Een open vraag
G.Hette Abma
Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op aarde? Lukas 18:8b
Wanneer we nog niet ten prooi gevallen zijn aan de verleiding van de christendommelijke betweterigheid, zodat wij voor de vragen zelfs nog maar gesteld zijn de pasklare antwoorden reeds uit voorraad kunnen leveren, dan kan de vraagstelling van onze Here Jezus Christus over het openbaar worden van het geloof op het verrassend tijdstip van zijn wederkomst voor ons opeens een bijna beklemmende aktuahteit krijgen. Ieder kent wel het slag christenen, dat zich wat sektarisch gespecialiseerd heeft op het punt van de toekomstverwachting. Dergelijke mensen vragen met een doodemstig gezicht of wij er ook niet van overtuigd zijn, dat we in de eindtijd leven. Het is een test-case voor het gehalte van ons geloof. Voor hen is de probleemstelling van Christus geen vraag, maar een weet.
Niemand minder dan onze Here Jezus zélf heeft ons gewezen op de signalen van de eindtijd. We moeten echter niet te snel aannemen, dat wij wel verstaan wat Hij bedoelt met de profetie aangaande de verkilling der liefde. Er is een bedroevend verval in onze tijd. Een huiveringwekkende openbaring van twijfel en ongeloof tekent zich af. De cijfers der statistiek liegen er niet om. Niet alleen jongeren, maar ook ouderen voelen zich tegenwoordig door de boodschap van het evangelie niet bijster aangesproken. Ze hebben dan ook werkelijk geen boodschap aan de kerk. Opmerkelijk genoeg maakt de geest van twijfel en ongeloof zich juist ook binnen de kerk beangstigend breed. Er wordt echter vaak lakoniek over gesproken. Men heeft zelfs de euvele moed om te gewagen van het voordeel van de twijfel. Toch lijkt voorzichtigheid hier geboden. Koketteren met de twijfel kan levensgevaarlijk zijn. Vanuit de bijbel ontvangen we er de nodige informatie over hoe fnuikend de twijfel voor het gebedsleven is. De apostel Jacobus merkt op, dat we alles wat ons ontbreekt van God mogen begeren. Uitnodigend tekent hij er bij aan, dat de HERE mild geeft en beslist geen lelijke verwijten maakt. We moeten evenwel
begeren in geloof, zonder te twijfelen. Want wie twijfelt is een baar der zee gelijk door de wind op en neer geworpen. Heel nuchter verzekert hij dan dat we op die manier niet moeten verwachten iets van de HERE te zullen ontvangen. Er is een twijfel die het geloof fundamenteel ondermijnt. Het gebed heeft geen enkele functie meer. Maar er is óók een twijfel die juist stimuleert tot het gebed waar God wonderen op wil doen. Daarover lezen we heel veel in de heilige Schrift. Telkens wanneer ons namelijk daarin een boekje wordt opengedaan over de aanvechting van het geloof. Het gaat hier naar mijn idee om het even ongemakkelijke als ook onmisbare kenmerk van de echtheid van het geloofsvertrouwen.
Het luistert vaak allemaal erg nauw. Er is een ongezonde twijfel, die leidt tot het ongeloof. Maar evenzo brengt het echte geloof altijd weer gezonde twijfel met zich mee. Het gaat daarbij niet om een goedkope ervaring. De gelovige loopt er dan ook niet mee te koop. Het zal echter met name in het gebedsleven tot uitdrukking komen. Een treffende illustratie daarvan wordt ons gegeven door de Here Jezus in de gelijkenis van de weduwe en de onrechtvaardige rechter. Dit eenvoudige voorbeeld zal ons hopelijk veel verduidelijken. Het verhaal is snel verteld. Steeds opnieuw kwam een weduwe bij een goddeloze, schaamteloze rechter aankloppen met het verzoek haar recht te laten wedervaren ten opzichte van haar tegenpartij. Geruime tijd krijgt ze nul op het rekest. Ze blijft de rechter evenwel zo lang lastig vallen, dat deze zich genoodzaakt ziet haar verzoek in te willigen. Ze zeurt hem het hoofd stuk. Mogelijk is de rechter er beducht voor, dat de weduwe zelfs handtastelijk zou kunnen worden.
