Bekijk het origineel

THEOLOGIE EN SCHOLASTIEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

THEOLOGIE EN SCHOLASTIEK

34 minuten leestijd

DE SYNOPSIS PURIORIS THEOLOGIAE ALS THEOLOGISCH DOCUMENT II

C. A. Tukker

Sepp heeft een formele en inhoudelijke vergelijking getroffen tussen de verschillende drukken van de Leidse Synopsis purioris theologiae en is tot de conclusie gekomen, dat er geen verschil bestaat tussen de eerste en de tweede druk van 1625 en 1632, terwijl de derde uitgave, die van 1642, wel op de titelpagina de woorden draagt: editio tertia, prioribus emendatior, doch dat dit alleen op zuivering van drukfouten kan zien. De vierde en vijfde druk, respectievelijk van 1652 en 1658, vormen een nieuwe oplage, hetgeen nog niet impliceert dat de stof van de disputationes is veranderd^. Dit kan ook moeilijk geschied zijn, omdat - gelijk eerder vermeld - toen alle auteurs reeds overleden waren. In 1881 bezorgde H. Bavinck een zesde uitgave, naar het voorbeeld van de eerste, terwijl in 1964 D. van Dijk een proeve van vertaling in het Nederlands het licht deed zien.

Wat het verspreidingsgebied betreft, heeft Sepp wel veel aandacht besteed aan ons eigen land, doch nauwelijks gerept over andere landen en academies. Ongeveer hetzelfde geldt van G. P. van Itterzon^. Met zekerheid valt te zeggen dat Amesius in zijn Medulla theologica van 1623 in menig opzicht overeenkomt met de Synopsis, hetgeen ons niet verbaast wanneer wij bedenken dat hij vóór zijn benoeming te Franeker, privatim dogmatiek doceerde te Leiden^. Maresius, de eerste promovendus na de zuivering van de Leidse academie, heeft zich als Gronings hoogleraar voor zijn Xenia academica van 1650 en voor zijn Tractatus de afflicto statu studii theologici van 1672 van de Leidse Synopsis bediend*. Tevoren reeds vermeldden wij, dat zijn Collegium theologicum inhoudelijk nauwelijks afweek van de Synopsis.

In Zwitserland zoeken wij de Synopsis als leerboek tevergeefs, evenals in Ulster met zijn oude Magee-coUege. Wat Engeland en Schotland betreft, telt de British Museum Library de eerste drie uitgaven en de National Library of Scotland te Edinburgh die van 1632 en 1642, terwijl de Edinburgh University Library de eerste druk van 1625 bezit en ook te Aberdeen

en St. Andrews het werk aanwezig is in de universiteitsbibliotheken. Op grond van deze en andere gegevens kan men echter nog niet stellen dat het boek ook werkelijk gefunctioneerd heeft als hand-en leerboek^.

Hetzelfde geldt voor Frankrijk. Het amiyraldisme in Saumur en de activiteit van John Cameron sedert 1624 in Montauban maken het onwaarschijnlijk dat de Synopsis daar als enchiridium studiosis theologiae suave et commodum, zoals Bavinck het werk typeert, is gebruikt. Bovendien ontbreekt elk feitelijk gegeven daartoe bij G. de Felice^ en P. D. Bourchenin^. Zo geldt dat ook de overige academies, van wie die van Sedan en Orthez de meeste waarschijnlijkheid in zich hebben, dat de Synopsis daar in elk geval bekend was.

Sedan vormde immers academisch gesproken een concentratie van levende krachten van het calvinisme, met daaronder een door de eerste groep bestreden minderheid die openstond voor nieuwe ideeën. Bovendien waren er voortdurend relaties tussen de Kerk van Sedan en die in ons land met een duideüjke wederzijdse belangstelling, met name ook wat de beslissingen te Dordrecht betreft^. Voegen wij hieraan toe dat Rivetus' zwager Pierre Dumoulin er precies in de gloriedagen van de Synopsis, namelijk van 1621 tot 1658 hoogleraar geweest is en eerder genoemde Maresius van 1624 tot 1636, dan is het gezien beider sympathie niet onwaarschijnlijk dat de Synopsis er bekend was en benut werd. Of het moet zijn dat, evenals een soortgelijke verzameling in Saumur en mogelijk naar voorbeeld van de Synopsis, de Thesaurus theologiae Sedanensis deze plaats innam; een werk waarin onder andere 111 theses van Dumoulin en 4 van Maresius zijn gepubliceerd'1'9.

Wat Orthez betreft, is het bekend dat in de 17e eeuw aan de academie een richtingsstrijd heeft gewoed, die met het amyraldisme samenhing en die volgens Bourchenin met grote aandacht van Zwitserland en de Nederlanden uit gevolgd werd, zonder dat hij daar preciezere gegevens over biedt'i'O. Dus tasten wij in het donker, warmeer wij willen aantonen in welke zin de Synopsis aan contemporaine academies is gebruikt en waar zulk gebruik aanvkdjsbaar is.

Ook de restanten van inventarissen, matrikellijsten etc. van Heidelberg en Herborn bieden ons geen steun wat betreft het gebruik van de Synopsis^^.

Bavinck heeft in zijn praefatio het purioris uit de titel van de Synopsis, geheel in de lijn van de opdracht der samenstellers aan de Staten, laten slaan op de overwinning van de Gereformeerde Kerk en theologie op de Remonstranten en hun dwalingen, maar er tegelijk op gewezen dat ook „cetera heterodoxa placita" worden afgewezerii'2. Men kan aan zijn bewering nog toevoegen dat het vooral het socinianisme en de heersende doperse meningen en rooms-katholieke theologie uit de tweede helft van de zestiende en het begin der zeventiende eeuw zijn, die het moeten ontgelderii'3.

Niet alleen in de samenstelling van de inhoud, doch ook in zijn polemisch en apologetisch karakter vertoont het werk een beeld dat eerder dat van de confessio dan die der (latere) dogmatische handboeken benadert. Zulks is niet buiten de bedoeling der auteurs om.

