Bekijk het origineel

CALVIJN OVER DE CULTUS DEI SPIRITUALIS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

CALVIJN OVER DE CULTUS DEI SPIRITUALIS

42 minuten leestijd

W. de Greef

Inleiding

Wie in de werken van Calvijn leest, komt woorden en uitdrukkingen tegen die gemakkelijk verkeerd opgevat kunnen worden. Eén van die woorden is de aanduiding geestelijk. Dat woord komt bij Calvijn nogal eens voor en het gaat dan om uitermate belangrijke zaken. In Inst. 11, 10 bv. betoogt Calvijn dat het oude verbond geestelijk van karakter is.' Hij stelt in dat verband dat de leer van het evangelie geestelijk is ^ en hij heeft het over een geestelijk verbond ' en een geestelijk leven.* Op de betekenis van deze uitdrukkingen gaan we hier niet nader in.' In dit artikel stellen we een onderzoek in naar wat Calvijn bedoelt met te zeggen dat de dienst van God geestelijk is. Op het eerste gezicht is De cultus Dei spiritualis niet direct een bijbelse uitdrukking. De uitdrukking is echter nauw verbonden met wat de Here Jezus tegen de Samaritaanse vrouw zegt. 'God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en waarheid' (Joh. 4 : 23). Bavinck heeft het in zijn dogmatiek over de spiritualitas Dei en schrijft dan: Hier bij de spiritualitas is het te doen, om het geestelijk wezen Gods te handhaven. En dit is van zoo groot belang, dat daarop heel de wijze rust, waarop wij God moeten dienen. De aanbidding in geest en waarheid rust op de geestelijkheid Gods. Eerst daardoor wordt alle beeldendienst in beginsel en voor altoos afgesneden'.' Er is dus verband tussen de spiritualitas Dei en de cultus Dei spiritualis. Verder constateren we dat Bavinck bij de geestelijke dienst van God denkt aan het tweede gebod, de afwijzing van alle beeldendienst.

Wat ons onderzoek betreft naar Calvijns spreken over de geestelijke dienst

van God laten we zijn gedachten omtrent de spiritualitas Dei rusten.' We bedoelen daarmee niet te zeggen dat er geen verband is tussen de spiritualitas Dei en de cultus Dei spiritualis. Calvijn beroept zich immers ter verdediging van de geestelijke dienst van God op het feit dat God geest is. Die geestelijke dienst past bij de natuur van God en die dienst is daarom alleen goed. En verder zegt Calvijn dat de ware dienst van God ook altijd geestelijk geweest is omdat God niet van natuur verandert.*! Wat de inhoudelijke betekenis van de dienst van God betreft, worden we niet veel wijzer als we letten op het verband dat Calvijn legt tussen de spiritualitas Dei en de cultus Dei spiritualis. We zien dat in Calvijns uitleg van het tweede gebod." Hij zegt niet meer dan dat God door ons zuiver, naar Zijn natuur en niet naar onze fantasie gediend moet worden.'" Hij bedoelt daarmee dat we God niet iets vleselijks toe moeten dichten, Hem niet aan ons verstand moeten onderwerpen en Hem niet moeten tegenwoordigstellen in een of andere gedaante." Wat de wettige, dat is de geestelijke door God ingestelde dienst '^ in positieve zin inhoudt, wordt door Calvijn in zijn uitleg van het tweede gebod niet gezegd. In dit artikel onderzoeken we hoe Calvijn op andere plaatsen die geestelijke dienst van God nader omschrijft.^'

De cultus Dei spiritualis staat tegenover de cultus legalis

We beginnen met te letten op Calvijns uitleg van de belangrijke tekst Joh. 4 : 23. We zien daar dat hij de cultus Dei spiritualis stelt tegenover de cultus

legalis. Die tegenstelling speelt een rol in het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw." De cultus legalis zal afgeschaft worden.'^ Calvijn noemt de tempel, de priesterschap en alle daarmee verbonden gebruiken. De vraag of God te Jeruzalem of op de Gerizim aanbeden wil worden is niet belangrijk meer. Het gaat om de ware aanbidding in de geest en dat houdt in dat God overal aangeroepen kan worden.'" God in geest en waarheid vereren betekent niet anders dan de oude gebruiken afschaffen en eenvoudig vasthouden aan wat geestelijk is in de dienst van God."

Ook in Calvijns uitleg van Rom. 1 : 9 (waar Paulus spreekt over God, die hij in de geest dient) en Fil. 3 : 3 (waar Paulus het heeft over een dienen van God door de Geest van God) staat de cultus Dei spiritualis tegenover de cultus legalis. In zijn verklaring van Rom. 1 : 9 spreekt Calvijn uit dat Paulus bij dat 'in de geest' misschien ook denkt aan de ceremoniën van het oude verbond, waarmee de Joden God op de juiste wijze meenden te dienen.'* Met dat 'in de geest' zou Paulus dan bedoelen dat hij ook zonder die gebruiken een oprecht dienaar van God is. Calvijn noemt in dit verband Fil. 3 : 3." In zijn commentaar op die tekst zegt hij dat Paulus onder de cultus spiritualis die dienst van God verstaat, welke ons in het evangelie geboden wordt.2» Daar tegenover hekelt Paulus de cultus legalis.^' De zuivere en rechtmatige dienst van God, zegt Calvijn, is vrij van wettelijke ceremoniën en voor de gelovigen staat vast dat de ware besnijdenis geen teken meer heeft.^^ We noemen tenslotte nog Inst. IV 18, 16 waar Calvijn Rom 12 : 1 aanhaalt en opmerkt dat Paulus onder de redelijke dienst van God een geestelijke wijze van het vereren van God verstaat, welke hij stilzwijgend stelt tegenover de vleselijke offers van de mozaïsche wet.*'

