Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN KWESTIE VAN TAAL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

EEN KWESTIE VAN TAAL

8 minuten leestijd

C. A. Tukker

Aan het tweede nummer van de zestiende jaargang van Theologia Reformata heeft drs. A. van der Kooij een bijdrage geleverd, getiteld Een nieuwe benadering van het Oude Testament. Daarin uit de schrijver zijn bezw^aren tegen de thema's, rondom welke de visie van dr. Van der Werf e.a. op het Oude Testament, en eigenlijk op de gehele Schrift, draait. Nu heeft hij zijn bezwaren voornamelijk tegen de hantering van deze visie als albeslissend, te meer omdat zij naar de mening van de scribent op sommige wezenlijke punten mank gaat. Hij begint met de canonvorming en stelt dat eerst rond 90 na Christus het Oude Testament een gesloten structuur had, omdat in Jamnia (90) de beslissing viel over het canoniek karakter van de Geschriften. Toen was het Nieuwe Testament reeds gevormd. En nu bestrijdt drs. Van der Kooij het dr. Van der Werf e.a. op grond van deze feiten, dat de driedeling van het Oude Testament in het Nieuwe reeds gehanteerd werd.

Ik meen echter dat er meer aan de hand is. Wanneer men de vraag, of ook het Nieuwe Testament met dezelfde driedeling te hanteren is als het Oude Testament, bevestigend of ontkennend beantwoordt, dan zal dat toch mede afhangen van de vraag in hoeverre de synagoge in de tijd van Jezus en de ajjostelen de Geschriften al dan niet met gezag heeft gebruikt. En het zal er nog meer van afhangen, hoe het staat met Oudtestamentische citaten in de Nieuwtestamentische geschriften.

Daarbij moet bovendien nog bedacht worden dat over het karakter van de Geschriften ten opzichte van Thora en Profeten, en hun eventuele plaats in de heilige Schrift, niet gezwegen is na 200 vóór Christus, toen Thora en Profeten een afgesloten geheel vormden. En tenslotte moet bij een verstrekkende vraag als drs. Van der Kooij aan dr. Van der Werf c.s. stelt: waarom moet de heilshistorische lijn op het altaar van de driedeling van de canon geofferd worden? , wel bedacht worden dat drs. F. H. Breukelman, van wie velen en ook ik zoveel geleerd hebben, en die te onzent de instigator en ontwerper van deze bestudering der Schrift is, bij mijn weten nimmer aanleiding heeft gegeven tot de gedachte aan zulk een „opoffering". Vruchtbaarder lijkt mij, wanneer de oudtestamentici verder spreken met de theologen die deze nieuwe benadering beoefenen, over de relatie tussen geschiedenis en heilsgeschiedenis binnen de canon.

Maar nu dan de hoofdschotel: de kwestie van taal en vertalen. Medunkt dat binnen de christelijke Kerk niemand vreemd opkijkt van de uitspraak dat het Oude Testament een eenheid is, als het ware door één schrijver geschreven. En wat mij betreft, mogen die woorden „als het ware" dan ook nog weggelaten worden. Daarnaast staat - of daarin is begrepen - dat verschillende schrijvers uit verschillende tijden en milieus gewerkt en geschreven hebben. Maar nu komt de kwestie: welke bijdrage levert die veelheid van tijden en milieus aan de hermeneutiek van het Oude Testament nu? Welke bijdrage levert bijvoorbeeld die veelheid, wanneer Psalm 22 vers 1-3 en Mattheüs 27 vers 46 geëxegetiseerd worden? Nu dacht ik dat die benadering die grote waarde hecht aan motief-en themawoorden inclusief aandacht voor etymologische herleiding, de oudtestamenticus met betrekking tot Psalm 22 en de nieuwtestamenticus met betrekking tot Mattheüs 27 veel nader tot elkaar brengt en vruchtbaarder doet samenwerken dan hulpwetenschappen als taalgeschiedenis en stylistiek ooit kunnen bewerken. Wanneer aan de ene kant gezocht wordt naar de verbanden, die men oorspronkelijk in de Oudtestamentische verhalen hoorde, en wanneer men anderzijds bang is voor het gevaar dat mensen via etymologische achtergronden veel te veel in de hebreeuwse woorden horen, dan vraagt degene die in de verkondiging werkzaam is zich af: wat is toch de bedoeling van de hulpwetenschappen bij de bestudering van bijbelse texten? Met name de bestudering van de verhouding tussen de beide Testamenten in het geheel van de Schrift zal ons van veel onvruchtbaar zoeken in deze kwesties afhelpen.

Tenslotte: drs. Van der Kooij ziet de dreiging van het gevaar dat in deze nieuwe benadering - zoals hij die noemt - het hebreeuws als een exclusieve taal wordt beschouwd. Het is echter evenzeer, grammaticaal en syntactisch, een semietische taal als de andere. Direct accoord. Maar het gaat ook niet om hèt hebreeuws; of om verschillende taalvelden binnen de ontwikkeling, contemporain-geografisch of chronologisch, van de hebreeuwse taal. Het gaat om dit hebreeuws, om déze taal, om déze heilige en Goddelijke Schrifturen. Ik herinner me dat drs. Breukelman een lezing hield voor Amsterdamse studenten en de vraag aan de orde stelde: is het hebreeuws van de Jacobsverhalen dezelfde taal als die gesproken werd op de markt van Be'er Sheba? Die kwestie dient onderwerp van gesprek te zijn. Zoals bij de kwestie van het horen van verbanden door rabbijnen heel fundamenteel is de wijze waarop de joodse tradities in het vroegchristelijk tijdperk het christendom afwezen en aanvielen, en omgekeerd het Nieuwe Testament „anti-joods en pro-Israël is over de gehele linie", om nogmaals drs. Breukelman aan te halen.

