Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ds. J. Fraanje werkte zolang het dag was

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ds. J. Fraanje werkte zolang het dag was

15 minuten leestijd

Jarenlang nam ds. J. Fraanje in de Gereformeerde Gemeenten een centrale plaats in. Op 3 september is het een halve eeuw geleden dat hij overleed. Binnen een jaar na het verscheiden van ds. G.H. Kersten was een tweede steunpilaar aan het kerkverband ontvallen.

Jozias Fraanje kwam van ZuidBeveland. Cornelis Fraanje en Francina Openneer heetten zijn ouders en ze behoorden tot de gemeente van ds. D. Bakker, die Jozias ook doopte.
In Biezelinge, waar hij op 20 oktober 1878 geboren was, groeide Fraanje op. Hij werkte op het land en later was hij voerman. Reeds in zijn jeugd vielen de eerste indrukken van dood en eeuwigheid, maar het duurde tot zijn zeventiende jaar voordat de Heere hem stilzette.
Een preek van de 21jarige oefenaar Kersten, begin 1904 in Goes, werd voor Fraanje onvergetelijk. Toen ervoer hij dat zalig worden van zijn kant onmogelijk was en dat God om Zijn recht kwam. Vijf dagen en nachten bracht Fraanje in grote zielestrijd door in een schuur. Toen werd hem echter Christus geopenbaard en Zijn Borgwerk toegepast.
In een gedachtenisrede memoreerde hij later: „Ik herinner mij dat God, toen ik 25 jaar oud was, mijn ziel gered heeft. God weet het hoe het s avonds tussen God en mijn ziel stond; toen kon ik niet eten, maar heb uitgeroepen: „Is dat nu de dood? Dood, waar is uw prikkel? Volk, dan zou het kunnen!
In de verdere leiding leerde de Heere hem dat hij niet als bekeerde, bezittende man, maar als arme, afhankelijke zondaar gezaligd moest worden, opdat God alle eer zou krijgen. In zijn openingswoord op de vergadering van de classis Barneveld op 5 januari 1939 gewaagde ds. Fraanje van „de diepe zielestrijd en diepten des satans waar hij Oudejaarsnacht in verkeerd had, maar Christus Hogepriesterlijke bediening mocht aan zijn ziele weder geopenbaard worden, en hij mocht weder in de Vaderlijke verzoening delen. Hij was schuldig en onwaardig geworden en de minste der Heiligen. Hij had mogen bukken door God onder God, en kon zijn naaste alles vergeven, en vroeg van allen ook hem alle zwakheden te vergeven.

Prediker
Begin 1907 werd Fraanje ouderling in de ledeboeriaanse gemeente van Goes. Een halfjaar later, op 5 juni, ontstond door de vereniging van ledeboerianen en kruisgemeenten het verband van de Gereformeerde Gemeenten. In deze periode werd Fraanje geroepen tot het predikambt. Op 6 oktober 1908 hield hij zijn eerste preek.
Fraanje was al oefenaar toen hij op 18 maart 1909 met Pieternella Filius trouwde. Ze kregen vier zonen en vijf dochters. De zonen werden ouderling; kleinzoon J. Blom is hervormd predikant.
Fraanje ging in 1912 naar Terneuzen en werd er later dat jaar predikant. Al in 1913 ging hij naar Rotterdam (Boezemsingel), een stad die vele kinderen des Heeren telde. Vanaf 1916 stond ds. Fraanje weer in Goes, ditmaal als predikant.
In 1918 verliet hij Zeeland definitief. Zijn Zeeuwse accent is hij overigens nooit kwijtgeraakt. Hij heeft er ook nog vaak gepreekt, niet alleen in de Gereformeerde Gemeenten, maar ook in buitenverbandse gemeenten als Stavenisse en SintMaartensdijk.
Ds. Fraanje ging in 1918 naar Barneveld en arbeidde er ruim dertig jaar. Ter herinnering aan die lange periode noemde Barneveld later een straat en een school naar hem.