Ook in het Oude Testament een cultus Dei spiritualis

Als Calvijn de cultus Dei spiritualis en de cultus legalis zo tegenover elkaar stelt, leidt dat natuurlijk tot de vraag of er in het Oude Testament soms geen

sprake is van een geestelijke dienst van God. Calvijn heeft beseft dat die vraag voor de hand Hgt. Na in zijn uitleg van Joh. 4 : 23 enkele opmerkingen gemaakt te hebben over de geestelijke dienst van God, stelt hij de vraag of de vaderen onder de wet God niet op geestelijke wijze vereerd hebben. Hij antwoordt daarop dat God zichzelf altijd gelijk is en dat daarom de cultus van het begin van de wereld af niet anders dan geestelijk kon zijn. Hij voegt er aan toe dat die cultus beantwoordt aan de natuur van God." Ook op andere plaatsen spreekt Calvijn uit dat de cultus Dei van het begin van de wereld af een geestelijke zaak is. We wijzen op zijn uitleg van Jes. 1 : 13, Jer. 7 : 22 en Ps. 50 : 14." In zijn uitleg van beide laatste teksten verwijst hij naar Joh. 4 : 24. God is geest en daarom keurt Hij geen andere dan een geestelijke cultus goed. Omdat God niet pas begonnen is geest te zijn toen de ceremoniën afgeschaft werden, trekt Calvijn de Conclusie dat God door de vaderen op dezelfde wijze gediend wilde worden als thans.^° Om te onderstrepen dat de cultus Dei altijd een geestelijke zaak geweest is, verwijst Calvijn in zijn uitleg van Joh. 4 : 23 naar Mozes en de profeten. Mozes, zegt hij, verklaart immers op veel plaatsen dat het doel van de wet is, dat het volk met God verbonden is door het geloof en een zuiver geweten. De profeten spreken nog duidelijker als ze optreden tegen de huichelarij van het volk dat denkt God genoeg te kunnen doen met offers en dergelijke uiterlijkheden. Calvijn noemt Ps. 50, Jes. 1, 58 en 66, Micha 5 en Amos IP

De cultus Dei is volgens Calvijn dus altijd een geestelijke zaak geweest. Er is echter verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament wat de geestelijke dienst van God betreft. Om dat verschil aan te geven gebruikt Calvijn dezelfde terminologie die hij ook aanwendt om het onderscheid tussen het verbond in beide Testamenten te beschrijven.-* Hij heeft het over substantia enerzijds en over forma of species anderzijds. In het Oude Testament is de dienst van God wat de substantie of het wezen van de zaak betreft geestelijk, maar naar haar uiterlijke vorm heeft die dienst iets vleselijks en aards.^' Calvijn heeft daarbij de uiterlijke handelingen op het oog. De echte kern van die dienst van God

is geestelijk, de ceremoniën zijn echter iets bijkomstigs.'" Wat de geestelijke dienst van God betreft is er dus onderscheid tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Dit onderscheid betreft echter niet de substantie maar de uiterlijke vorm."

Verder is van betekenis dat het genoemde onderscheid er volgens Calvijn is vanwege de mensen. Voor God zelf is het niet nodig. Hij heeft het onderscheid met het oog op de mensen gegeven.^^ God zelf verandert niet. Hij past zich echter aan bij het bevattingsvermogen van de mensen." Als Calvijn zich zo uitdrukt wil dat niet zeggen dat de verstandelijke vermogens van de mensen in het Nieuwe Testament groter zijn dan die van Israël in het Oude Testament. Soms lijkt Calvijn dat wel te bedoelen. Maar hij spreekt zo in verband met het feit dat de kerk de eeuwen door verschillende leeftijdsfasen doormaakt van jeugd tot volwassenheid.''' Bij God zelf is geen verandering. Hij past zich in Zijn openbaring echter wel aan bij de leeftijdsfase van de kerk of anders gezegd bij de plaats die de kerk op dat moment in de heilsgeschiedenis inneemt.**

