Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Het geloof zegt amen op Gods betrouwbare belofte

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Het geloof zegt amen op Gods betrouwbare belofte

Ds. J. Belder ziet Erskines boek over geloofszekerheid als een medicijn voor zielen die vrede zoeken

12 minuten leestijd

Hoe weet ik dat de genade ook voor mij persoonlijk is? Mag ik geloven in de Zoon van God, terwijl ik helemaal zondig ben? Ben ik bij Hem welkom met een versteend hart zonder berouw? Als geen ander wist Ebenezer Erskine, die in de achttiende eeuw met zijn broer Ralph de Schotse kerk diende, hoezeer mensen in dit soort vragen verstrikt kunnen raken. Juist voor hen schreef hij het boek De zekerheid van het geloof, waarin hij toelicht dat geloven niet bestaat in doen, maar in niets doen, in een rusten op de beloften van een God Die niet liegen kan. „Het boek is een medicijn voor zielen die vrede zoeken, aldus ds. J. Belder, hervormd predikant in NieuwLekkerland.

Het kerkelijk klimaat waarin Ebenezer Erskine zijn boek schreef, vertoont volgens ds. Belder in enkele opzichten gelijke trekken met dat van de reformatorische gezindte in onze dagen. „De gebroeders Erskine kwamen in hun omgeving veel wettische tendensen tegen. De algemene opvatting was dat de genade in Christus slechts werd aangeboden aan overtuigde zondaars. Ook werd er gedebatteerd over de vraag of de zekerheid wezenlijk was voor het geloof of niet. Het zijn zaken die voor ons van belang zijn.
In hun zoektocht naar de juiste verhouding tussen Wet en Evangelie vonden de Erskines helderheid in een boekje dat hun geestverwant Thomas Boston bij een gemeentelid aantrof: Het Merg van het Evangelie, geschreven door de lekentheoloog Edward Fisher. Het geschrift werd voor velen een steen des aanstoots. Bij anderen gingen door het lezen van het boekje juist de ogen open voor de wonderlijke eenvoud van zalig worden.
Nog meer dan voorheen begonnen de Erskines met een krachtige prediking van de rechtvaardigmaking door het geloof alleen. Van hun hoorders hadden zij geen enkele verwachting: zij wisten dat uitsluitend door de werking van de Heilige Geest doden zouden horen naar de stem van de Zoon van God. Ook beklemtoonden zij de nauwe samenhang tussen het geloof en de zekerheid. Dit element en de evangelische toonzetting van hun preken leidden tot spanningen in de Schotse kerk.
Juist in die tijd schreef Ebenezer Erskine een boekje over de zekerheid van het geloof. Helder en getrouw aan de Schrift zette hij zijn standpunten uiteen. Het werk stuitte op verzet, maar kreeg ook veel bijval, in Nederland onder anderen van de Kralingse predikant Theodorus van der Groe.

Bijbels geluid
Van het boek verscheen in juli een herdruk bij uitgeverij De Groot Goudriaan. Ds. Belder las het deze zomer en genoot opnieuw van de rijke inhoud. „Het is mijn wens dat veel mensen deze verhandeling lezen en uitspitten. Het bevat een helder, bijbels, reformatorisch geluid. Erskine beweegt zich in het spoor van Luther en Calvijn, een spoor dat later ook werd gevolgd door onder anderen Van der Groe, Avinck en Kohlbrugge.
Het boek heeft grote betekenis voor deze tijd, vindt ds. Belder. Aan de ene kant is het volgens hem een aanrader voor mensen die onder invloed staan van de evangelische beweging. „Zij vinden het geloof vaak zo vanzelfsprekend, dat ik me wel eens afvraag of de warmte ervan wel door hen is heengetrokken. Als ik ze hoor aandringen op een moeten uitdragen van het geloof, vraag ik me soms af of ze ook daadwerkelijk iets over de dierbaarheid van Jezus kunnen zeggen. Ben je echt in Hem geworteld? Of heb je een conclusie getrokken?
Aan de andere kant ziet ds. Belder ook mensen gebukt gaan onder een prediking waarin wordt gesuggereerd dat de zaligheid slechts is voor hoorders die aan bepaalde eisen voldoen. „Die voorstelling leidt ertoe dat mensen op zichzelf worden teruggeworpen en hun steun zoeken in allerlei kenmerken die horen bij het geestelijke leven. Zij worden vaak overmand door twijfels en onzekerheden. Juist voor hen kunnen de Erskines een wegwijzer zijn.