Voor het rechte verstaan van de grandioze gelijkenis van Christus moet het een en ander niet aan onze aandacht ontsnappen. Allereerst is het duidelijk, dat er een pleidooi wordt gehouden voor het volharden in het gebed. Over het dikwijls zo voorbarig opgeschroefde probleem van de zogenaamde onverhoorde gebeden werpt het verhaal van de Here Jezus een beschamend licht. De weduwe had te doen met een onrechtvaardige rechter, terwijl wij mogen aankloppen bij God die de gerechtigheid in eigen persoon is! Vervolgens heeft het ons veel te zeggen, dat het voorbeeld door de Here gezet is in het kader van de verwachting van de jongste dag. In de voorafgaande passages lezen we de reactie op de vraag van de Farizeeërs betreffende het tijdstip van de realisering van het Koninkrijk Gods. Het slot van de gelijkenis zelf culmineert in de vraag van Christus: Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op aarde? Tenslotte lijkt het me van belang hier te letten op het zogenaamde Stichwort. Met het achtgeven op het hanteren van het gevarieerde sleutelwoord 'recht' gaat voor ons de gelijkenis verrassend open.
Er wordt door de hoogste profeet en leraar niet filosofisch een dorre beschouwing opgehangen over een abstract begrip gerechtigheid, maar Hij laat het vlees en bloed aannemen in de vrouw, die terecht op haar strepen
staat. De Here doet ons in de schreeuw van de onheus bejegende weduwe horen, wat we onder gerechtigheid moeten verstaan. Het gebed is vanuit deze optiek een roep tot God om recht te verschaffen. En Christus garandeert met zijn volstrekte geloofwaardigheid, dat de HERE subiet recht doen zal aan zijn uitverkorenen, die Hem dag en nacht aanroepen. In deze kontekst krijgt de vraag van de Here Jezus of Hij bij zijn wederkomst ook geloof zal vinden op aarde een noodzakelijke toespitsing. Zal het echte geloofsvertrouwen op die manier tot uiting komen? Dat is de kwestie! Het dodelijk gevaar is levensgroot, dat wij ons uiteindelijk maar neerleggen bij het onrecht in deze wereld. Het defaitisme past de christenstrijder niet. Bij wie de verwachting van de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, is wakker geroepen, die mag zich niet overgeven aan wat met een modieuze term wordt aangeduid als doemdenken.
God duldt het niet, dat er een domper gezet wordt op het getuigen van het geloof. Het gaat Hem aan zijn vaderhart als de ademtocht der ziel wordt afgeknepen, zodat het gebed verstomt. Christus laat zien hoe het ten hemel schreiend onrecht stem krijgt in het aanhoudende gebed van de weduwe. Zij kan zich niet neerleggen bij de schreeuwende ongerechtigheid in de door de zonde verziekte samenleving. Ze staat niet model voor de dolle mina, die het niet langer neemt en daarom doldriest overgaat tot revolutionaire actie. Ze laat zien hoe de gemeente moedig bij God mag aankloppen. In tijden van teruggang worden de minderheidsgroepen het slachtoffer van grof onrecht. Gastarbeiders, zigeuners en natuurlijk ook weer de Joden worden unfair bejegend. Wezen zijn in het bijzonder kinderen van de rekening van het sociale tekort. En ook de weduwen komen door regressie in de knel. In het voorbeeld van de Here Jezus is de weduwe op die manier het beeld voor het volk van God. In tal van opzichten vergaat het Israël en de gemeente van Jezus Christus net als de genoemde weduwe, wanneer ze tenminste niet hertrouwt met de geest van de tijd.
De keuze voor een nieuwe huwelijkspartner is erg ruim. De kerk kan een aanzoek doen door zich te presenteren als een pressure-groep. Het evangelie wordt dan versmald tot de maatschappelijke en politieke relevantie. In plaats van de kruistheologie met als kern de prediking van de verzoening der zonde komt dan de bevrijdingstheologie met de focus van de proclamatie van de verlossing uit de vervreemding. In de geest van de marxistische maatschappij-kritiek wordt de messiaanse gemeente opgeroepen tot de strijd tegen de onderdrukkende machten. Maar de verbintenis met de geest van de tijd komt ook tot stand, als de kerk juist krachtig alle actie afwijst en de status quo wil handhaven. Men maakt zich daarbij sterk voor een ethiek, die het bestaande onrecht sanctioneert. We horen verdacht veel spreken over de gebroken situatie. Met een beroep op de hardheid van het hart wordt de onbekeerlijkheid van het hart gecamoufleerd. Het is dan raadzaam om in het felle
protest tegen de op marxistische leest geschoeide theologie ook een bedenkelijke afleidingsmanoeuvre te onderkennen. Terwijl de bange vrees voor de verpolitisering van het christelijk geloof ruchtbaar gemaakt wordt, kunnen intussen de belangen van macht en vermogen behartigd worden.