Ten eerste was er tot in de tweede helft der zeventiende eeuw binnen de theologie geen sprake van duidelijk omlijnde, verschillende disciplines met de pretentie van en eis tot beoefening van objectieve wetenschap. De auteurs van de Synopsis kwamen vrijmoedig op eikaars, of beter gezegd: op het algemene terrein van de theologie. Polyander mocht dan exegese Nieuwe Testament geven, getuige het curriculum dat hij bij de inauguratie van Hommius en Sinapius tot het Staten College voorlas'i'^, en Thysius met Rivetus Oude Testament, terwijl aan Walaeus dogmatiek (loei communes) was voorbehouden, in feite gaven allen naar de aard van de tijd exegese en dogmatiek. Alleen nieuw onderzoek, zoals Rivetus' isagogiek en Walaeus' werk aan het Collegium Indicum, vormde werkelijk iets anders.

Ten tweede werd de theologie op een niet-onpartijdige wijze beoefend: dit is mede een reden waarom Sepp niet uitkomt met Polyanders vredelievenheid in de praktijkis. Het niet-onpartijdige, bewuste staan van deze vier in de moeiten, twisten en scheuringen van de godsdienstige zeventiende eeuw in de Nederlanden geeft aan de Synopsis het karakter van een handboek naar het snit van een confessie, door de schrijvers zelf „panharmonia" genoemd, die tevens moest dienen tot vrijwaring van de faculteit tegen verdachtmakingen van heterodoxie, welke het aantal studenten lange tijd had doen teruglopen. Horen wij wat de samenstellers zelf zeggen over het vooropgezette doel van hun werk.

Er zijn, zo begint hun opdracht aan de Staten, twee vastigheden voor de christelijke staat, namelijk de Waarheid en de Vrede. De eerste is conditio sine qua non, de tweede is slechts voorwaarde waar vrede gehouden kan worden en waar de waarheid ermee gediend is. Dan volgt een overzicht van de strijd voor vrijheid van staat en godsdienst, waaruit ook deze academie „omnium scientiarum, sed imprimis divinae" in het leven geroepen is. Nadat de dwaasheden van heterodoxe overtuigingen verwijderd zijn, hebben de Staten niet slechts de theologia orthodoxa geheel hersteld (sic!), maar ook door hun oordeel aan dat van Dordrechts synode te paren, die orthodoxe theologie in vrijheid gesteld en op een vurig begeerde hoogte geplaatst. Het „seminarium Ecclesiarum nostrarum" is de Staten hiervoor zoveel dank verschuldigd, dat om zulks openbaar te bewijzen de vier hoogleraren dit monumentum, namelijk de Synopsis aan hen opdragen, en het aan allen voorstellen , , sub vestro nomine spectandam et ad Lydium Sacrae Scripturae lapidem examinandam". Met de volgende doeleinden:

„tum ut totus terrarum orbis vos acerrimos et constantissimos illius esse defensores hinc cognoscat". Krijgen we uit de vorige regels te verstaan dat eerder dan dat de theologische faculteit dit werk presenteerde in plaats van een ondertekening hunnerzijds in de zin van de Zuidhollandse synode, de samenstellers, alias schrijvers het uit dankbaarheid aan de Staten tot bewijs van der Hoogmogende Heren rechtzinnigheid (, , vestro curam ac vigilantiam") opdroegen - uit deze bijzin kan men aflezen dat het werk ook als een testimonium voor de orthodoxie van Heren Staten gebezigd isi6.

Waartoe nog meer dit boek? „Tum, ut sacrarum litterarum candidati fidei nostrae commissi, in studiorum suorum cursu hanc Cynosuram oculis suis lustrent ac sequantur". De vier hoogggeleerden hebben dus in de eerste plaats aan de studenten gedacht, die aan hun zorgen waren toebetrouwd. Ten derde dient dit werk „ut quibuslibet certo constet de fidei ac sententiae nostrae panharmoniae, mutuoque super omnibus sacrae religionis capitibus consensu". Waarbij zij allerminst twijfelen, of ook de predikanten zullen er hun nut van hebben en er dankbaar voor zijn, dat op gezag der Staten de vuren der onenigheid zijn gedoofd en „non minus in nostrae academicae pulpitis, quam in templorum cathedris" zij de Waarheid en de Vrede weer zullen zien naar de woorden van koning David, de profeet in Psalm 85. Met een verzoek tot welwillende acceptatie van dit werk en met een zegenbede eindigt hun opdrachti'^.

Wat nu de internationale context van de Synopsis aangaat, richten wij ons naar het eerste doel, dat de schrijvers zich stelden: „Totus terrarum orbis" moet uit dit werk de Staten leren kennen als zeer vehemente en standvastige verdedigers van de theologia purior. Wijst iets uit de inhoud op invloed uit andere landen of op een bewust bedoeld internationaal verspreidingsgebied?

In elk geval is de Synopsis voortdurend met de gehele theologie in discussieis. Om een aantal voorbeelden te noemen: in disputatio IV - over de volmaaktheid der Schrift etc. - worden met grote klem het geschrift van Bellarminus De Verba Dei non scripto, verschenen in het kader van het eerste decreet in de vierde sessie van Trente, en Stanislaus Hosius' schriftelijke aanval op Brenz, getiteld De traditionibus afgewezen'i'S, terwijl in de achtste disputatio - over de Persoon van de Vader en de Zoon - een unfaire, zij het door Bellarminus goed gemaakte aanval van de Jezuïeten op Calvijn terzake van het autotheos-zijn van de Zoon in het spoor van Genebrardus aan de kaak wordt gesteld^".

Met instemming wordt Bellarminus aangehaald in disputatio XI - over de voorzienigheid Gods - bij Zijn concursus ten opzichte van het malum.2'1'. Zoals in disputatio XV - over de erfzonde - Thomas van Aquino en Cajetanus als kroongetuigen optreden voor de „saniores scholastici", die erkennen dat de erfzonde een verstoring is, van die harmonie, waarin de oorspronkelijke gerechtigheid gelegen was^s. Mag Bellarminus' werk De amissione gratiae mèt Tappers gevoelen, in deze disputatio niet in de gunst vallen23, dJt neemt niet weg dat hij eni Lorinus „et ipse Jesuita"24 wel als getuigen worden aangehaald in disputatio XIX - over de idolatrie . om aan te tonen dat dit begrip niet een verkleinwoord is, waardoor de aandacht van de beeldendienst wordt afgeleid, doch juist door zijn samengesteld karakter de beeldendienst onderstreept25. Zoals Bellarminus' geschrift De imaginibus Rivetus in deze zelfde disputatio het bewijs levert, dat Rome de beelden niet ter versiering van kerken of als modellen van historisch onderricht, doch als voorwerpen van aanbidding wil laten functioneren26.

