Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Johannes à Marck

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Johannes à Marck

Een gereformeerde scholasticus

13 minuten leestijd

Generaties gereformeerde theologiestudenten werden in hun dogmatisch denken door hem gevormd. Vooral door zijn <I>Merch der christelijke godtsgeleertheit <P>oefende Johannes à Marck grote invloed uit. Toch verwierf dit theologisch handboek niet de plaats die de Redelyke Godtsdienst van Wilhelmus à Brakel zou verkrijgen. Bij À Marck ontbreekt de mystiek-bevindelijke gloed die het hoofdwerk van À Brakel kenmerkt. Dat is echter nog geen reden om hem een dode voetiaan te noemen.

Johannes à Marck werd geboren in Sneek, op 10 januari 1656. Ter oriëntatie: Voetius was toen de 65 al gepasseerd, Coccejus was 52 jaar oud en sedert 1650 hoogleraar in Leiden, Koelman was net afgestudeerd, Wilhelmus à Brakel was student in Franeker en Witsius studeerde in Utrecht.
Vader Willem à Marck was rector van de Latijnse school. Moeder Margaretha was een dochter van de Franeker hoogleraar Johannes Cloppenburch. Die was een vriend en vertrouweling van Voetius, maar stond tevens op goede voet met Coccejus, zijn collega aan de Franeker academie. Kennelijk kon in die tijd de ene vriendschap nog harmonisch met de andere samengaan.
Johannes voorname afkomst zal hem van meet af aan hebben gestempeld. Omdat zijn moeder hem al vroeg ontviel, werd zijn opvoeding toevertrouwd aan zijn grootmoeder, de weduwe van Johannes Cloppenburch. Toen hij veertien was, begon hij in Franeker aan de studie theologie en filosofie. Drie jaar later zette hij zijn studie voort in Leiden. In 1675 keerde hij naar Friesland terug, promoveerde tot doctor in de filosofie en de theologie en werd predikant in Midlum. Hoewel zijn promotie plaatsvond onder Nicolaus Arnoldi, was het toch met diens collega Herman Witsius dat de nauwste band ontstond. Witsius was in datzelfde jaar in Franeker tot hoogleraar benoemd. Op À Marcks theologische ontwikkeling heeft hij een belangrijke invloed uitgeoefend.

Hoogleraar
Een jaar na zijn promotie werd À Marck op de uitzonderlijk jonge leeftijd van twintig jaar tot het hoogleraarsambt geroepen. Op 15 september hield hij zijn inaugurele rede, getiteld Over de vermeerdering van de theologische wetenschap Om À Marck voor Friesland te behouden, had men een derde leerstoel gecreëerd, naast die van Witsius en Arnoldi. Na zes jaar moest Friesland de veelbelovende geleerde niettemin afstaan. À Marck, die inmiddels getrouwd was, aanvaardde een benoeming in Groningen. De oratie waarmee hij in Groningen inaugureerde, sneed een vreedzaam thema aan: Over de eendracht die onder theologen te bevestigen is. Desondanks geraakte hij er in een langdurige pennenstrijd met de coccejaans gezinde en door Cartesius beïnvloede Johannes Braunius.
Deze polemiek ging niet ten koste van zijn primaire werkzaamheden: studeren en doceren. Diverse publicaties waren daarvan het resultaat. In 1686, het jaar waarin zijn vrouw hem ontviel, verscheen zijn eerste dogmatiek: Didactisch-weerleggend uittreksel van de christelijke godgeleerdheid. Korte tijd later publiceerde hij studies op het gebied van de exegese, waaronder een gedegen analyse van Jesaja 53. À Marck was de overtuiging toegedaan dat leerstelligheid volledig genormeerd en gedragen moet zijn door de resultaten van grondig Schriftonderzoek. Hij schreef dan ook commentaren op diverse Bijbelboeken, zoals het Hooglied, Jesaja, de Kleine Profeten en het boek Openbaring.

Dode voetianen
Eind 1689 vertrok À Marck, inmiddels hertrouwd, naar Leiden, waar hij op 5 december inaugureerde met een professorale rede, getiteld Over de eerbied, verschuldigd aan de Heilige Schriften. De toen nog maar 33-jarige hoogleraar beschouwde Leiden als de bekroning van zijn academische loopbaan.
In Leiden deed hij een tweede, verbeterde druk van zijn dogmatiek het licht zien (1690). Omdat hij merkte dat dit werk te omvangrijk was om als leerboek voor de studenten te dienen, bezorgde hij er een samenvatting van, getiteld: Christianae theologiae medulla. In een later stadium leverde hij, ten dienste van geoefende christenen die geen Latijn verstonden, een Nederlandse (vrije) vertaling, onder de titel Het Merch der christelijke godtsgeleertheit.
Op 30 januari 1731 is À Marck in Leiden overleden. Vergeten werd hij echter niet. Vooral zijn Medulla speelde tot het eind van de achttiende eeuw een vitale rol in het academische godgeleerde onderwijs, uiteraard alleen bij de voetiaans gezinde docenten. Naast À Brakels Redelyke Godtsdienst is de dogmatiek van Johannes à Marck de laatste in voetiaanse zin. Toch is het verschil tussen beide dogmatieken beduidend. De dogmatiek van À Brakel fungeerde als stichtelijk leerboek vooral onder het kerkvolk, die van À Marck als academische stof primair onder de studenten. In de achttiende eeuw onderscheidde men echter méér dan een verschil in genre. Marckse en Brakelse voetianen vormden groepen van een diverse spirituele kleur. De Brakelse categorie werd wel aangeduid als levende voetianen, de Marckse als dode. Of het hoofdstuk over het geloof in Het Merch, waarop ik me in het volgende vooral zal concentreren, tot deze diskwalificatie van À Marck aanleiding geeft, kan uit de rest van dit artikel wellicht blijken.