Veel preekbeurten
In de gemeenten in OostNederland was het aantal predikanten geringer dan in het westen. Een geschiedschrijver noemt als een van de oorzaken van de sterke groei van het aantal gemeenten in de classis Barneveld „de aantrekkingskracht en de nietaflatende arbeid van ds. J. Fraanje.
Het aantal preekbeurten dat hij vervulde, was enorm. Ds. W.C. Lamain schreef later over hem: „Wat heeft die leraar mogen werken zolang het dag was. Wat heeft hij in zijn leven toch veel gereisd, en door het gehele land de gemeenten gediend. Het was zijn lust en zijn leven om het eeuwig Evangelie te verkondigen. Hij ging weleens op vakantie naar de provincie waar hij geboren en wedergeboren was, doch dat betekende dan ook dat hij dag aan dag, van plaats tot plaats, werkzaam was in de dienst des Heeren. Ds. Fraanje preekte dan zelfs (als hij avonden tekortkwam) weleens op een doordeweekse middag, zoals ds. Lamain dat later zelf tijdens bezoeken aan Nederland ook wel deed.

Veluwse gemeenten
Met name voor de Veluwse gemeenten heeft ds. Fraanje veel betekend. Hij leidde de eerste dienst in Wageningen, Nunspeet en Ermelo (Telgt), institueerde de gemeenten van Elspeet, Nunspeet en Nijkerk, terwijl zijn eigen gemeente afdelingen in Hoevelaken en Kootwijkerbroek kreeg. In „Hoeflaken, zoals hij noteerde, preekte hij een of tweemaal per maand.
Ds. Fraanje nam in Elspeet (tweemaal), Harderwijk, Nunspeet, Poortvliet en Uddel een nieuwe kerk in gebruik, terwijl het kerkgebouw van zijn eigen groeiende gemeente sterk vergroot werd. De mensen kenden zijn karakteristieke preektrant en de ouderen herkennen die nog altijd tijdens de leesdiensten, zelfs al vóórdat de ouderling meedeelt van wie de gelezen preek is.
Om de andere vrijdag ging ds. Fraanje naar Nunspeet. Hij hield er s middags catechisatie voor de meisjes (aanvankelijk vier), s avonds voor de jongens en na afloop preekte hij er. Een groepje Elspeters ging steevast op de fiets naar deze diensten en tijdens de terugtocht spraken ze dan over de preek.
Op „biezondaagn (bijzondagen: tweede feestdagen etc.) preekte ds. Fraanje altijd tweemaal (!) in Elspeet of Uddel, waar beide gemeenten dan gezamenlijk diensten hielden. De predikant kwam dan per koets. In Uddel werd het paard gestald in een boerderij bij het Uddelermeer. Op een keer werd hem daar na de dienst meegedeeld dat het paard ziek was geworden. Ds. Fraanje was nooit zo weg geweest van autos, maar besloot nu na enig nadenken dat er toch maar om zon vervoermiddel gebeld moest worden. Hij is daarna nooit meer met de koets gekomen, want de auto bleek veel sneller. De familie Beekman haalde hem vaak op, ook dochter Elbertje, en dat vond de bevolking heel apart: een vrouw achter het stuur!
Tijdens de oorlog kwam de predikant op een tandem, met de oersterke Johannes van Roekel voorop. De predikant (met hoed en lange jas) was tijdens het fietsen heel bewegelijk. Eén keer ging het niet goed. In Garderen ging het duo in een bocht ondersteboven, wat ds. Fraanje een kapotte broek bezorgde.