Calvijn zegt dat elke gelovige ziet en erop vertrouwt dat God hem persoonlijk om Jezus wil genadig gezind is. Hoe zwaar weegt dat persoonlijke element bij Erskine?
„Voor Erskine is het wezenlijk dat overtuiging van zonden uitloopt op een toeëigening van het heil en een zeker weten dat ik het eigendom van Christus ben. Bij Erskine geldt heel sterk: Geloven doe je met betrekking tot je eigen zaligheid. Geloof en zekerheid beschouwt hij als een tweeling. In navolging van Calvijn zegt hij dat de zekerheid net zo min van het geloof te scheiden is als het licht van de zon.
Erskine ziet het geloof niet als een zelfstandig naamwoord, maar als een werkwoord. Het heeft bij hem altijd te maken met een levende relatie met Christus. Hij wil niets weten van een theorie waarbij iemand gelooft zonder kennis aan Christus. Dat aspect is heel belangrijk, want wie hier scheiding aanbrengt, vervalt in de roomse en remonstrantse leer van onzekerheid en verwarring.

Luther legt de vinger bij het bezittelijk voornaamwoord: mijn Heere en mijn God. Doet Erskine dat ook?
„Zeker. Ergens in zijn dagboekje schrijft Ebenezer: O, dat woordje mijn. Welk een lieflijk woordje toch. O, HEERE, houd mij bij de woorden „Mijn Heere en mijn God, en laat mij dit door ongeloof nooit opgeven. Het geloof houdt ons niet op een zekere afstand van Christus. Integendeel, door het geloof wordt Hij werkelijk de onze. Geloof is de emmer waarmee het levende water wordt geput, de mond waarmee wij drinken, de hand waarmee wij Christus ontvangen.

Hoort mijnen niet bij een groot geloof? Hoe gaat dat in de praktijk van de zwakgelovige?
„Volgens Erskine is ook het zwakste geloof mijnend van karakter, omdat elke geloofsdaad toevluchtnemend van aard is. De Heilige Geest, de werkmeester van het geloof, leidt altijd tot Christus. Erskine noemt het geloof de moeder van alle genaden, omdat het de ziel doet wortelen in Christus. Zowel een groot als een klein geloof rust op de gerechtigheid van het Lam van God.
In dit verband zegt Erskine: In het geloof wordt altijd iets van de bijzondere toeëigening gevonden, hetzij in meerdere, hetzij in mindere mate. Anders kan men noch hulp, noch troost uit het Evangelie ontvangen. Van zowel het kleine als het sterke geloof geldt echter: U die gelooft, is Hij dierbaar. Het toeëigenen gebeurt altijd in liefde. Het kleinste geloof wordt gekenmerkt door hoogachting voor Christus. Dat is een vertroostende, pastorale notie.

Kan het zijn dat iemand dierbaarheid in de Heere Jezus ziet, maar Hem toch niet durft te eigenen?
„Dat kan, maar dat houdt in veel gevallen vermoedelijk wel verband met een onjuist inzicht in de verhouding van Wet en Evangelie. Door onkunde kun je steeds weer op jezelf worden teruggeworpen. Mensen die in wettische strikken vastlopen, zou ik aanraden om boeken te lezen van Andrew Gray en Ralph en Ebenezer Erskine.
Erskine zegt ergens heel troostvol: Bij de eerste openbaring en ontdekking van Christus door het Woord en de Geest kan het geloof niet nalaten te zeggen met Thomas: Mijn Heere en mijn God. Pastoraal als hij is, voegt hij er onmiddellijk aan toe: Al wordt het niet altijd zo op het eerste ogenblik met de mond uitgesproken, maar dit is wat het hart zeggen wil.