Hierna toont Rivetus aan hoe Bellarminus in zijn beschuldiging van Cajetanus als drijver van spitsvondigheden zelf niet vrijuit gaat, daar hij zogoed als anderen, onder wie Martinus Peresius Ajala^'', verward raakt in zijn eigen subtiele onderscheidingen tussen verering Gods en verering van beelden en andere religieuze voorwerpen^s.

Thysius haalt met instemming in disputatio XXI bij de ethymologie van de sabbath Scaliger aan29 en veroordeelt op het eind van de disputatio sormnige anabaptisten vanwege hun vrijheidsgevoelen inzake de viering van de zondag^", en een groep niet nader genoemde scholastici et pontificii, die de overgang van sabbath naar zondag niet absoluut nemen^'i'.

Wat de verhouding tussen Wet en Evangelie aangaat, wraakt Polyander in disputatio XXII - over het Evangelie . het gevoelen van Petrus Lombardus, Thomas Aquinatis, Duns Scotus, Gabriel Biel en Bellarminus, dat door Christus een nova lex gegeven is, die veel volkomener, uitnemender en strenger is dan de vroegere wet^s^ terwijl de socinianen het moeten ontgelden in hun onderscheiding tussen tweeërlei soort bevelen van Christus^s en ook waar zij beweren dat Christus sommige geboden onder geheimhouding aan Zijn apostelen heeft gegeven^*.

Rivetus is terzake van de verhouding tussen Oud en Nieuw Testament bepaald scherp, wanneer hij hen die Israël in geen enkele betrekking tot Christus en Zijn heil zien staan, ervan beschuldigt dat zij met de onzuivere Servet niet anders over het Israëlietische volk oordelen dan over de varkens van Epicurus' kudde^s. Evenzeer worden zij afgewezen, die de oorzaak der zaligheid zoeken in de onderhouding van Mozes' zowel als van Christus' geboden, hoewel Rivetus hen niet met name noemt noch als groep typeert36. Zijns ondanks heeft Bellarminus in zijn boek De justificatione terecht de hoofdsom der Wet van Christus in die zin geïnterpreteerd, dat Christus niets wil toevoegen aan de lasten der Wet, doch juist de corruptelae van Schriftgeleerden en Farizeeërs heeft willen wegnemen^'^. Intussen zoeken de pontificii en de socinianen tevergeefs te bewijzen uit Mattheüs 5-7 dat Christus de zedewet heeft opgeheven door het Evangelie, respectievelijk haar heeft geëmendeerd^s.

In disputatie XIV - over de goddelijke predestinatie - wordt met een beroep op Calvijn en Beza het begrip van de absolute macht en wil Gods verworpen, zoals dat door scholastici is uitgedacht en waardoor Zijn gerechtigheid van Zijn wil of heerschappij wordt gescheiden^^. Disputatio XXV - over de vleeswording van de Zoon van God - verwerpt aan het slot, onder de anitheses, de anabaptisten, mennonieten, schwenckfeldianen en ubiquitariërs m^et hun leer van de hypostase van goddelijke eigenschappen^o^ en „infaustus ille Faustus Socinus" met zijn afwijzing van de fines incamationis*!'. Zoals dezelfde Socinus in disputatio XXVI - over het ambt van Christus - bij zijn ontkenning van de satisfactie „impius et infaustus Socinus" heet'*2. Evenzeer dwalen de leerlingen (!) van Osiander, die slechts aan Christus' Goddelijke natuur Zijn Middelaarsambt toekennen43, en ook de pontificii die in het spoor van Bellarminus alleen Christus' menselijke natuur het formeel beginsel van Zijn handelend optreden achten^^.

Ons verbaast uiteraard niet dat disputatio XXVIII - over de staat der verhoging van Christus - gedurig zich teweer stelt tegen de ubiquitariërs*^, doch het is wel vermeldenswaardig dat in disputatio XXXI - over het geloof en de volharding der heiligen - niet Arminius maar Socinus met , , Pelagius redivivus" bedoeld wordt^^. Overigens is bekend dat zeer veel ketters in de zeventiende eeuw met de typering „socinianen" werden bestempeld. Wat het berouw aangaat, in disputatio XXXII wordt de contritio met betrekking tot de genade onderstreept tegenover Trente's definitie van boete47. Bovendien trekt Walaeus hier te velde tegen die wederdopers, die leren dat „peccatores extra, non intra ecclesiam poenitentiam agant^^. Aan disputatio XXXIII - over de rechtvaardigmaking . wordt een complete antithesis pontificia et sociniana van ettelijke bladzijden toegevoegd*^, terwijl mirabile dictu bij alle verwijten die de pontificii over de goede werken in disputatio XXXIV te horen krijgen, zij zelf als getuigen worden aangehaald voor het onderscheid tussen de absolute opera pietatis lege Dei imperata en de art> itraire monaöhorum vota^o.

Bij de waardering van de Wet zijn ook de antinomianen betrokken; een verzamelbegrip van hen, tegen wie Rivetus in disputatie XXXV Bellarminus met succes aanvoert^'!', hoewel de ongenuanceerdheid in Bellarminus' mening dat elke wet, door God, door een engel of door een mens gegeven, op gelijke wijze verplicht, op dezelfde plaats wordt afgewezen^z. Wie overigens van het Evangelie een nieuwe wet en van Christus een nieuwe Wetgever maken - en dat zijn omnes pontificii et qui cum pontificiis sentiunt sociniani - verderven het christendom en verduisteren Christus' ambt^s.