Vaderlijke verzoening
Van de achttien of negentien Generale Synodes die ds. G.H. Kersten meemaakte, ontbrak zijn naam slechts driemaal in het lijstje moderamenleden. Ds. Fraanje was vijfmaal moderamenlid van de Generale Synode, tweemaal van de Particuliere Synode van het Zuiden en minstens 21 keer in de PS van het Noorden (en na de splitsing in Oost). Bij de herdenkingsbijeenkomst in 1947, veertig jaar na de eerste Generale Synode, sprak hij over dezelfde woorden als waarover hij de avond tevoren in Nijkerk gepreekt had.
Ds. Fraanje was ruim twintig jaar curator van de Theologische School, waarvan de laatste vijf jaar (na het overlijden van ds. J. Vreugdenhil) als voorzitter. Hij was ook deputaat buitenlandse kerken en tweede voorzitter van de scholenbond VGS.
In 1940 brak de oorlog uit. In de weken daarvoor preekte ds. Fraanje in Elspeet, Nunspeet en Lisse over de oordeelsteksten Openb. 14:12 en 14. Tijdens de bange meidagen vluchtten velen, ook ds. Fraanje, uit de omgeving van Barneveld naar Nunspeet. Volgens overlevering riep de predikant bij zijn aankomst: „Alles is verloren en verraden, de Duitsers weten de weg nog beter dan wijzelf. In Nunspeet sprak hij over 1 Petrus 5:6: „Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.
Tijdens de laatste oorlogswinter was het reizen zo moeilijk, dat ds. Fraanje niet verder kwam dan Utrecht. De Veluwse gemeenten waren er goed mee.

Lege plaatsen
Ds. Fraanje was tot het laatst van zijn leven actief, maar de jaren klommen. In 1948 preekte hij nog 263 keer buiten zijn eigen gemeente en hield hij in ruim zes weken 32 dankdagdiensten in vijftien gemeenten. Geen wonder dat nogal eens dezelfde teksten terugkwamen: van 10 augustus tot 7 september preekte hij elf keer over Habakuk 3, de diensten in Barneveld nog niet eens meegerekend.
„Ik, arme, oude man, word, als God mij spaart, 20 October 70 jaar; 40 jaar heb ik gepreekt en 30 jaar daarvan in Barneveld, schreef hij op 4 oktober 1948 aan ds. C. Hegeman in Amerika. Bij dit jubileum kreeg ds. Fraanje een bundel Herinneringen uit gesprekken en predicatiën... overhandigd, die waren opgetekend door Eva Corenwijck, echtgenote van de Gorinchemse diaken J. Bout.
Ds. Fraanje had kort voor zijn jubileum ds. A. van Stuijvenberg in Nunspeet (22 september) en kandidaat F. Mallan in Bruinisse (29 september) bevestigd. Hij leidde in 1948 ook de begrafenis van ouderling H. Westerink in Nunspeet (29 mei) en kandidaat J. van Dijke te Tholen (14 december) en sprak tijdens de begrafenissen van ds. A. Visser en ds. G.H. Kersten.
Vooral het overlijden van ds. Kersten was een zware slag voor de kring der gemeenten, maar „we zijn hem kwijt mogen worden met Psalm 138:4: „Gij zult mijn kruis eindigen hier, schreef ds. Fraanje, die hem binnen een jaar zou volgen. In de leegte die na het verscheiden van deze twee steunpilaren ontstond, greep enkele jaren later een scheuring in het kerkverband plaats. Beiden hadden groot gezag en hun namen worden een halve eeuw later nog dikwijls genoemd.