Gevaar van ontsporing

In het Oude Testament gaat het dus ook om een geestelijke dienst van God, welke echter gepaard gaat met allerlei uiterlijke handelingen. Een geweldige ontsporing vindt in de geestelijke dienst van God plaats als het volk niet op de juiste wijze onderscheid weet te maken tussen de zaak en het teken, de geestelijke dienst en de uiterlijke vorm.'" Dit gebeurt als het teken van de zaak losgemaakt wordt en een eigen leven gaat leiden. God heeft de offers gegeven en de ceremoniën ingesteld, maar zij moeten geen zelfstandige plaats innemen. Calvijn merkt in zijn uitleg van Jes. 1 : 11 op dat sommige zaken in de voorschriften van God op zichzelf beschouwd moeten worden en dat andere zaken gericht zijn op een ander doel. De wet beveelt dat we God vereren en aanbidden en gebiedt ons vervolgens onze naaste wel te doen. Dat zijn zaken die op zich aan God behagen en op zich vereist worden. Met de ceremoniën is het echter anders. Dat zijn oefeningen die niet op zich vereist worden, maar

vanwege iets anders." Van de offers zegt Calvijn dat deze onder de eerste beginselen vallen.™ De offers zijn hulpmiddelen voor het geloof. Zij stellen een ander doel voor.'" Op zich behagen zij niet aan God, want God is geest en schept geen behagen in die aardse stoffen en heeft geen behoefte aan vlees en bloed. Daarom moet er iets hogers en meer verhevens in de offers gezocht worden.*" Zowel over de offers als over de ceremoniën spreekt Calvijn als oefeningen die God aan het volk gegeven heeft om het daardoor tot een ander doel te leiden." Het vasten noemt hij een uiterlijke oefening. Op zich heeft het vasten geen betekenis in tegenstelling tot de geboden die dat wel hebben. Het gaat in het vasten om een ander doel.*^ Een verkeerd gebruik van offers etc. vindt plaats als deze niet beschouwd worden als oefeningen en hulpmiddelen in verband met de geestelijke dienst van God, maar deze verzelfstandigd worden tot zaken waarmee men God denkt genoeg te kunnen doen. Dat verkeerde gebruik wordt door God veroordeeld. Hij let niet op de uiterlijkheden. De offers etc. zijn door Hem slechts gegeven om de gelovigen te oefenen in de geestelijke dienst van Hem.*'

De cultus Dei spiritualis

De geestelijke dienst van God gaat, zoals we zagen, in het Oude Testament

gepaard met allerlei uiterlijkheden. Hoewel God die uiterlijkheden geboden heeft, moeten we er op letten dat Hij niet tevreden is met alleen uiterlijke verering en dat Hij zich ook niet door ceremoniën laat verzoenen.** Dat andere waar het God om gaat, noemt Calvijn de geestelijke dienst van God. Als we nagaan wat Calvijn verder over die dienst zegt, moet het volgende genoemd worden.

Het eerste is dat de cultus Dei spiritualis een zaak van het hart is. Het accent valt op de zuiverheid van het hart." Alles wat de mens in de dienst van God doet, is tevergeefs als er niet de zuiverheid van het hart aan voorafgaat.*' Het kan wel schijnen dat God aangeroepen wordt, maar huichelarij is het als het hart ver verwijderd is." Tevergeefs worden er offers gebracht, tevergeefs worden er geloften gedaan en tevergeefs wordt God aangeroepen als de zuiverheid van het hart de uiterlijke dienst niet heiligt.** In zijn uitleg van Jes. 1 : 18 laat Calvijn de profeet in de naam van God zeggen: biedt me slechts de reinheid van het hart en alle strijd tussen ons zal ophouden. Ik wil niet langer rechten als ge Mij een zuiver hart aanbiedt'.*" Omdat de ware dienst van God niet zit in de uiterlijke ceremoniën is het de bedoeling dat de mens God niet slechts nadert met uiterlijke pracht en wettelijke vormen, maar dat hij de zuivere vroomheid van het hart meebrengt.'" God eist van Zijn vereerders geen ceremoniën maar een oprechte genegenheid van het hart.'' Tot de dienst van God behoort in de allereerste plaats een innerlijke oprechtheid van het hart."'

God is geest en verlangt daarom een oprecht hart."' Als we nader trachten te omschrijven wat Calvijn onder een zuiver en oprecht hart verstaat, moeten we er op letten dat hij zich richt tegen de schijnvroomheid. Het dienen van God is niet slechts een uiterlijke zaak. Het gaat in dat dienen allereerst om het hart. Wat is het uiterlijke als het innerlijke niet meedoet?

Het accent op het hart is een beklemtonen van de betekenis van het geloof. In zijn commentaar op Joh. 4 : 23 zegt Calvijn dat de dienst van God daarom in de geest geschiedt, omdat die dienst niets anders is dan 'het binnenste geloof van het hart' '•* dat het aanroepen van God voortbrengt en vervolgens de zuiverheid van het geweten en de zelfverloochening zodat we, tot gehoorzaamheid aan God gebracht, voor Hem als het ware heilige offers zijn. En als Calvijn vervolgens Mozes en de profeten als getuigen van de geestelijke dienst van God in het Oude Testament naar voren haalt, zegt hij dat Mozes op veel plaatsen verklaart dat het doel van de wet slechts is dat het volk God aanhangt door geloof en een zuiver geweten.'^ Ook zegt Calvijn dat God in alle eeuwen vereerd wilde worden door geloof, gebeden, dankbetuigingen, zuiverheid van het hart en een heilig leven.^° We constateren dat Calvijn ook in zijn commentaren op het Oude Testament het geloof benadrukt. De eerste plaats in de ware en legitieme dienst van God wordt ingenomen door het geloof en de aanroeping van God.*' Alles wat mensen doen is tevergeefs als ze God niet aanroepen door een waar geloof.'^ Calvijn noemt het geloof de moeder van het aanroepen van God. Als het geloof ontbreekt is er niets dan ijdel spel over.'' God eist van zijn vereerders geen ceremoniën, maar is tevreden met een oprechte genegenheid van het hart, geloof en een heilig leven.'"

