Bekijk het origineel

Wit als de sneeuw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wit als de sneeuw

5 minuten leestijd

Niet iedereen is blij met een pak sneeuw. Sommigen verwensen het omdat het veel ongemak meebrengt. Anderen genieten er met volle teugen van. Denk aan de kinderen, voor wie sneeuw het einde is. Ook in de Bijbel wordt over sneeuw gesproken. Al valt er niet zo veel sneeuw in Israël, toch weet men er van.
Evenals er bij ons tweeërlei beleving en beoordeling van de sneeuw is, zo vinden we dat ook in de Bijbel. Soms wordt een vergelijking met de sneeuw gemaakt in negatieve zin. We lezen van Gehazi dat hij melaats werd, „wit als de sneeuw." Dat was een afschuwelijk gezicht. We kunnen het vergelijken met ons spreken over lijk-wit. Het is wel wit maar geen stralend wit. Een positieve vergelijking vinden we bij David in Ps. 51. We horen hem daar bidden: „Was mij en ik zal witter zijn dan sneeuw." In de berijming zingen we: „Was mij geheel, zo zal ik witter wezen, dan sneeuw die vers op 't aardrijk nederviel."

In het leven met de Heere leert Hij ons beide betekenissen kennen. Als David bidt om gewassen te worden, dan heeft hij leren zien dat hij vuil is en onrein. De melaatsheid van de zonde kleeft hem aan. Maar laten we niet vergeten dat de Heere ons bekend maakt met onze zonden, opdat we er van af zullen komen. Zondaar zijn we allemaal, maar de ontdekking beoogt ons te verlossen.
Want als wij zien hoe afschuwelijk de zonde is, gaan we zoeken om daarvan verlost te worden. Naaman ging een verre reis maken om van zijn melaatsheid verlost te worden. We gaan zoeken om door Christus gereinigd te worden.
We weten uit de Bijbel dat melaatsen moesten afgezonderd worden van de samenleving. Men was doodsbenauwd om besmet te worden. Wat heerlijk dat Christus deze mensen niet mijdt. Hij is bij hen in de buurt. Hij raakt hen zelfs aan. Hij is niet ver van een iegelijk van ons. De heilige Christus neemt de onheiligheid van de zondaar weg en neemt haar mee naar Golgotha. Daar is de grote vuilnis-stortplaats van alle ongerechtigheid. De Kruiseling hangt te midden van het grote kamp van Zijn zondige melaatsen. Hij sterft aan hun zonde. Ziet Hem, melaats, wit als de sneeuw. Maar wie Hem aanraakt, ervaart Zijn kracht. Bleek van de zonden komen we bij Hem, rein als de sneeuw maakt Hij ons. God ziet in Christus ons niet meer in onze doodskleur (vaalwit), maar in de levenskleur van Christus (stralend wit). Jesaja profeteert ervan in zijn eerste hoofdstuk: „Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw." Op Golgotha wordt alles bedekt door de sneeuw van Christus' borgtochtelijk lijden en sterven. Als u wel eens langs een grote schroothoop gereden bent, dan denkt u: Wat een rommel. Maar rijdt u er ook eens langs als het gesneeuwd heeft, dan ziet u niets dan helderwit sneeuw. Alles is bedekt. In het geestelijke leven is dat voor eeuwig!
Het formuHer voor het Heilig Avondmaal tekent aan dat we onze reinigmaking buiten onszelf in Christus dienen te zoeken. Als we naar onszelf kijken schrikken we van onze kleur. Wat opfleuren helpt niet echt. Het geloof ziet op Christus. God ziet de zondaar, die tot Christus komt, aan en ziet geen zonde in Zijn Jakob en geen overtreding in Zijn Israël.

D'e sneeuw in de natuur maken we zelf niet. Het valt naar beneden. Veel meer geldt dat in het rijk van de genade. Het is alles Gods werk. Christus nodigt ons uit in deze periode van het kerkelijke jaar om Hem te volgen naar Golgotha.
De sneeuw valt. De vlokken van Gods beloften vallen om ons heen. Erskine zegt: „Hij verbiedt nooit enige ziel om te geloven, daarom moet zij zich door niets ervan aflaten houden." Bidt om de Heilige Geest, Die ons door het Woord de ogen opent voor de heerlijke sneeuwtijd, de welaangename tijd, de dag der zaligheid. U rnoet niet achter de ramen blijven kijken hoe de sneeuw valt, maar kom naar buiten en laat u ondersneeuwen. Zo alleen kunnen wij zonder verschrikken verschijnen voor Hem, Wiens kleed is wit als de sneeuw (Dan. 7:9). Dan zullen we ten volle erkennen dat het alleen Gods verkiezende liefde was, dat we mochten komen.
Buiten Christus is geen bedekking voor onze zonden. We zullen dan alleen maar kunnen roepen: onrein, onrein! Maar dan is Christus niet meer als Zaligmaker voorhanden. De sneeuwtijd van de genade gaat voorbij. Eens zal de laatste vlok van Gods belofte vallen. Dan zullen de temperaturen voor de ongehoorzamen (ongelovigen) hoog oplopen. Geen genadesneeuw meer om hen te bedekken. Laat u nog maar reinigen! Gods kind weet door genade en mag door het gebruik van de sacramenten steeds zekerder verstaan: Hij heeft al mijn zonden bedekt. Zij zullen bekleed worden met lange witte klederen. Voor eeuwig bij Hem!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 januari 1997

Terdege | 84 Pagina's

Wit als de sneeuw

Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 januari 1997

Terdege | 84 Pagina's

PDF Bekijken