Heel populair voert Thysius in disputatio XXXVII - over de aalmoezen en het vasten - de bacchanalia in die bij Rome aan de veertigdaagse vasten voorafgaan, en de indruk die zij wekken54. In disputatio XXXIX - over het vagevuur en de aflaten - wordt een zekere „Roffensis episcopus" weerlegd, die artikelen tegen Luther schreef^^, en komt een Franse jezuïet Petrus Cotton ter sprake^e^ terwijl het aantal pontificii dat hier en in disputatio XLIII aan de kaak gesteld wordt, voornamelijk uit het jezuïetenkamp blijkt te komen: Gregorius de Valentia wordt meermalen genoemd als een man van gezag, Bellarminus wordt aangehaald in zijn strijd met Luther, Zwingli en anderen in zijn werk De Sacramentis^'^.

Luther zelf wordt verdedigd tegenover degenen die de naam van Luther als de efod van Gideon misbruiken, en „qui a Luthero, potius quam a Christo nomen suum deducentes^s. G. Estius^^, Aegidius de Coninck^o en F. Costerus met zijn Enchiridion^^ komen ter sprake bij de sacramentsleer*^, terwijl ook anderen worden aangehaald in disputatio XLVII - over de vijf valse paapse sacramenten^S. Door elkaar worden ouden en jongen geprezen, die in het rooms-katholieke kamp hun bedenkingen hebben geuit tegen het sacramenteel karakter van de schuldvergeving (Vasquez64 in zijn Quaestiones), of tegen de causaliteit in de poenitentia ten opzichte van de prima gratia (Scotus tegenover Lombardus)^^. Cassander wordt hooggeschat als

uitgever van oude ritualia^^. Er wordt genuanceerd en met zekere kennis van zaken gesproken.

In disputatio XLVIII - over de kerkelijke tucht - wijst Walaeus de vermenging van spiritualis potestas met macht en rechtspraak van magistraat of vorsten beslist af. Hij beroept zich op Beza contra Erastus^'^. Evenzeer wordt het echter Bellarminus kwalijk genomen dat hij „reges ac pricipes civiles profanos homines" noemt^s. Waarbij moet worden opgemerkt dat dit niet uit de koker van Walaeus, maar uit die van Polyander is, waar hij in disputatio L over de magistratus politicus schrijft.

Disputatio LI is boeiend, omdat hier Rivetus - schrijvend over de opstanding van het vlees en het jongste gericht - naast vele andere wetenswaardigheden, zoals bepaalde tekstuitgaven, ingaat op een dwaling die zelfs nog op naam van Calvijn gesteld is door sommigen. Het betreft de gedachte dat de lichamen in de opstanding , , aerei vel aere subtilior" zullen zijn, en niet zullen bestaan uit „carnis et merrïbra". Socinus dacht zo, en de meeste anabaptisten ook. Nu heeft men een brief van Calvijn in zijn brieveneditie van 1576 aangetroffen, aldus Rivetus, waarin men die gedachte als eigen mening van Farel en ook van Calvijn denkt te kunnen aanwijzen. Vossius is o.a. die interpretatie toegedaan. De hele kwestie komt echter in een ander licht te staan, wanneer men bedenkt dat dit een brief is van de reformator aan Coelius Socinus, „qui... a Calvino doctissime refellitur"69!

Tenslotte is in disputatio Lil - over het eeuwige leven en de eeuwige dood en over de voleinding der wereld - door Walaeus een interessante vertaalkwestie opgenomen rond de vraag of deze wereld in de toekomende veranderd zal worden, of dat deze wereld vóór de toekomende totaal zal verdwijnen. Het gaat over de weergave van Romeinen 8 vers 19. Moet onder de ktisis die daar reikhalzend verlangt naar het openbaar worden der zonen Gods, het schepsel of de hele mundum conditum worden verstaan, zoals Beza wil? Walaeus kiest voor een zuiveringsproces, waardoor een massa ontstaat waaruit God nieuwe hemelen en een nieuwe aarde zal scheppen^o.

Dit is wat de Synopsis in grote lijnen over de vroegere en contemporaine theologieën en haar beoefenaars zegt. De patristiek, waar wij geen aandacht aan hebben geschonken, komt ruimschoots aan bod, terwijl eveneens alle grote scholastici bekend blijken. Bellarminus is de kroongetuige van de contemporaine rooms-katholieke leer'"!', terwijl ook de Trentse canones en

catechismus een doorlopende bron vormen. Het is te veel gezegd, wanneer het woord „instemming" gebruikt zou worden bij bepaalde uitspraken van Bellarminus en andere rooms-katholieke theologen die in de Synopsis geciteerd worden. Het is eerder een kwestie van gebruikmaking tegen anderen die dwalingen verkondigen, welke als foutieve constructies door Bellarminus en anderen worden toegegeven. In zulke gevallen citeert de Synopsis naarstig de een tegenover de ander.

In het algemeen blijken de werken der Jezuïeten goed bekend te zijn, hetgeen mede daaruit verklaard kan worden dat de Gereformeerde Kerk hier te lande het van groot belang achtte om kerkelijke opdrachten tot weerlegging van zulke werken direct bij hun verschijnen, aan haar theologen te geven''2

Wat de Reformatie betreft, worden Calvijn, Zwingli, Luther, Brenz, Bucer, Oecolampadius betrekkelijk weinig aangehaald. Anders staat het met Beza die vaker wordt geciteerd. De anabaptisten - één groot verzamelbegrip - , de volgelingen van Luther en de socinianen worden vaak met beschrijvingen getypeerd, die een emotionele toon in de polemiek verraden. Socinus en zijn volgelingen zijn het ook, die van elk spoor van herleefd pelagianisme beticht worden''^ Het arminianisme hier te lande en elders komt nauw^elijks ter sprake, niet omdat het als een mindere dwaling wordt aangemerkt doch vanwege de dubbele weerlegging door de faculteit, die apart verscheen tijdens het ontstaan van de Synopsis in zijn achtereenvolgende drukken.