Bij Calvijn is er niet alleen een nauwe relatie tussen het hart en het geloof. We moeten er ook een zuiver geweten bij noemen."' Een zuiver hart heeft alles

te maken met een rein en zuiver geweten.'-Voor een goed begrip van wat Calvijn onder een zuiver geweten verstaat, verwijzen we naar zijn uitleg van Jes. 1 : 16.°' Hij zegt daar dat niets aan God behaagt als het niet uit een zuiver geweten voortkomt. Hij voegt er aan toe dat God geen mens is die onze werken beoordeelt op grond van de uiterlijke vorm. Voor God die het hart aanziet, bevlekt een bezoedeld geweten alle deugden. Een zuivere gezindheid moet de uiterlijke cultus heiligen. De reinheid die God eist, is een geheel de mens omvattende zaak. Calvijn heeft het over een algehele reformatie en een renovatie. Het beeld van het wassen betrekt hij niet alleen op innerlijke reiniging. De profeet noemt verderop immers ook de werken. Voor een totale levensvemieuwing zijn we aangewezen op het werk van de Heilige Geest in ons. Calvijn verwijst naar Ezech. 36 : 25 waar de profeet over de Geest als rein water spreekt, omdat de bekering het eigen werk van de Geest is.

Calvijn heeft het meer dan eens over een zuiver geweten zonder te zeggen hoe hij aan die uitdrukking komt. We menen dat hij zich laat leiden door Hebr. 10 : 22." In zijn commentaar op deze tekst zegt Calvijn dat de apostel tegenover de uiterlijke vormen een oprecht hart, de zekerheid van het geloof en de verwijdering van alle kwaad stelt. Hij voegt er aan toe dat we alleen tot God kunnen gaan met een rein of waarachtig hart, een zeker geloof en een zuiver geweten. Een waarachtig of oprecht hart staat tegenover een onecht en dubbelzinnig hart. Bij een hart dat gezuiverd is van een kwaad geweten denkt Calvijn aan twee dingen. We worden door God als zuiver beoordeeld vanwege het verkrijgen van de vergeving der zonden en een hart dat gereinigd is van slechte begeerten worstelt niet met vleselijke prikkels."* Bij het water dat de apostel noemt, denkt Calvijn evenals in zijn uitleg van Jes. 1 : 16 aan de Heilige Geest. We hebben, geheiligd naar lichaam en geest, deel aan Christus. Die heiliging bestaat niet uit een zichtbare praal van ceremoniën, maar is een vast geloof, een zuiver geweten, een reiniging van lichaam en geest, welke ontspringt uit de Geest van God en door die Geest tot stand gebracht wordt."

Het accent dat Calvijn legt op het zuivere hart is dus een onderstreping van de betekenis van het geloof en een zuiver geweten. Een rein hart en een zuiver geweten zijn echter geen zaken die we vanzelfsprekend hebben of die we door inspanning verkrijgen. Zowel in zijn uitleg van Jes. 1 : 16 als in zijn commentaar op Hebr. 10 : 22 verwijst Calvijn naar het werk van de Heilige Geest. Wij kunnen God niet meer bieden dan een verbroken en verslagen hart. Dat offer

behaagt God. Maar dat offer heeft niets verdienstelijks zegt Calvijn in zijn uitleg van Ps. 51 : 19."^ Als verbrokenen en verslagenen van hart gaan we tot God en we verwachten het van Zijn genade. Hij moet ons opheffen.** Het dienen en verheerlijken van God begint ook daar waar mensen nederig en bescheiden over zichzelf oordelen."' God wil dat we ons vertrouwen geheel en al op Zijn genadige goedheid stellen en dat we geheel hangen aan Zijn vaderlijke goedertierenheid.™

De cultus Dei spiritualis is geen puur innerlijke zaak

Als Calvijn het over de geestelijke dienst van God heeft, laat hij het accent vallen op het hart, het geloof en het zuivere geweten. Daaruit moeten we niet de conclusie trekken dat die geestelijke dienst een puur innerlijke zaak is. In het Oude Testament gaat de cultus Dei spiritualis gepaard met allerlei uiterlijke handelingen. Die handelingen zijn niet verkeerd. De profetische kritiek betreft niet het feit dat er offers gebracht worden, maar het verkeerde gebruik dat er van de offers gemaakt wordt. God verwerpt het misbruik en het valse vertrouwen." Als de offers verkeerd gebruikt worden, zijn die offers geen hulpmiddelen voor de geestelijke dienst van God maar hinderpalen.'*

De cultus Dei spiritualis betreft in eerste instantie de relatie van de mens tot God. Calvijn zegt immers dat de eerste tafel van de wet betrekking heeft op de cultus Dei en dat de tweede tafel gaat over de liefde van de mensen onderling.™ Als Calvijn de geestelijke dienst van God in de beperkte betekenis van de menselijke relatie tot God omschrijft, neemt het loven van God een zeer belangrijke plaats in." Met het oog op Ps. 50 : 14, waar de psalmist ons oproept