Groter wonder
Het overlijden van de 41jarige kandidaat Van Dijke (over wie onlangs een levensschets met prekenbundel verscheen) greep ds. Fraanje aan. Had het curatorium zich vergist? In de nacht voor de rouwdienst kon de predikant niet slapen. „Ik heb vannacht voor mijn kacheltje liggen wenen, zei hij tijdens de rouwpreek, want de Heere had hem laten zien dat Hij soeverein is in Zijn handelen. „Ik ben vannacht voor alle examens afgekeurd. Wij hebben een verkeerde toepassing gemaakt, evenals Van Dijke zelf. (...) Ik heb mij meester willen maken van Gods alwetendheid. Ik heb bezitter van de Goddelijke wetenschap willen zijn, maar ik heb voor God mogen bukken en gezegd: Heere, ik heb het misverstaan. Zie, Tholen, zo is het gegaan.
Al was Van Dijke niet in de volle bediening gekomen, zijn prediking was niet ongezegend gebleven: „Hij is gestorven, maar uit alle streken van ons arme vaderland wordt getuigenis gegeven van hetgeen zij van hem gehoord hebben.
Een oude leraar begroef een jonge kandidaat. Ook zijn eigen ambtswerk liep ten einde. Daarop blikte hij tijdens de rouwdienst vooruit: „Dat ik geboren ben, is een wonder, maar dat ik wedergeboren ben en straks moet en mag sterven, is nog groter wonder, want het sterven van Gods volk is een gift uit vrije genade. Twee maanden hierna werd ds. Fraanje ziek en een halfjaar later is hij overleden.

Waardevolle lessen
In de jaren 19471949 verstuurde hij tientallen brieven naar zijn ambtsbroeders in Amerika en emigranten in Canada. Ze werden in 1952 gepubliceerd in zijn Nagelaten geschriften, dat verscheen met een woord vooraf van synodequaestor J. Vermeulen. Aan ds. W.C. Lamain schreef ds. Fraanje: „Geliefde broeder, wat zal dat eens wezen, verlost en verheerlijkt te zijn en dan geen Holland of Amerika meer, maar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
In 1981 memoreerde ds. Lamain: „Het laatste briefje dat ik in Amerika van wijlen ds. Fraanje kreeg, in 1949, was maar een klein stukje papier, dat een vriend bij ons bezorgde, die uit Nederland terugkwam, en daar stond in: „Mijn eer, mijn roem, ja alles wat van mij is, gaat eraan, maar: „Geen meerder goed, Heer, Gij mij geven meugt, dan dat Gij mij vernedert en maakt kleine.
Ds. Lamain noteerde daarover: „Zijn laatste briefje was uit de dagen en weken toen de Heere hem nog lessen ging leren die hij nog nooit geleerd had, (...) dat wij niet als bekeerde mensen, ook niet als dominees naar de hemel gaan, maar als arme zondaren, die geen andere grond hebben dan Christus bloed en gerechtigheid.

Naar Jeruzalem
Begin februari 1949 wees ds. Fraanje een uitnodiging voor een bezoek aan de Amerikaanse gemeenten af. Hij was oud en wilde zich ook niet eerst laten vaccineren. Het einde van zijn ambtswerk kwam plotseling, nadat hij de eerste elf dagen van deze maand nog acht keer buiten zijn eigen gemeente gepreekt had. Op 6 februari hield hij in Barneveld voorbereiding voor het Heilig Avondmaal, maar hij heeft dat zelf niet meer kunnen bedienen. Op 9 februari beklom hij nog de kansel in Harderwijk en op 11 februari hield hij in de jonge afdeling in Zwolle (waar hij voor het eerst voorging) zijn laatste preek.
Omdat zich ernstige suikerziekte openbaarde, moest hij naar het ziekenhuis. Daarna kon hij af en toe nog wat ambtelijk werk doen. Omdat hij zijn catechisanten geen belijdenis kon afnemen, schreef hij hen een brief.
Op 3 september kwam het einde. Niet als achtenswaardige Dienaar des Woords, maar als arme, begenadigde zondaar werd Jozias Fraanje gezaligd. In zijn laatste nieuwjaarspreek (1949), die precies een jaar later in druk verscheen, vatte hij het zo samen, en het was ook de kern van zijn prediking: „Niets van mij, maar alles van Hem, zo gaan wij naar Jeruzalem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1999

Terdege | 84 Pagina's

Ds. J. Fraanje werkte zolang het dag was

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1999

Terdege | 84 Pagina's

PDF Bekijken