Het meest geraffineerd is de religie die iedere sanerende invloed in onze verziekte samenleving tegengaat. Kenmerkend is het streven naar bevestiging van de reeds lang ingenomen positie of ook het verlangen naar streling van overlang gekoesterd sentiment. Een dergelijke wereldgelijkvormigheid is nauw verwant aan de heidense vromigheid. De lotsaanvaarding wordt gepresenteerd met een schijn van godsvrucht. We moeten ons maar neerleggen bij de voldongen feiten. Men heeft altijd oorlog gevoerd. Steeds heeft er armoe geheerst. Telkens moesten mensen honger lijden. Wanneer we slachtoffer van de ellende zijn, dan mogen we proberen met de boodschap van het evangelie de barre werkelijkheid te ontstijgen. Karl Marx behoeft een dergelijk streven voor ons niet te signaleren. Als we aan de goede kant van de streep staan, dan willen we ons zoveel mogelijk onttrekken aan de profetische kritiek van Gods Woord. We geven er de voorkeur aan niet te horen over de zonde die zich verschanst in de maatschappelijke structuren. Het uiteindelijk droeve resultaat van een dergelijke houding komt openbaar in een onbewogen houding ten aanzien van de slachtoffers van het onrecht in de wereld. In het gunstigste geval is er nog wel sprake van geloof, maar dat is evenwel allerminst gezond. De groei wordt te enen male door passiviteit belemmerd. Het zingt wel gemakkelijk weg: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw! Er wordt echter niet uit het geprangd gemoed een gebed om gerechtigheid vernomen als een cri de coeur. Opnieuw klinkt de vraag: Zal de Zoon des mensen bij zijn komst op aarde geloof aantreffen? We mogen niet passief de handen in de schoot leggen, we behoeven niet op een misplaatste wijze de handen uit de mouwen te steken, maar we dienen wel de handen te vouwen. Net als de weduwe mag de gemeente de roep om recht laten weerklinken.
Er wordt onder de gereformeerde belijders vaak geschermd met de quasivrome slagzin: een mens heeft nergens recht op. Als we er echter zo over denken, dan zijn we ongemerkt onder dak gekomen in het logement van de duivel. Luther typeerde de satan immers als de grote aap van God. De vader van de leugenen geeft ons graag de kost, wanneer wte maar het door hem geliefkoosde woord spreken. Een onzalige verwarring is op die manier geschapen. Laat me wat heilsorde op geloofszaken stellen. Tegenover de HEERE hebben we alle rechten verspeeld toen we ongelukkigerwijze ingingen op de kwalijke adviezen van de duivel. We kunnen daarom alleen als goddeloze gerechtvaardigd worden. God herstelt ons in alle rechten en plichten door de genadige interventie van zijn zoon.
Laten we voor alle duidelijkheid even verder lezen dan onze tekst lang is. Opnieuw giet Christus zijn onderwijs in de vorm van een vergelijking. Dit
maal de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. Tussen twee haakjes zij opgemerkt, dat het weer een verhaal is over het gebed en dat ook hier het sleutelwoord recht-vaardig gebezigd wordt. De Farizeeër stond op zijn vermeende rechten. Hij dacht dat hij rechtvaardig was. In zijn gebed geeft hij een indrukwekkende demonstratie daarvan. Als de genoemde persoon op gereformeerde grondslag had gestaan, dan had hij zich vermoedelijk wat anders uitgedost en ook op andere wijze uitgedrukt. Een reformatorisch Farizeeër gaat het liefst vermomd in het fraaie kostuum van de tollenaar. Zijn taal maakt hem echter openbaar. Een mens heeft nergens recht op. Het zal zo maar niet gaan. Op een klomp en een schoen wandelen we de hemelpoort niet door. Ik ben gelukkig niet zo oppervlakkig als velen in onze dagen. Ik houd het bij de oude beproefde waarheid. Regelmatig heb ik worstelingen aan de troon van genade. Intussen denkt de tollenaar in de gelijkenis, dat de grond onder zijn voeten weg zinkt. Hij behoeft geen verbaal geweld te gebruiken om de aandacht van God op zich te vestigen. Als antwoord op zijn korte en bondige gebed laat de HERE hem ervaren wat de grond van het verbond onder zijn voeten betekent. Een beroep op de beloften der genade blijft nooit zonder heilzaam effect. De man gaat gerechtvaardigd naar zijn huis. Een blijde herkenning bewijst dat ook in onze tijd de belovende God wordt bevonden betrouwbaar te zijn.