Zogoed als er zijn die de naam Luther als de efod van Gideon misbruiken, zo blijkt het ook herhaaldelijk nodig om Calvijn en zijn geschriften tegen misbruik te vrijwaren. Vooral Rivetus komt in zijn disputationes tegen dergelijk misbruik op. De man van de isagogiek blijkt ook een goed handschriftkundige te zijn''4

Grondige kennis van de geschiedenis der Reformatie blijkt bij Thysius in zijn disputatio XLV over het Avondmaal, vooral waar hij ingaat op de instellingswoorden: Hoc est corpus meum''5_

Concluderend kunnen wij stellen, dat niet zozeer het grote verspreidingsgebied alswel het theologisch karakter de Synopsis interessant maakt. De apologetische en polemische nianier van wetenschapsbeoefening volstaat hier niet met scheldpartijen en verduistert geen der argumenten van de tegenstanders. De staving van thesen en antithesen met zeer uitvoerig tekst-

niateriaal plus de vermelding van vindplaatsen stelt het vs^erk op hoog niveau.

De vraag van de scholastiek in de Synopsis

Wie de schrijvers van de Synopsis scholastiek toedichten, zullen dit eerder met hun werkwijze dan met het gebruikte materiaal kunnen staven. Dit geldt uiteraard waar een Middeleeuwse of contrareformatorische inhoud van het begrip bedoeld wordt. Doch ook blijft dit staan, wanneer een systeemvorming in de nadagen van de Reformatie in ons land en elders, verdacht wordt van aantasting van wat de calvinistisch getinte Reformatie leerstellig bedoelde.

In disputatio I gaat Polyander in op de aard der theologie, zoals ook Voetius zijn selectae disputationes van 1648 nagenoeg begon met de scholastieke theologie. De vraag rijst of de theologie theoretisch of praktisch is of beide''*. Polyander kiest voor het laatste en betoogt dat zij „mixta" is, omdat haar dubbel doel: de kennis en de dienst (cultus) van God, in dit leven samenvloeien, maar ook omdat de kennis van God aan de vroomheid (pietas) onderworpen is'^'^. Non ergo theoria et praxis sunt in theologia differentiae oppositae: sed conditiones inter se ad vitam aetcrnam consequendam consociatae, suoque ordine collocatae". „Nee theologia in nuda et inani consistit speculatione, sed in scientia practica, voluntatem omnesque cordis affectus efficaciter movente ad Deum colendum ac proximum diligendum"'''^. Valse ratiocinatie heet in dit verband: het Woord van God wel horen, doch niet in praktijk brengen (Jacobus 1 vers 22). De valse theologie bestaat - zoals wij hem eerder hoorden zeggen''^ - uit valse lering, uit ijdele woorden en woordenstrijd, en vindt haar aanhangers voornamelijk bij drie groepen: bij de heidenen die Christus niet als Redder kennen; bij de Joden die Christus verachten en daarom niets van wijsheid kunnen vatten; en bij de ketterse pseudochristenen die de woorden van de Schrift misbruiken om hun eigen „incautioria" te dekken^O.

Ook de wijze waarop Polyander in disputatio IV schrijft over de divinae, apostolicae et ecclesiasticae traditiones, die zich niet in de Schrift laten terugvinden, dwingt bewondering af. Er worden methoden en begrippen gebruikt, die men scholastiek kan noemen, zoals de mediorum aut finis analogi ratio van wat gemeten wordt, ten opzichte van de Schrift^i', en de onderscheiding in wat „tacite vel expresse" van aequipollentia met de Schrift

getuigt82.Tbch blijkt bij de vraag naar de regels der exegese ofwel de voorgestane hermeneutiek - men zie het collarium op disputatio V - dat de methoden van uitleg der Schrift tot nut der Kerk, als daar zijn analogie, tropologie, anagogie e.a., niet wegnemen dat de zin der Schrift, zowel grammaticaal als historisch genomen, „unicus tarnen immediatus et certus est". Allegorieën mogen niet te berde worden gebracht dan daar waar de Schrift er ons zelf in voorgaat of er ons toe dwingt bij de uitleg.

Ingestemd wordt met het axioma der scholastici: Theologia parabolica non est argumentativa, waarbij Walaeus - de opsteller van dit corollarium - de woorden theologia parabolica laat slaan op allegorische verklaringen, die uit de menselijke geest voortkomen, of op de scopus van de allegorieën en parabolen. Overigens is uit allegorische en parabolische Schriftplaatsen, wanneer men de voornaamste strekking en de scopus maar in het oog houdt, dezelfde zekerheid voor geloof en zeden te verkrijgen als uit andere teksten^^. Dit corollarium getuigt van een omgaan met scholastieke begrippen, dat een eigen reformatorische inhoud aan die begrippen geeft.

Er is trouwens ook beroep op materiaal in het ene geval mogelijk, terwijl bij een andere locus datzelfde materiaal als ondeugdelijk ter zijde wordt gelegd. Zo worden Vot staving van de wezenseenheid tussen Vader en Zoon ook de „scholastici" aangevoerd in disputatio VIII^*, terwijl in een ander geval, wanneer het bijvoorbeeld gaat over de goede en kwade engelen - disputatio XII - aangetoond wordt „quam temerarie extra Scripturas multa definiunt scholastici", omdat zij eerder over het intellectus dan over de voluntas der engelen speculerend^. Met de „saniores scholastici" zijn de schrijvers van de Synopsis het vaak eens, zonder hen even vaak bij name te noemen; allerlei speculatieve vragen waarover de Schrift geen uitsluitsel geeft en die uit de vanitas van „otiosi homines" voortkomen, kunnen echter niet door de beugel. Mt*t name bij Rivetus heten degenen die zo tegenover de rechte leer staan, de „adversarii". Vooral hij en Polyander staan scherp tegenover zulk soort theologiseren.

Bij de vrije wil blijkt, hoe iemand als Thysius dacht over de rooms-katholieke theologie in dit verband. In de laatste these van disputatio XVII zegt hij, dat op verschillende manier („varie") de scholastici en de vaders van Trente de dwalingen over de vrije wil hebben vernieuwd, en hoe sommige evangelischen deze hebben uitgelegd in de richting van synergie, vooral zij wier dwalingen op de Dordtse synode zijn veroordeeld. , , Varie" weliswaar, maar geen is aan deze dwalingen ontkomende.

Werkelijk gezag hebben voor de vier hoogleraren alleen de Schrift en de veteres patres, wel te onderscheiden van de patres uit de jongste conciliegeschiedenis.