God lof te offeren, is dat geen wonder. Deze tekst wordt door Calvijn menigmaal geciteerd.'^ Het loven van God is het voornaamste offer aan God.'" Het lofoffer is van grotere betekenis dan alle uitwendigheden die onder de wet gebruikelijk waren. Het houdt in: e goedheid van God in dankzegging prijzen." Dat loven van God waartoe we in de Psalmen herhaaldelijk opgeroepen worden, moeten we niet simplistisch opvatten. In zijn uitleg van Ps. 50 : 14 zegt Calvijn dat de psalmist de geestelijke dienst van God in grove lijnen schetst als hij het heeft over lof, gebeden en dankzegging.'* Het aanroepen van God komt uit het geloof voort en is altijd verbonden met lijdzaamheid en brengt de doding van het vlees met zich mee, en ware dankzegging kan ook niet bestaan zonder zuivere en oprechte genegenheid van het hart." Het offer van de lof moet meer inhouden dan dat we onze tongen offeren. God wordt pas wettig geprezen als we onszelf en al wat in ons is aan Hem offeren.*"

In het Oude Testament staat het loven van God en het gebed tot God in verbinding met de tempel, de altaren en de offeranden. Dat zijn hulpmiddelen door God gegeven om ons in de geestelijke dienst van God te oefenen. Omdat volgens Calvijn in het Nieuwe Testament alle uitwendige gebruiken uit het Oude Testament geen rol meer spelen in het dienen van God, wekt Calvijn de indruk met de geestelijke dienst van God een puur innerlijke zaak te bedoelen. We wezen reeds op de tegenstelling van cultus Dei spiritualis en cultus legalis. Ook zagen we dat de geestelijke dienst volgens Calvijn een zaak van het hart is. Toch heeft hij met de cultus Dei spiritualis geen puur innerlijke aangelegenheid op het oog. Er zijn ook vandaag nog de externa exercitia pietatis, zegt hij", en denkt daarbij aan de verkondiging van het evangelie, de ambten en de sacramenten.*^ In een door hem uitgegeven preek over Ps. 16 : 4 laat hij duidelijk blijken dat de geestelijke dienst van God ook een uitwendige kant heeft.*' Calvijn bestrijdt daar die christenen die van mening zijn dat ze gerust mee kunnen doen aan de roomse eredienst. Hun argumenten: e doen maar

alsof, intussen vertrouwen we op God en we dienen Hem met ons hart, deugen niet. Als er ware oprechtheid is - wat een zaak van het hart is - dan handelt het lichaam daar niet tegen in. Geest en lichaam en lichaam en ziel horen bij elkaar. We moeten God verheerlijken in geest en lichaam. God is de Schepper van de gehele mens. Christus is de verlosser van lichaam en ziel. Onze lichamen zijn tempels van de Heilige Geest. We zijn met Christus verenigd naar lichaam en ziel. Calvijn wijst ook op de sacramenten. De doop is een teken dat we lichamelijk ontvangen. En in de viering van het heilig avondmaal doen de hand en de mond mee.

Dat de cultus Dei spiritualis geen puur innerlijke zaak is, treedt ook aan het licht als we er op letten dat die cultus naar de mening van Calvijn niet beperkt mag worden tot de relatie met God. De juiste omgang met de naaste hoort er ook bij. Calvijn legt wat dat betreft enkele belangrijke verbindingen. De eerste is die van het hart en de daden. De geestelijke dienst van God is een zaak van het hart, maar de zuiverheid van het hart is meer dan een innerlijke aangelegenheid. De ware reinheid zetelt in het hart, maar toont haar vruchten in de werken van de handen, zegt Calvijn in zijn uitleg van Ps. 24 : 4.** Dat is een opvallende uitspraak omdat in de tekst eerst de handen en vervolgens het hart genoemd wordt. Die volgorde heeft volgens Calvijn te maken met het feit dat het gevolg vaak voor de oorzaak genoemd wordt. In orde gaat het hart voorop.*'* De gehoorzaamheid neemt een aanvang in het hart.*' De zetel van de bekering ligt ook in het hart.^' Hoewel het in Jes. 58 : 6 over daden gaat die goed zijn in Gods ogen, heeft Calvijn het in de uitleg van die tekst eerst over de zuiverheid van het hart.** Wat het zich houden aan de wet betreft, zegt hij, moeten we niet slechts letten op de uiterlijke werken, maar ook op de innerlijke gezindheid.*" Er is immers een diepe samenhang tussen het hart en de daden. In onze werken, door Calvijn vaak vruchten genoemd, treedt aan het licht wat voor gezindheid we hebben."" Calvijn wijst er ook meer dan eens op dat een profeet vaak oproept te doen wat de tweede tafel van de wet voorschrijft, omdat daaruit gemakkelijk valt af te leiden wie wij zijn."' De mensen, zegt Calvijn,

bewijzen pas ook echt dat ze God dienen als ze onder elkaar wederzijdse gerechtigheid laten gelden.'^ Met de geestelijke dienst van God, welke allereerst een zaak van het hart is, is dus onlosmakelijk een daadwerkelijke gehoorzaamheid verbonden. De Heilige Geest, zegt Calvijn, grift de wet van God in onze harten en zo vormt God onze harten tot gehoorzaamheid."' In zijn uitleg van Jer. 7:21-24 accentueert Calvijn in overeenstemming met wat de profeet zegt de betekenis van de gehoorzaamheid aan God.°* Het belangrijkste deel van de ware dienst van God is dat we naar de sprekende God luisteren. Gehoorzaamheid is meer dan offerande."^ Gehoorzaamheid is als het ware het fundament van de totale ware vroomheid. Als we God willen dienen, moeten we leren al het onze af te schrijven zodat Gods gezag de overhand heeft op geheel ons denken.'"