Genadeverbond
Het hoofdstuk waarin À Marck het geloof aan de orde stelt, vormt in zekere zin een voortzetting van zijn exposé over het genadeverbond. Het geloof behoort tot de plichten van het genadeverbond. Hij haast zich echter om aan te tekenen dat men hierbij niet moet denken aan plichten die een mens op eigen kracht zou moeten vervullen. Het verbond kan immers nooit rusten op de onzekere factor van menselijke inbreng en conditie, maar heeft de onvoorwaardelijke geldigheid van een testament, zodat het beloofde goed de erfgenamen niet kan ontgaan.
Hoe staat het dan met de onopgeefbare gehoorzaamheid aan Gods Wet, zoals het werkverbond die eiste? Ziet God in het genadeverbond van deze bepaling af? In geen geval. Ze is niet opgeheven, maar overgeheveld op de Borg, Die haar vervuld heeft. Dit neemt niet weg dat À Marck eraan vasthoudt dat alle bondgenoten verplichtingen hebben. Het behoort nu eenmaal tot de aard van een verbond dat het behalve een eenzijdige, testamentaire kant ook een tweezijdige, contractuele kant heeft. Alleen, het betreft plichten die de bondelingen slechts volbrengen door Gods Geest en genade. Het blijft overigens opmerkelijk dat À Marck eerst de plichten van het verbond behandelt en daarna pas de weldaden ervan. Wellicht vormt dit een indicatie dat À Marck zich wil wachten voor de schijn van lijdelijkheid. Gods genade schakelt de menselijke werkzaamheid niet uit, maar in.
Geloof en bekering
De plichten van het verbond bestaan volgens À Marck voornamelijk uit geloof en bekering. Over de volgorde van beide wil hij niet twisten. Hij acht ze door eene onderlinge Vermenginge onafscheidelijk aan elkaar verknocht. Dit belet hem niet om zijn uiteenzetting over deze tweevoudige plicht te beginnen met het geloof. Bovendien wijdt hij daaraan bijna dertig paginas, tegen slechts vijf aan de bekering.
À Marcks motief daarvoor zou kunnen zijn dat de bekering alleen dàn een oprechte bekering is, als ze Evangelisch en níet Wettisch van aard is. Zonder dat hij deze termen expliciet verheldert, bedoelt hij daarmee naar mijn inzicht dat waarachtige bekering en droefheid naar God geen vrucht zijn van wettische dienstbaarheid, maar van genadige kennis aan het Evangelie. In de vervlechting van geloof en bekering komt aan het geloof het logische primaat toe. Al laat À Marck zelf deze kwestie onbesproken, zijn zienswijze tendeert in deze richting. De hoofdzaak is voor hem dat geloof en bekering samenhangen en samengaan. Hij begint dus met het geloof. Gelijk doorgaans geschiet, voegt hij er eenvoudig aan toe.
Hoe schept de drieënige God dit geloof? Op een reedelijke wijse, antwoordt À Marck om te beginnen. Daarmee bedoelt hij niet dat men dit geheimenis met de rede zou kunnen verklaren, maar wel dat een mens er met al zijn faculteiten in wordt betrokken. Uiterlijk komt de schepping van het geloof ten eerste tot stand door het horen en lezen van het Woord, vervolgens door de sacramenten die het Woord bevestigen en die het geloof dermate voeden dat zelfs dikwijls des selfs eerste Teelinge daar aan toe te schrijven is(!), en ten slotte door zegeningen en oordelen waarmee God Zijn roepstem kracht bijzet. Dat is dus wat À Marck de uiterlijke wijze noemt. De voornaamste manier acht hij echter van inwendige aard. Met deze innerlijke werking doelt hij op de verlichting van het verstand en de onderwerping van de wil door het werk van de Heilige Geest.