Opmerkelijk is dat Erskine onderscheid maakt tussen de zekerheid van het geloof en de zekerheid van het gevoel. Wat bedoelt hij?
„Ik zou het als volgt willen omschrijven: Een zondaar neemt in de zekerheid van het geloof Christus aan. In de zekerheid van het gevoel ervaart hij dàt hij Christus heeft aangenomen. Het laatste kan er nooit zijn zonder het eerste. Eerst is er de belofte, dan het geloof, vervolgens het gevoel van Christus liefde en het smaken van de vrede en vergeving van zonden, waardoor de zaligheid begint.
Op dit punt komt het verschil tussen een sterk en zwakgelovige openbaar: Waar de toestemming zwak is, daar is ook de vertroosting zwak, zegt Erskine. Een zwak geloof heeft een sterke neiging om te blijven steunen op wettische gestalten. Zon ziel wil bijvoorbeeld nog graag goed kunnen bidden en oprecht kunnen zoeken, voordat het tot de Heere Jezus de toevlucht neemt.
De zekerheid van het geloof komt op uit het Woord. Alleen het Woord, alleen Christus in het Woord, in de belofte, in het betrouwbare Woord van de God Die niet liegen kan, biedt een zondaar grond om te geloven. Niets anders dan het Woord, geen innerlijke gestalte, zelfs geen innerlijk werk van de Heilige Geest, kan een vaste en zekere grond voor het geloof zijn. De zekerheid van het geloof richt zich op Christus vóór mij, de zekerheid van het gevoel richt zich op Christus ìn mij.

Kan zekerheid volgens Erskine ook worden verkregen door geestelijke bewijsvoering?
„Met kenmerken van het geloof is Erskine voorzichtig. In een ander boek zegt hij: Mijn eigen hart heeft me al duizend keer bedrogen, mijn tranen kunnen mij niet afwassen, mijn gestalten heiligen me ook niet, het is Christus Die ik hebben moet, Wiens bloed alleen mij wassen, reinigen en verkwikken kan. Daar gaan je kenmerken, denk ik dan.
Toch kan inwendige waarneming volgens hem wel helpen om te komen tot volle zekerheid. Maar het gaat daarbij wel om wezenlijke kenmerken, om kenmerken die dienen tot versterking. Wij klimmen zo graag vanuit de kenmerken op tot het geloof, maar Erskine ziet de kenmerken juist ontspringen aan het geloof, als vruchten, zoals een evangelisch berouw.
Is het geen kenmerk van geloof, zo vraagt hij, als Gods liefde ons hart vervult en als wij Zijn liefde door de gevoelige gunstbewijzen in ons hebben? Het gaat hem om het zien van Christus en, door Hem, de Vader. Erskine separeert nadrukkelijk op geloofskenmerken, de kennis van Christus en een evangelisch berouw, dat voortkomt uit het zien op Zijn wonden door onze zonden.

Er wordt nogal eens gezegd dat er weinig doorbrekend werk is en dat weinig mensen tot vastheid van hun staat komen. Heeft dat te maken met een aanbieding van genade aan mensen die voldoen aan een zekere mate van overtuiging en berouw?
„Dat heeft er naar mijn overtuiging alles mee te maken. In ons leeft de neiging om Christus van God te kopen met betaalpenningen, die we eerst bij Hem willen verdienen. Daarom moet de mensen worden aangezegd dat er uit hen niets anders meer voortkomt dan zonden en dat ze nu juist niets anders tot Christus hoeven te brengen dan zonden.
Dat laatste gebeurt alleen als de Heere Jezus aan alle hoorders van het Evangelie wordt aangeboden. En wat waren de Erskines hier meesters in! Ooit las ik van hen een heel krasse uitspraak: Beter geen Evangelie dan een voorwaardelijk Evangelie. Daar mogen we best eens over nadenken. Dat vrije, ruime aanbod, het recht om te komen op grond van het onvoorwaardelijke Evangelie. Dat alleen brengt hoorders tot geloof. Door zon prediking werkt de Geest en ga ik in de woorden van de voorganger luisteren naar de stem van Christus.