Calvijn legt in verband met de geestelijke dienst van God naast de verbinding tussen het hart en de daden ook een nauwe relatie tussen het geloof en een leven naar Gods wil. We geven hiervan enkele voorbeelden. In zijn uitleg van Jes. 1 : 10-20 stelt Calvijn duidelijk dat de dienst van God van het begin van de wereld af geestelijk is." De betekenis van het ware geloof wordt door hem beklemtoond.'* In vers 18 heeft de profeet het over de tweede tafel van de wet. De profeten, zegt Calvijn, roepen de hypocrieten terug tot de ware dienst van God en willen dat die uit de vruchten aangetoond wordt." In zijn verklaring van Jer. 7 : 21-24 zegt Calvijn ook duidelijk dat de dienst van God een geestelijke zaak is."" Verder beklemtoont hij de betekenis van het geloof en het aanroepen van God. Dat zijn hoofdzaken in de ware en wettige dienst van God.'°' Vervolgens onderstreept hij het belang van de gehoorzaamheid. De

gehoorzaamheid is als het ware het fundament van de ware vroomheid.""* Van de Joden zegt hij dat ze veel ijver aan de dag leggen ten aanzien van het brengen van de offers, maar het voornaamste, geloof en boetvaardigheid, verwaarlozen ze."" In zijn uitleg van Hosea 6 : 6 zegt Calvijn dat de profeet tegenover alle uitwendige ceremoniën het geloof of de vroomheid jegens God en de liefde jegens de naaste plaatst."''' De geestelijke dienst van God is gelegen in geloof en liefde.""' Calvijn heeft het ook in zijn verklaring van Micha 6 : 6-8 over de geestelijke dienst van God. Hij zegt dat God heel wat anders eist dan de uiterlijke ceremoniën van de hypocrieten. Zijn dienst is immers geestelijk."" Het gaat om geloof en boetvaardigheid."" De verheerlijking van de naam van God is het voornaamste, maar de ware vroomheid treedt aan het licht in de wijze waarop we met onze naaste omgaan."**

Conclusie

We concluderen dat de geestelijke dienst van God zowel de relatie tot God als die tot onze naaste betreft. De verhouding tot God is het belangrijkste. Maar de omgang met onze naaste kan er niet van losgemaakt worden. In de geestelijke dienst van God valt een sterk accent op het hart. Het gaat God om onszelf. We moeten onszelf aan God offeren. Als Calvijn het over de geestelijke dienst van God heeft, onderstreept hij de betekenis van het geloof en van de gehoorzaamheid. Calvijn noemt de ware dienst van God geestelijk. Die aanduiding houdt niet in dat de dienst van God een vluchtige, ongrijpbare, 'spiritualistische' zaak zou zijn. God dienen is een innerlijke zaak, een zaak van het hart, maar tegelijk ook een zeer concreet, daadwerkelijk leven met God. De Geest legt beslag op ons hart en vernieuwt ons leven door ons te brengen tot geloof in en gehoorzaamheid aan God.

Tenslotte: om. 12 : 1 ('de redelijke eredienst')

We hebben in het begin van dit artikel gewezen op het verband tussen Calvijns uitdrukking 'cultus Dei spiritualis' en Joh. 4 : 23. Aan het slot van dit artikel wijzen we op een andere tekst, nl. Rom. 12 : 1, welke door Calvijn nogal eens genoemd wordt als hij het over de geestelijke dienst van God heeft.

Calvijn citeert Rom. 12 : 1 met name om te onderstrepen dat we onszelf geheel en al aan God moeten offeren."" Een rechtstreekse verbinding tussen de uitdrukking cultus Dei spiritualis en Rom. 12 : 1 legt Calvijn niet, terwijl dat toch mogelijk is. Paulus heeft het immers over 'de redelijke eredienst'. De exegeten gaan uitvoerig op de betekenis van dat woordje 'redelijk' in."" Logikos wordt beschouwd als een synoniem van pneumatikos. Het leven van de christen wordt beschreven als een geestelijke offerdienst. De exegeten benadrukken dat Paulus niet in de zin van het Griekse denken het innerlijke en het geestelijke accentueert. Hij heeft het immers over het offer van 'uw lichamen'.'" Heeft Paulus het daarom over logikos en niet over pneumatikos? "^ Het is zeer goed mogelijk dat Paulus in het gebruik van de uitdrukking 'redelijke eredienst' de profetische kritiek uit het Oude Testament op uiterlijk ritueel zonder de overgave van het hart laat meespelen.'" We hebben gezien dat dat bij Calvijn in ieder geval zo is. De cultus Dei spiritualis staat tegenover de cultus legalis.

