in zonde heeft de mens dat scheppingsdoel echter gemist en heeft Hij God van Zijn eer beroofd. Wordt de zondaar nu in de gunst van God hersteld, dan gebeurt dat met de bedoeling dat de eer des Heeren weer bevorderd zal worden. Maar dan moet het de mens in het zoeken van de Heere en het staan naar verzoening met God ook allereerst om die eer van de Heere te doen te zijn. En als je dat dan niet kunt zeggen? Als je wel bezorgd bent als je denkt aan je arme ziel, die geborgen moet worden, maar je hebt niet direct oog voor de eer van de Heere? Is het dan wel echt goed met je? Of moet je dan concluderen dat het nog niet veel met je is? Kun je dan trouwens niet net zo goed ophouden? U kent die vragen wel. Mogelijk zijn dit vragen die ooit wel eens in uw eigen hart geleefd hebben of die nu uw ziel bezig houden. Wat hierop te antwoorden?

Dreigwoorden
Om te beginnen dit. Natuurlijk dient alles in ons leven op de eer van de Heere gericht te zijn. En natuurlijk is het ook waar dat God Zichzelf verheerlijkt in het zaligmaken van zondaren. Maar de vraag mag gesteld worden: Zijn we ons dat altijd zo duidelijk bewust? God legt er in Zijn Woord nogal wat nadruk op, dat wij van nature verloren mensen zijn. Hij zoekt ons van die verschrikkelijke werkelijkheid te doordringen. Hij laat ons ook met grote ernst zien waar ons leven zal eindigen als we niet met Hem verzoend zijn. Daarom staan er ook dreigwoorden in de Schrift. Daarom liet God Jona in de stad Ninevé met zo veel nadruk prediken, dat de stad na veertig dagen zou worden omgekeerd. De zondaar moet toch een keer tot bezinning komen. Hij moet de ernst van zijn situatie in gaan zien om zo haast te gaan maken om gered te worden. Wat hiermee gezegd wil zijn is dat God ons met een klem van argumenten zoekt te bewegen tot het geloof Maar welk motief zal ons daar dan bij leiden? De eer van God? Heeft de ontdekte zondaar daar terstond erg in? Of is het de nood, die hem tot de Heere drijft? Is het de zonde, waarvoor zijn ogen zijn open gegaan en die hem nu benauwt? Is het de wetenschap, dat hij niet sterven kan zoals hij geboren is? En waar gaat het hem dan om? Om eigen behoud immers. Is dat verkeerd? Mag een ander dan zeggen: Met jou is het nog niet veel, want ik hoor je niet spreken over de eer des Heeren? Maar wat brengt zo'n opmerking dan weer teweeg in de toch al zo geplaagde ziel? Als God via Ezechiël zegt: Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven o huis Israëls? (13:11), moeten wij dan die tekst aanvullen door te zeggen: Maar dan zal het u wel om de eer des Heeren te doen moeten zijn? Maar het gaat toch om Gods eer? En dat leert een mensenkind toch ook inzien en toestemmen? Ik ontken dat geenszins. Zo is het inderdaad. Maar ik zeg alleen, dat we met dit te zeggen niet elke activiteit van de ziel moeten verlammen en dat we mensen in hun zoeken en worstelen om met God verzoend te worden niet moeten lastig vallen.

Gods eer
Zorgt God trouwens niet Zelf voor Zijn eer? Als Hij een zondaar behoudt dan zal al wat Hij werkt juichen tot Zijn eer. Daar staat Hij voor in. Nee, we moeten geen tegenstelling maken tussen deze zaken. Als het ons te doen is om echt behouden te worden, dan zorgt God ervoor dat we op zo'n manier behouden worden, dat Hij erin verheerlijkt wordt. Die twee zijn niet van elkaar te scheiden. Die liggen in heel Gods plan zo ineen gevlochten, dat wij ze niet eens van elkaar zouden kunnen scheiden. Een voorbeeld uit de Schrift? Als de Heere Jezus de tijding gekregen heeft dat Lazarus ziek is (Joh. 11:3) zegt Hij dat deze ziekte tot heerlijkheid Gods zal zijn. En als Lazarus daarna ook nog gestorven is, zegt Jezus tot Zijn discipelen, dat Hij blij is dat Hij op het moment van Lazarus' sterven niet in Bethanië was. En dan voegt Hij daaraan toe: „opdat gij geloven moogt." Enerzijds spreekt Jezus ervan dat de dood en straks de opwekking van Lazarus dienen zullen tot verheerlijking van God. En dat zal ook waarlijk zo zijn. Anderzijds zegt Hij dat dit tevens dienen zal tot geloof en geloofsvermeerdering en zo tot zaligheid van de discipelen. God zorgt zowel voor het een als het ander. Dat kunnen wij met een gerust hart aan Hem overlaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.