Met dit alles is echter de kwestie van scholastiek in de Synopsis niet uitgeput. De theologen van de eerste helft der zeventiende eeuw is niet slechts scholïistiek aangewreven omdat zij met een historisch bepaald, scholastiek begrippenapparaat gewerkt zouden hebben, maar ook en vooral omdat zij door toenemende dogmatisering in hun arbeid zo'n apparaat in het leven hebben geroepen en schools gehanteerd, met als gevolg dat zij daardoor de geloofsbeschouwing zelf hebben aangetast. Sepp heeft zich afgevraagd of men wel op deugdelijke gronden kan beweren dat in ons vaderland de scholastiek in de dogmatiek in die tijd heerste. „Een leerboek als de synopsis purioris theologiae, zou zich niet langer dan een menschengeslacht hebben doen eeren, indien het zich door scholasticismus had gekenmerkt"87.

Wij zijn het met Sepps vraag eens, doch moeten er wel op wijzen dat inderdaad - hoeveel reverentie Coccejus ook ten opzichte van de Synopsis heeft gehad en hoezeer hij er ook zelf gebruik van heeft gemaakt - de Synopsis niet veel langer dan een mensengeslacht invloed heeft gehad, daargelaten de hernieuwde belangstelling bij Sepp zelf en na de Doleantie. Tegen de achtergrond van puritanisme, cartesianisme en coccejanisme schrijft Houders van Rivetus dat hij als de laatste waardige vertegenwoordiger van het Frans-Zwitsers protestantisme met zijn nuchtere schriftuurlijkheid is te beschouwen****, en iets soortgelijks, geldt als het juist is, mutatis mutandis ook de Synopsis.

Bourchenin wijst het als een vergissing af, wanneer men meent dat het protestantisme als natuurlijke tegenstander van de scholastiek, in de school dezelfde revolutionaire geest zou hebben binnengedragen als in de Kerk. Het schijnt zelfs, alsof het zijn conserverende bedoelingen heeft willen bevestigen op het gebied der letteren of beter, op het terrein van de filosofie. Intussen, zo gaat hij verder, moet men zich ook niet vergissen en menen dat het protestantisme elke voortgang en nieuw onderzoek heeft willen tegenstaan of verbieden^^.

C. Graafland heeft in zijn proefschrift over de zekerheid van het geloof een en ander over de kwestie van scholastiek geschreven naar aanleiding van disputatio XXXI in de Synopsis: over het geloof en de volharding der heiligenSO. Wat de disputatio zelf betreft: hierin trekt Rivetus fel van leer tegen Socinus als een Pelagius redivivus, omdat hij in de mens de uitwerkende (efficax) oorzaak legt van het rechtvaardigend geloof*^'. Evenzeer

is hij het met Durandus en Thomas oneens inzake de ene of meerdere habitus fidei in kennis en wil^^. En Bellarminus moet het ontgelden in zijn steüing dat het geloof zó van de wetenschap moet worden onderscheiden, dat het beter door onwetendheid dan door kennis te definiëren is^^, Rivetus is het vervolgens van harte met Jansenius eens, waar deze in zijn Evangeliënharmonie schrijft over fides als assensus èn fiducia^*. Hierbij toont hij aan, hoe de woorden die de Schrift voor het geloof gebruikt, alle samenhangen met fiducia en staan tegenover metus en dubitatio^^.

Vervolgens heeft Rivetus zich op het punt van het geloofsvermogen duidelijk van Gomarus onderscheiden, die alleen het verstand als de zetel van het geloof beschouwde; hij noemt immers naast het verstand ook de wil96. Bij de insluiting van het vertrouwen in het wezen van het geloof schaart hij zich aan de kant van Calvijn, terwijl ook het existentieel karakter van de assensus, de toestemming, die onmiddellijk verbonden is met het vertrouwen, sterk aan Calvijn herinnert. Overigens - zo gaat Rivetus verder. is het niet voldoende, indien iemand de historie van Christus' lijden kent, en ook niet indien iemand toestemt en gelooft dat Christus geleden heeft voor de zonden van alle mensen (Christum esse passum pro peccatis omnium hominum). Daarenboven is nodig dat de volle verzekerdheid en het vaste vertrouwen (plèrophoria et fiducia certa) erbij komen, waardoor wij zeer vast geloven dat niet alleen anderen.. . maar ook ons persoonlijk de vergeving der zonden om de verdienste van Christus geschonken is.. .9^.

Die toestemming, en dat geloof dat Christus geleden heeft voor de zonden van alle mensen, heeft Rivetus zelf gecommentarieerd in zijn Consideraties, die hij aan de synopsis van Amyrauts leer in 1635, toevoegde^^. Hierin vormt tussen Amyraut en hem een waar struikelblok de uitspraak van de hoogleraar uit Saumur, dat Christus' offer gelijkelijk voor allen gebracht is, met conditie van geloof. Dit was in strijd met hoofdstuk 2, dwaling 5 in de Dordtse leerregels, die - zij het onder protest van Amyraut, Tilenus, Testard e.a. - door toedoen van Dumoulin door de synode van Alès in 1620 waren aangenomen.

Rivetus nu zegt, dat Amyraut met zijn stelling aan God een onwerkelijk verlangen, een desiderium inefficax, een destinatio invalida toeschreef.

welke een zekere tweeslachtigheid in Gods besluiten doet veronderstellen. Volgens Rivetus zien de woorden van de Dordtse leerregels, hoofdstuk 2, art. 3: „van oneindige kracht en waardij, overvloedig genoegzaam om de zonden der gehele wereld te verzoenen", als sufficientia op de waarde van de prijs, waar geen strijd over liep, doch niet op een intentie van God. Teksten als 1 Timotheüs 2 vers 4 en 1 Johannes 2 vers 2, die een universele strekking kunnen suggereren, worden door Rivetus dan ook verklaard in de zin van Augustinus: omnes, hoc est omne genus hominum^^.