Hoewel Calvijn in zijn commentaar op Rom. 12 : 1 geen duidelijke verbinding legt tussen 'redelijk' en geestelijk, zien we er toch vrijwel alle aspecten aan bod komen die betrekking hebben op wat hij verstaat onder de geestelijke dienst van God. Calvijn beschouwt de uitdrukking 'ten offer stellen' als een toespeling op de door Mozes voorgeschreven offers."* Met lichamen, zegt hij, bedoelt Paulus niet slechts vlees en beenderen, maar onszelf geheel en al."^ We moeten ons totaal in Gods macht stellen. Dat kan niet anders dan door onszelf te verloochenen en onze eigen wil geheel op te geven."' De redelijke dienst van God is de wettige dienst van God waarin we onszelf in al ons handelen laten leiden door Gods gebod."' In Inst. TV 18, 16 citeert Calvijn Rom. 12 : 1 en legt

daar wel verband tussen redelijk en geestelijk. Onder een redelijke dienst van God, zegt hij, verstaat de apostel een geestelijke wijze van God dienen, welke hij stelt tegenover de vleselijke offers van de wet."* Calvijn voegt er nog de opmerking aan toe dat alle goede werken van de gelovigen geestelijke offers

> Zie CO 2, 313-329.

* CO 2, 315 (Inst. II 10, 3) 'Quod si spiritualis est evangelii doctrina ...'.

» CO 2, 317 (Inst. II 10, 7) '.. .spirituale foedus ...' en CO 2, 323 (Inst. II 10, 15) '... spiritualis foederis declaratie ...'.

« CO 2, 318 (Inst. II 10, 8) '... vitae spiritualis ...'; CO 2, 326 (Inst. II 10, 19) '... de spirituali vita...'; CO 2, 327 (Inst. II 10, 20) '.. .futurae ac spiritualis vitae' en CO 2, 328 (Inst. II 10, 23)'.. .spiritualis aetemaeque vitae ...'.

» Zie W. de Greef, Calvijn en het Oude Testament, Amsterdam 1984, 104-108.

» H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek II, 2e dr., Kampen 1908, 177.

^ Zie voor wat de spiritualis Dei betreft J. R. Wiskerke, 'Calvijn over de geestelijkheid van God' in De strijd om de sleutel der kennis. Een bundel opstellen over theologie en filosofie, Groningen 1978, 125-134. Ook in: De Reformatie 42 (1966/ 67), 35-38, 44-46 en 59-60. H. M. Kuitert, De mensvormigheid Gods, 2e dr., Kampen 1967, 80-82.

' Zie voor beide genoemde punten het vervolg.

• Literatuur: Daniel Augsburger, 'Calvin et Ie second commandement' in Histoire de lexégèse au XVIe siècle. Textes du collogue international tenu a Geneve en 1976. Réunis par Olivier Fatio et Pierre Fraenkel. Etudes de Philologie et d'Histoire 34, Geneve 1978, 84-94.

'» CO 26, 259 (Serm. Deut. 5:8-10) '... mais que Dieu soit servi de nous purement selon sa nature, et non point a notre fantasie'.

" CO 1, 32-33 {Inst. 1536 Gap. I De Lege) 'Istud [se. het tweede gebod] qualis ipse ille sit, docet, et quo cultus genere honorandus, ne quid illi carnale affingere audeamus, aut ipsum sub nostros sensus subiicere, quasi stolido nostro capite comprehendi possit, aut ulla specie repraesentari'. Vgl. ook Inst. II 8, 17 (CO 2, 278-279).

" CO 2, 279 (Inst. II 8, 17) '... ac proinde ad legitimum sui cultum, hoc est spiritualem et a se institutum, format'.

" Over dit onderwerp hebben we geen literatuur kunnen vinden. Alleen Alexandre Ganoczy, Le jeune Calvin. Genese et evolution de sa vocation reformatrice, Wiesbaden 1966 schrijft op p. 228-232 over Le 'cultus in spiritu et veritate', maar beperkt zich tot de Institutie uit 1536. Over de spiritualiteit bij Calvijn bestaat wel enige literatuur: J. van der Haar, Het geestelijk leven bij Calvijn (De onbekende Calvijn), Utrecht 1959; Simone Brunet, La spiritualité calvinienne, Montpellier 1973; Lucien Joseph Richard, The spirituality of John Calvin, Atlanta, Georgia 1974 en G. S. Yule, 'The spirituality of Luther and Calvin' in Christian spiritual theology. An ecumenical reflection, ed. Noel J. Ryan, Melbourne 1976.

'* Zie CO 47, 88-90.

'^ CO 47, 88 'Sequitur posterius membrum de abrogando legali cultu.'

" Ibidem 'Nam inde sequitur rite ubique locorum invocari.'

" CO 47, 90 'Quid sit Deum colere in spiritu et veritate ex superioribus dilucide patet, nempe, ablatis veterum rituum involucris, simpliciter retinere quod spirituale est in Dei cultu.'

" CO 49, 15 'Forte etiam ad veteres caeremonias respexit, quibus solis Dei cultum aestimabant ludaei.'

" Ibidem 'Significat ergo, etiamsi exercitium illud non habeat, se nihilominus integrum esse Dei cultorem: sicut ad Philip. 3, 3 ...'

*° CO 52, 43 'Per cultum spiritualem intelligit eum, qui nobis in evangelic commendatur...'

-' Ibidem 'Subaudienda autem est antithesis: quia ex adverso taxat legalem cultum ...'