Ik kan me voorstellen dat Buber na de Verdeutschung der Preisungen deze woorden schreef: „Die hebraische Bibel will als Ein Buch gelesen werden, so dasz keiner ihrer Teile in sich beschlossen bleibt, vielmehr jeder

auf jeden zu offengehalten wird; sie will ihrem Leser als Ein Buch in solcher Intensitat gegenwartig werden, dasz er beim Lesen oder Rezitieren einar gewichtigen Stelle die auf sie beziehbaren, insbesondre die ihr sprachidentischen, sprachnahen oder sprachverwandten erinnert und sie alle einander erleuchten und erlautern, sich miteinander zu einer Sinneinheit, zu einem nicht ausdrücklich gelehrten, sondern dem Wort immanenten, aus seinen Bezügen und Entsprechungen hervortauchenden Theologumenon zusammenschlieszen. Das ist nicht eine von der Auslegung nachtraglich geübte Verknüpfung, sondern unter dem Wirken dieses Prinzips ist eben der Kanon entstanden, und man darf mit Fug vermuten, dasz es für die Auswahl des Aufgenommenen, für die Wahl zwischen verschiedenen Fassungen mitbestimmend gewesen ist".

Geldt het voor het Nieuwe Testament anders? Zo komen er m.i. inderdaad theologumena naar voren, en het is de vraag of daar enige andere methode zo overtuigend toe kan dienen.

Enkeie opmerkingen bij „Een kwestie van taal"

In verband met het feit dat de rabbijnen: (niet de kerk) in 90 n. C. de canon van het O.T. voor zover nog noodzakelijk vaststelden, kan men stellen dat de z.g. Geschriften voor die tijd al wel gezag zullen hebben gehad (bijv. vooral de Psalmen). Maar het blijft een feit dat vóór 90 uit meer geschriften inspiratie opgedaan werd dan uit de in 90 gecanoniseerde (zoals blijkt in Qumran en het N.T.).

Mijn vraag: waarom moet dan de heilshistorische lijn op het altaar van de driedeling van de canon geofferd worden, is bewust uitdagend geformuleerd, gezien de belangrijkheid van de kwestie. Wat drs. Breukelman in dit verband meent, is mij onbekend. Ik kwam tot deze opmerking, omdat dr. Van der Werf c^s. een kloof tussen Deuteronomium 34 en Jozua 1 laten vallen (zie Kerk en Theologie, 23 (1972), blz. 138 (midden); zie ook mijn artikel. M.i. hechten dr. Van der Werf c.s. veel te veel waarde aan de structuur van de joodse canon.

De hoofdschotel: s het Oude Testament als het ware door één schrijver geschreven? Dit is een belangrijke kwestie. M.i. ontmoeten we in het Oude Testament verschillende schrijvers uit verschillende tijden en uit verschillende milieus. Meer nog: r zijn ook theologische verschillen tussen de schrijvers aan te wijzen (bekend is 2 Sumuël 24 : 1 en 1 Kronieken 21 : 1; vgl. ook Jesaja 2 : 4 en Joel 3 : 10). Het lijkt me tegenover de teksten niet eerlijk, deze en andere verschillen te verdoezelen. Ik 'ontken niet dat er een continu element in de teksten ligt, maar mijn probleem is: oe ontwerpen we een hermeneutiek die zowel het continue alsook het historische element, het tijdbepaalde element van „theologieën" van schrijvers honoreert?

Wat nu ten aanzien van Psalm 22 : 2 en Mattheüs 27 : 46? In Psalm 22 bidt een gelovige Israëliet in nood. Vers 2 wordt door Jezus in de mond genomen, omdat het in zijn situatie past (analogie van situatie). Zo kan het naar mijn idee ook nu gebeuren, dat een gelovige in grote nood Psalm 22 bidt, waarbij hij troost mag putten uit het feit, dat Jezus Christus zich ook in een dergelijke situatie bevonden heeft.

Tenslotte: de kwestie van taal. Kan men het hebreeuws van het Oude Testament als een bijzondere, „heilige" taal beschouwen? Bestaat er dan een religieuze taal, nl. het hebreeuws, die tot en met de woordvolgorde „uitverkoren" is, zodat men concordant vertalen moet? Is het hebreeuws van de Jacob-verhalen dan een andere taal dan het hebreeuws gesproken op de markt van Bc'er Sheba?

A. van der Kooij

Noot van de redactie: De vraag: hoe de uitdrukking „de bijbel Gods Woord" te vullen, blijft in discussie. De redactie meent dat het belijden der Kerk bij deze discussie mee moet blijven spreken. Zij laat de reactie van drs. Van der Kooij voor zijn rekening, met name zijn visie op de Schrift en op de plaats van Christus en de Geest in Gods heilsopenbaring, voor zover deze visie zich hier laat vermoeden.

Dit artikel werd u aangeboden door: Theologia Reformata

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1973

Theologia Reformata | 96 Pagina's

EEN KWESTIE VAN TAAL

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1973

Theologia Reformata | 96 Pagina's

PDF Bekijken