We moeten het bij een korte impressie laten. Het verband met het voorafgaande lijkt problematisch. Is er misschien sprake van verschillende typen van gelovigen? Verootmoedigd smeekt de tollenaar: O God, wees mij zondaar genadig. En totaal anders getoonzet is het gebed van de weduwe. Van haar eigen zaak overtuigd roept ze: Doe mij recht tegenover mijn tegenpartij. We moeten hier niet voortijdig van verschillende modaliteiten spreken. Het is een armzalig portie, wanneer we van de eenzijdigheden van de ander willen leven. We moeten voorkomen, dat wij uit elkaar rukken wat in de bijbel wezenlijk bij elkaar gehouden wordt. We vinden in de gebeden van de psalmdichters diverse voorbeelden daarvan. Neem bijvoorbeeld de honderd-drieen-veertigste psalm. Enerzijds kermt de dichter: ga niet in het gericht met Uw knecht, want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. Anderzijds voert de dichter een vrijmoedig pleidooi op grond van Gods toezeggingen: Maak mij levend om Uw naams wil, voer mijn ziel uit de benauwdheid om Uw gerechtigheid. Op identieke wijze zal de weduwe naar onze stellige overtuiging alleen voor Gods aangezicht hebben kunnen bestaan als een gerechtvaardigde zondares. En toch vraagt ze ook indringend aan God om haar recht te laten wedervaren. Wat we goed uit elkaar moeten houden, dienen we beslist niet tegen elkaar uit te spelen. Juist de gerechtvaardigde zondaar weet wat het is om te pleiten op het recht van God.
We mogen de weduwe uit de gelijkenis zien staan in de traditie van Israël, ledere gelovige kent als het goed is de uitdaging van het rijk Gods en zijn
gerechtigheid. De vromen klaagden hun nood bij God, die het recht der armen en der verdrukten gelden doet. In al hun klachten mag de hoop gevestigd worden op Gods onfeilbaar Woord. En dat helpt werkelijk. Hij wil niet slechts verlichting in het heden verschaffen, maar ook verwachting voor de toekomst geven. Ten diepste gaat het er om de goede Naam van God hoog te houden. Het totale wereldgebeuren met alle vormen van schandelijk onrecht incluis wordt aan het bestuur van de God van hemel en aarde toegeschreven. Per saldo klinkt telkens in diverse toonaarden de navrante vraag: Is God wel rechtvaardig? Regeert er een liefdevolle God in déze miserabele wereld? De ongezonde twijfel van de atheïst kwalificeert ieder gebed als zinloos. De gezonde twijfel van de gelovige stimuleert tot het gebed als de meest geëigende uiting van Godsvertrouwen. Een gedegen scholing is hier voor ieder die discipel genoemd mag worden van het hoogst belang. Here, leer ons bidden! Christus leert al de zijnen God als Vader aan te roepen om de heiliging van de Naam door de komst van het Koninkrijk, waarin Vaders wil echt wet is. Op die wijze is de gelovige ervan overtuigd, dat de vrede en de gerechtigheid gewaarborgd is. Dit alles wrikt Christus met zijn vraag los. Hij legt ons zo het vuur van Zijn Geest na aan de schenen. Hij wil ons heel graag vervullen met de Geest van de genade en de gebeden.
Wie de portee van de vraagstelling van de Here Jezus verstaan heeft, zal naar mijn idee bescheid kunnen geven in de bekende kwestie, die dikwijls in het pastoraat naar voren gebracht wordt: Kun je eigenlijk wel met gelovig fatsoen bidden om de wederkomst van de Here Jezus? Wie door het geloof gerechtvaardigd is voor Gods aangezicht, die lijdt onder het schromelijke onrecht in de wereld en die strijdt tegen alle onmogelijke vormen van rechtsverkrachting in de samenleving. De gelovige verlangt er vurig naar, dat alle dingen eindelijk eens recht gezet zullen worden. Hij hoopt dat toch tenslotte iedereen tot zijn en haar recht zal mogen komen. Het gebed van de zielen onder het altaar resoneert in de harten van alle kinderen Gods. De HERE geeft zijn respons: Ik zal haastig recht doen. Het uitstel is ditmaal geen afstel. Juist de ongelovige spotters kunnen ter harte nemen, dat het wereldwijde evangelisatiewerk met eindeloos geduld wordt voortgezet. In de tweede brief van Petrus kunnen we hierover de nodige inlichtingen vinden. God wil dat allen tot bekering zullen komen. Zal de Zoon des mensen echter geloof aantreffen als Hij terugkomt in heerlijkheid? Aan God mankeert het niet. Hij heeft Zijn heilsgeheim publiek gemaakt. Hij heeft Zijn gerechtigheid indrukwekkend voor het heidendom ten toon gespreid. De dichter van de acht-en-negentigste psalm wil ons daarover laten zingen. Hij komt. Hij komt om de aarde te richten, de wereld in gerechtigheid. Al het volk, daar het wreed geweld moet zwichten, wordt in rechtmatigheid geleidt. Maranatha.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
Theologia Reformata | 348 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
Theologia Reformata | 348 Pagina's