Hoe functioneert de wet in dit verband?
„De wet overtuigt ons ervan dat wij niets kunnen voortbrengen op grond waarvan God naar ons zou kunnen omzien, zodat we alle hoop op onszelf laten varen en niet langer in ons hart zoeken naar een recht om tot God te gaan. Als overtuiging de grond zou zijn voor ons om de toevlucht tot de Heere Jezus te nemen, zal niemand ooit gaan. Welke zondaar zal van zichzelf zeggen dat hij genoeg overtuigd is?
Vandaar dat je Erskine niet snel een vraag zult horen stellen in de zin van: Kent u uw zonde voldoende? Met zon vraag keer je ogenblikkelijk weer terug naar je eigen hart. Je probeert dan te voldoen aan de gestalte die je nodig denkt te hebben. Maar dat lukt je nooit en te nimmer. Dat is juist de wettische trek in ons. Iemand die erg met deze zaken tobde, stelde ik ooit de vraag: Hoeveel kennis van je zonden denk je te moeten hebben om tot Christus te komen? Hij wist het niet, waarop ik hem zei: Zoveel is genoeg dat je niet meer van Hem kunt wegblijven.

Toch kan juist bij een royale aanbieding van het heil, waarbij de Heere Jezus wordt gepredikt als het Lam Gods dat de zonden der wereld wegdraagt, het ongeloof krachtig opspelen.
„Erskine zegt dat het ontwaakte en overtuigde hart door de duivel en door zijn eigen arglistigheid het Woord van genade en geloof verwerpt, totdat God door de kracht van Zijn Geest het Woord doet lichten en de geest van de zondaar verlicht. Dan ziet hij dat het Woord der zaligheid tot hem is gezonden. Dan gelooft hij met een persoonlijke toeëigening. Hier heb je alles waar het om draait: een algemene aanbieding, die wordt verbijzonderd door de Heilige Geest, Die een mens volledig van zichzelf losmaakt en hem handen geeft om Hem te omhelzen.

Maar wat is dan de raad voor iemand die geen handen heeft?
„Ds. J.P. Paauwe, van wie ik veel gelezen heb en die mij doet denken aan de Schotse theologen, zegt in een preek: Kom dan maar zonder handen. En als je geen benen hebt, kruip dan maar. Alle verontschuldigingen slaat hij weg. Hij voegt eraan toe: Laat de tijd niet voorbijgaan, het kon de laatste keer zijn dat Hij voor u staat.

Hoe komt het nu tot een doorbraak?
„Alleen als de zondaar hoort dat Christus hem persoonlijk nodigt: Hij staat aan mijn hart en hij roept ook mij.

Als het geloof desondanks niet tot stand komt, zie je dat Erskine in laatste instantie uitwijkt naar de raad om de middelen waar te nemen. Gaat hij niet te ver als hij zegt: Geloof zo goed mogelijk, dan zal de Geest zich aan uw pogingen verbinden?
„Erskine gaat inderdaad ver. Hij bukt diep. Ergens anders zegt hij: Hoewel God niet verplicht is om met de pogingen van de natuur samen te spannen, zodanig is nochtans Zijn genade, liefde en goedwilligheid jegens de mens op aarde, zodanig is de kracht van Zijn begeerte naar onze zaligheid, zulk een welbehagen heeft hij in het zaligen van een zondaar, dat Hij onmiddellijk de arme, hulpeloze zondaar in zijn machteloze pogingen tot gehoorzaamheid, die Hij van hem vordert, te hulp komt.
Dit lijkt remonstrants, zou je zeggen. Maar je proeft het pastorale element: Erskine buigt zo diep, dat hij in een spanningsveld komt. Hij veroordeelt het ongeloof, ook het vrome ongeloof, als de grootste zonde. En toch heeft hij weet van de nood van iemand die niet kan en weet te geloven. Heel treffend zegt hij dan ook: O Heere, U weet dat ik geen kracht heb om gebruik te maken van de belofte, evenmin als dat ik een wereld scheppen kan, maar o, daar is de belofte van U, als een God van waarheid en macht, daarom zegt mijn hart: Amen, mij geschiede naar Uw woord.

Volgende keer: Godsdienstdocente mw. drs. C. Clements over de strijd rond de zekerheid in de 18e eeuw.

Dit artikel werd u aangeboden door: Terdege

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 13 oktober 1999

Terdege | 140 Pagina's

„Het geloof zegt amen op Gods betrouwbare belofte

Bekijk de hele uitgave van woensdag 13 oktober 1999

Terdege | 140 Pagina's

PDF Bekijken