Graafland typeert de schrijvers van de Synopsis als mensen die, hoewel denkend in aristotelische trant, bijvoorbeeld bij de onderscheiding tussen geloofsvermogen en geloofsdaad, en in het disputeren over de vraag aan welk vermogen der ziel de eigenschap van het geloof moet worden toegekend, zich toch dicht bij Calvijn gehouden hebben en niet doorgevloeid zijn in een intellectualistisch verstaan van het geloofi'OO. Iets hiervan blijkt ook uit de verhouding van algemeen aanbod (haec universalis) en persoonlijke geloofszekerheid. „Nee vacillat hujus specialis fidei certitudo, etsi mihi aut illi in particulari, in verbo Dei nusquam reperiatur annunciata salus'i'Oi. Juist zoals de lex moralis „neminem in specie nominet, quisque tamen ex proprio peccati sensu, infert necessariam conclusionem, Simüis est ratio in iis qui fide donati, ex eo quod, Omnem qui credit in Filium, habiturum vitam aeternam, asserit Scriptura, Joh. 3, 16. et remissionem peccatorum accepturos omnes qui in eum credunt, sub hac universali subsumunt, se accepisse remissionem peccatorum, quia credunt"'i*2. Wanneer de pontificii opperen dat deze assumptio in de gelovigen: ego credo, niet het woord of getuigenis van God is, dan vergeten zij, dat „eorum quisque habeat Spiritum Sanctum, qui testimonium reddit spiritui ipsorum quod sint filii Dei, Rom. 8, 16 etc."'i03.

Graafland wijst er dan op, dat hier weliswaar de syllogismus practicus ontbreekt, doch dat de syllogismus mysticus in een gematigde vorm aanwezig is. De grond der zekerheid en der volharding wordt niet gezocht in de bestendige kwaliteit van het geloofsvermogen (Zanchius en Gomarus), maar in de onwankelbare trouw van God'i"*. Hierbij valt op te merken, dat ten opzichte van het persoonlijk verstaan van de lex moralis Rivetus wel de proprius sensus peccati invoert, terwijl hij die achterwege laat bij de assumptio: ego credo, in relatie tot de assertio der Schrift. Hier volstaat hij immers met de „ratio in iis qui fide donati" zijn, welke ratio zich uit het Schriftwoord de vergeving der zonden toeeigent.

Van Itterzon heeft in breder verband dan hier geschieden kon, de vraag naar de verhouding van de Synopsis tot de scholastiek van haar tijd beantwoord. Hij komt tot de conclusie dat de invloed van de scholastiek zich voornamelijk op de vorm, minder op de inhoud der leerstellingen heeft doen gelden, en dat de systematische opzet van het werk de auteurs gebruik deed maken van termen, die niet aan de Schrift ontleend zijn'"'5.

Wanneer Rivetus terecht als de laatste waardige vertegenwoordiger van het Frans-Zwitsers protestantisme te achten is, en wanneer in die geest de basis lag tot samenwerking van vier hoogleraren die voor de voet op de loei van de geloofsleer in de Synopsis hebben behandeld, dan biedt deze vorm van samenwerking - die o.a. ook blijkt bij het geven van kerkelijke adviezen door de Leidse faculteit in die dagen - enige garantie dat de Synopsis zo niet directe invloed heeft uitgeoefend op, dan toch met aandacht gevolgd is door de theologische doordenking van hen die in binnen-en buitenland de gereformeerde leer naar infralapsarisch inzicht doceerden en haar beleden in het voetspoor van Calvijn, zoals deze in die tijden werd verstaan, d.w.z. gelezen en geïnterpreteerd door de bril van Beza. Het verspreidingsgebied van de Synopsis kan, gelijk ons gebleken is, moeilijk worden bepaald en nagetrokken. Dat vóór, tijdens en na de dagen van de Dordtse synode in delen van Frankrijk, Engeland en Schotland dezelfde vraagstukken aan de orde waren, die de Dordtse synode beheersten, onderstreept het hiervoor genoemde argument.

Hierbij komt dat, wat de Staten van Holland en West-Friesland aangaat, de schrijvers van de Synopsis hen hebben geprezen om hun daadwerkelijke verdediging van de ware leer overeenkomstig wat in Disputationes 48 et 50 te vinden is, en dat „totus terrarum orbis" dit moet en mag weten. Het laat zich denken, dat aan die academies - die van Orthez was er een van - en in die gebieden waar overheid en theologen op gespannen voet stonden wat betreft de relaties van beiden tot de rechte leer en haar handhaving, dit handboek om voormelde harmonie in de Hollandse situatie als hart onder de riem heeft gediend ter bemoediging in de strijd om de consequenties van die rechte leer in school en maatschappij. Het gezag en aanzien, die de schrijvers genoten, vermeerderd met de plaats die de Synopsis innam na de Grote Synode, staven dit vermoeden.

Een onderzoek naar correspondentie viel buiten het bestek en de mogelijkheden van ons onderzoek, doch zou meer licht over de juistheid of onjuistheid van deze vermoedens kunnen werpen.


1 C. Sepp, Godgeleerd onderwijs II, biz. 45-46.

2 Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis n.s. 23, 1930, blz. 161-213 en 225-259.

3 C. Sepp, a.w., blz. 55.

* C. Sepp, a.w., blz. 81.

6 Ik betuig mijn dank aan prof. dr. J. N. Bakhuizen van den Brink, aan mejuffrouw W. Ch. Taverne, aan Mr T. A. F. Cherry te Edinburgh en aan drs. J. P. H. G. Kien voor hun aller hulp bij het verrichten van nasporingswerk en het verstrekken van inlichtingen. De mogelijkheid dat de Synopsis als handboek voor studenten in Engeland en Schotland zou hebben gefunctioneerd is gering, aangezien het in de eerste helft van de zeventiende eeuw niet te doen gebruikelijk schijnt te zijn geweest dat studenten in de theologie met gedrukte teksten werkten. Wat Sedan betreft, betuig ik mijn dank aan prof. P. Congar voor het verstrekken van enige informatie.

6 G. de Felice, Histoire des Protestants de France, Paris 1856.

7 P. D. Bourchenin, Étude sur les Académies protestantes en France, Paris 1882.

8 P. D. Bourchenin, p. 429.

9 Ibidem, p. 434.

10 Ibidem, p. 439.

11 Dibon in Le fonds néerlandais vermeUlt het werk niet, terwijl het evenmin te vinden is in G. Toepke, Die Matrikel der Univ. Heidelberg II, Heidelberg 1886.