Toestemming
De uitvoerigheid waarmee À Marck de daden van het geloof behandelt, duidt op de betekenis die hij daaraan hecht. Volgens hem zijn de daden van het geloof drieërlei. Misschien kan men nog beter spreken van één daad met drie facetten. In de logische doordenking zijn ze te onderscheiden, maar in de concrete ervaring niet te scheiden. De eerste daad is de kennis. Daardoor gaan we de Schriftuurlijke leer van het Evangelie eenigermaaten bevatten. Het betreft een kennis die de gelovigen door haar soetigheit aanzet tot eene geduurige Voortgang in een neerstich leesen en hooren des Woorts en sorgvuldich betrachten van alle andere Middelen.
De tweede daad van het geloof is de toestemming. In beschouwende zin met het verstand. We houden met een stellige toestemming alles voor waar wat God ons heeft geopenbaard. Maar dit niet alleen. We houden de beloften van het Evangelie daarenboven voor goed. Vooral in dit verband blijkt dat À Marck de volle nadruk legt op de zekerheid die het geloof naar zijn wezen eigen is. Omdat het steunt op de onfeilbaare waarheit Gots! Onder deze zekerheid van de toestemming met het verstand verstaat À Marck overigens niet de zekerheid dat de zonden vergeven zijn, maar het vertrouwen dat de vergeving ook mij te beurt zal vallen indien ik waarachtig geloof.
Deze beschouwende toestemming is onlosmakelijk verbonden met wat door À Marck genoemd wordt de werkzame toestemming of omhelsinge van het geloof. Die acht hij de eigenlijke en voornaamste geloofsdaad, omdat het déze toestemming is waarmee Gods rechtvaardigende vrijspraak wordt omhelsd. Ze geschiedt niet zozeer door het verstand als wel door de wil. Christus wordt hierin persoonlijk toegeëigend als ònze gerechtigheid.

Vrede
De derde geloofsdaad die À Marck noemt, is de Besondere en Seekere Toepassinge van de beloften des Evangeliums. Het verschil met de genoemde tweede daad is dat dáárdoor de gerechtigheid van Christus direct en metterdaad wordt aangegrepen, terwijl dit derde aspect ziet op de reflexieve zekerheid, ofwel op de vertrouwende toepassinge dat de vrucht van de directe geloofsdaad, namelijk de vergeving der zonden, ons deel geworden is. Dit geeft vrede, vrijmoedigheid en gerustheid in het geweten.
In tegenstelling tot veele Niewe Leeraaren onder de gereformeerden houdt hij het er met de Heidelbergse Catechismus en met de meeste Oudere Gotgeleerden (de reformatoren?) op dat dit toeëigenend vertrouwen niet slechts een gevolg is van het geloof, maar tot het wezen van het geloof behoort. Hij weet wel dat dit vertrouwen niet altijd even sterk is en soms zelfs kan ontbreken (door aanvechtingen van de satan en beschuldigingen van de Wet), maar dit neemt volgens hem niet weg dat de gelovigen van hun geloof in Christus verzekerd kunnen en ook moeten zijn.
Dienen
À Marcks wetenschappelijke benadering biedt maar zelden spirituele, praktisch-bevindelijke handreikingen. In dit opzicht doet zich een aanzienlijk verschil voor met de praktisch-pastorale dogmatiek die ruim een decennium later het licht zou zien en die het wat betreft populariteit onder het gereformeerd-piëtistische volksdeel zou winnen: de Redelyke Godtsdienst van Wilhelmus à Brakel (1700). Die is er veel vaker en uitdrukkelijker op uit om zijn lezers in hun pastorale gewetensvragen tegemoet te komen.
Wie À Marck leest, waant zich in de collegezaal. Onder de lectuur van À Brakel zit men nu eens in de academie, dan weer in de kerk, of op gezelschap. À Marck brengt de leer in kaart, À Brakel brengt die naar het hart. Wat À Marck amper vertoont, is bij À Brakel schering en inslag, namelijk een mystiek-bevindelijke gloed die zijn geschrift doortrekt.
Mijn evaluatie zou aanleiding kunnen geven om de scholastieke À Marck tegen de eveneens scholastieke, maar tevens piëtistische À Brakel uit te spelen. Hiervoor zou ik allerminst willen pleiten. Men mag zijn voorkeur hebben als het over Marckse en Brakelse voetianen gaat, maar de eerste categorie tot dode voetianen te bestempelen, gaat niet aan. Ook À Marck had, zij het impliciet, de toerusting van de gemeente op het oog. Soms blijkt dit expliciet, zoals wanneer hij zijn uiteenzetting over de zekerheid die het geloof ondanks alle bestrijdingen eigen is, afsluit met de pastorale verklaring dat men met zijn pleidooi voor geloofszekerheid genoechsaamlijk een geloovige ziele gerust kan stellen. Ook À Marck begeerde met zijn leerstellige doordenking het geestelijke leven te dienen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 8 mei 2002

Terdege | 120 Pagina's

Johannes à Marck

Bekijk de hele uitgave van woensdag 8 mei 2002

Terdege | 120 Pagina's

PDF Bekijken