12 Praefatio, p. III.

13 G. P. van Itterzon in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis n s. 23 blz. 246-251.

14 C. Sepp, a.w. II, blz. 30.

13 C. Sepp, a.w. l, blz. 221 e.v.

16 Zie het besluit van rle faculteit inzake ondertekening van de formulieren van enigheid door de Leidse hoogleraren, door de partikiiliere synode van Z.-Holland gewenst. Bijlage 15 bij Eekhot, De Theol. faculteit; gedateerd 1622. concept van Walaeus, die meestal als secretaris van de faculteit optrad. Vgl. W. P. C. Knuttel, Acta I, blz. 293; het contact tussen particuliere synode en hoogleraren was overigens goed.

17 H. Bavinck, p. IX-XII.

18 G. P. van Itterzon geeft in het tweede artikel in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis n.s. 23 overtuigende opsommingen. Deze bijdrage gaat in het in de tekst gegeven overzicht op de inhoudelijke argumenten van de Synopsis tegen anderssoortige theologieën in.

19 Disp. IV theses 3 et 6.

20 Gilbert Génébrard in Lexikon für Theologie und Kirche 4, Kol. 662-663. Zie thesis 18.

21 Thesis 25.

22 Thesis 36.

23 Thesis 36.

24 Jean de Lorin in Lexikon für Theologie und Kirche 6, Kol. 1145.

25 Thesis 4

26 Thesis 23.

27 Thesis 24; Martinus Peresius Ajala in Lexikon für Theologie und Kirche 8, KoL 272.

28 Thesis 29.

29 Thesis 3 et 6.

30 Thesis 60.

31 Ibidem.

32 Theses 32 et 36.

33 Thesis 37.

34 Theses 40, 46, 48.

35 Thesis 22.

se Ibidem.

37 Disp. XXin thesis 23.

38 Thesis 26.

S9 Thesis 60. In deze disp. wordt de reprobatio als aparte actus van God t.o.v. de electio afgewezen, thesis 52.

40 Antithesis IV-3.

41 Antithesis V.

*2 Thesis 12.

*3 Thesis 23. W. Möller in Realencyhlopadie für protestantische Theologie und Kirche 11, S. 125-126. J. Lortz, Die Reformation in Deutschland *, Herder I 1962, S. 416.

44 Thesis 24.

45 Passim.

46 Thesis 10.

47 Thesis 44.

48 Thesis 52.

49 Bavincks editie, p. 339-343.

50 Thesis 14.

51 Thesis 16.

52 Thesis 19.

53 Thesis 49.

54 Thesis 46 et 60.

65 Bedoeld is bisschop Bowle van Rochester. Zie J. H. Hessels Ecclesiae Londino-Batavae Archivum, Cambridge 1897, III/2 p. 1643-1644 en III/I p. 1477-1478.

66 Lexikon für Theologie und Kirche 3, Kol. 76-77.

57 Thesis 4.

58 Theses 7 et 28.

69 Willem Hessels van Eist; Lexikon für Theologie und Kirche 3, Kol. 1117.

"O Lexikon für Theologie und Kirche 3, Kol. 38.

61 Frans Coster S.J., bestrijder van Osiander en Chemnitz; Lexikon für Theologie und Kirche 3, Kol. 75. Zie ook Rivetus' antipathie tegen Gomarus, omdat deze het op bepaalde punten met Costerus in zijn Tres Apologiae eens was; Van Opstal, blz. 117.

62 Disp. XLIII theses 14, 25, 27.

63 Gregorius de Valentia, Franciscus Suarez, Jean de Lorin in theses 3. 4, 6, 11.

6* Gabriel Vasquez; Lexikon für Theologie und Kirche 10, Kol. 645-647.

65 Thesis 25.

fi« Thesis 36.

67 Thesis 19.

68 Disp.L thesis 26.

«B Thesis 27.

™ Theses 57-60.

'1 Vgl. Vorstius' Anti bellarminus contractus van 1610; Sepp I, blz. 183 e.v.

72 Zie de paragraaf over Thysius en voorts Reitsma en Van Veen, indices sub boekencensuur en Jesuïelen.

73 Vgl. Sepp II, blz. 45.

74 Disp. XLVII thesis 36; disp. LI thesis 4; ibidem theses 25 et 27.

75 Theses 69 et 70.

76 Thesis 22.

77 Thesis 23.

78 Thesis 24.

79 Bij de inwijding van Hommius en Sinapius tot hun werk aan het Statencollege.

80 Thesis 2.5.

81 Thesis 17.

82 Thesis 28. Zie samenvatting in theses 19 et 20 van wat wel en wat niet met de Schrift analoog is. »

S3 Bavincks editie, p. 48.

84 Thesis 12.

85 Thesis 25. . .

86 Theses 45 et 46.

87 C. Sepp II, blz. 63.

88 H. J. Honders, blz. 161

89 P. D. Bourchenin, p. 37-39.

90 C. Graafland, De zekerheid van het geloof. Wageningen 1961, blz. 98-102. 91 Thesis 10.

92 Thesis 15.

93 Thesis 17.

94 Thesis 18.

95 Ibidem.

90 C. Graatlantl, blz. 98-99.

97 Thesis 20.

98 Riveti Synopsis doctrinae de natura et gratia in opera theol. torn. III, p. 870-871. Overigens moet er wel op gewezen worden dat Rivetus en Amyraldus zich in 1650 op aandringen van de hertogin van Trémoïlle, met wie Rivetus sedert zijn predikantschap te Thouars altijd goede kontakten had onderhouden, met elkaar verzoend hebben; Cohen, Écrivains p. 308.

98 H. J. Honders. blz. 115.

100 Disp. XXXI theses 13 et 14: Graafianci. blz. 98.

101 Thesis 21.

102 Ibidem.

103 Ibidem.

IM C. Graafland, blz. 102.

lOB Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis n.s. 23, blz. 245-246.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 1975

Theologia Reformata | 92 Pagina's

THEOLOGIE EN SCHOLASTIEK

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 1975

Theologia Reformata | 92 Pagina's

PDF Bekijken