** Ibidem 'Ex hoc principle sequitur, nunc purum et legitimum Dei cultum a caeremoniis legalibus immunem esse: et veram circumcisionem fidelibus constare citra figuram.'

2' CO 2, 1062 'Ubi significanter admodum loquutus est, quum hunc esse rationalera nostrum cultum subiecit. Intellexit enim spiritualem colendi Dei ritum, quem carnalibus legis mosaicae sacrificiis tacite opposuit.'

24 CO 47, 88 'Hinc exoritur altera quaestio, annon sub lege spiritualiter eum patres coluerint. Respondee, quum semper sui similis sit Deus, non alium ab initio mundi cultum probasse quam spiritualem, qui eius naturae congrueret.' Vgl. CO 2, 253 {Inst II 7, 1).

25 Zie CO 36, 40 (Jes. 1:13), CO 37, 690 (Jer. 7:22) en CO 31, 500-502 (Ps. 50:14).

2« Zie CO 31, 502 (Ps. 50:14) 'Atqui non coepit demum esse spiritus quum abrogavit caeremonias legales. Sequitur itaque, eodem quo nunc modo voluisse coli a patribus.'

" Zie CO 47, 88.

28 Zie CO 24, 290 (Ex. 12:14), CO 36, 64 (Jes. 2:3), CO 38, 688 (Jer. 31:31) en CO 38, 691 (Jer. 31:33).

2» CO 47, 89 (Joh. 4:23) 'Ideo cultum legis apte dicemus fuisse in sua substantia spiritualem, formae respectu carnalem quodammodo ac terrenum.' Vgl. CO 31, 502 (Ps. 50:14) 'Caeterum idem cultus quoad substantiam, externa tantum specie diversus est...'

'" CO 47, 90 (Joh. 4:23) 'Nam Veritas divini cultus in spiritu consistit, caeremoniae autem quiddam erant adventitium.'

'' Zie het onder n. 29 geciteerde uit Calvijns commentaar op Ps. 50:14. Vgl. CO 47, 89 (Joh. 4:23) '... in externa tantum forma nos esse patribus dissimiles constat...'

'2 CO 36, 40 (Jes. 1:13) '... quod autem alia fuerunt exercitia sub veteri Testamento, et diversa a nostris, hoc hominum, non Dei respectu effectum est.'

" Ibidem 'In Deo enim nulla est mutatio, sed ad imbecillitatem hominum sese accommodat.' Vgl. CO 31, 502 (Ps. 50:14).

" Vgl. de toevoeging aan het onder n. 32 vermelde citaat uit Calvijns commentaar op Jes. 1:13 'Itaque ea gubernatio ludaeis, ut pueris sua paedagogia, conveniebat.'

5= Zie W. de Greef, Calvijn en het Oude Testament, Amsterdam 1984, 140-141.

'« CO 38, 690-691 (Jer. 7:22).

" CO 36, 38 (Jes. 1:11) 'Sed notandum est in praeceptis Dei alia per se spectanda esse, alia tendere in diversum finem. Verbi gratia: ex iubet ut colamus Deum ac veneremur, deinde ut benefaciamus proximis. Haec per se gratia sunt Deo, et per se requiruntur. In caeremoniis alia est ratio: unt enim exercitia quae non requiruntur per se, sed propter aliud.'

'8 CO 31, 413 (Ps. 40:8-9) '... inde colligere promptum est... et puerilia fuisse rudimenta quae veteri populo Deus ad tempus mandaverat...'

" CO 31, 411 (Ps. 40:7) 'In hac vero comparatione, nihil mirum si sacrificia nuUius momenti esse dicat, quia tantum adminicula erant pietatis, tendebantque in alium finem.' Vgl. CO 36, 38 (les. 1:11) '... sed ut sint pietatis adminicula ...' en CO 37, 691 (Jer. 7:21-24) 'Videmus ergo ut Deus ab initio non exegerit sacrificia, quoniam exegit in alium finem ...'

*" CO 31, 411 (Ps. 40:7) '... quia tu, qui spiritus es, non moraris terrena haec elementa, nee came vel sanguine indiges; ideoque aliquid altius et praestantius requiri.' Vgl. CO 2, 253 (Inst II 7, 1) 'Atqui ostendit typus ille, Deum non ideo mandasse sacrificia ut cultures suos occuparet in terrenis exercitiis, sed potius ut altius erigeret eorum mentes.'

" CO 36, 38 (Jes. 1:11) 'In caeremoniis alia est ratio: unt enim exercitia quae non requiruntur per se, sed propter aliud.'; CO 42, 330 (Hosea 6:6-7) 'Deus enim non exigit externas caeremonias, ac si per se aliquid valeant, sed in alium finem.'; CO 42, 331 (Hosea 6:6-7) 'Hic ostendit Deus frustra iactari ab Israelitis sacrificia, et omnes illas pompas externi cultus, quia scilicet Deus non spectaverit illa externa, sed tantum exercere voluerit fideles ad spiritualem cultum.' en CO 43, 393 (Micha 6:6-8) 'Sed notandus est finis. Deus enim non mandavit sacrificia, quasi per se sint uUius momenti: ed voluit adducere veterem populum talibus exercitiis ad poenitentiam et fidem.'

*^ CO 'il, 'in (Jes. 58:4) 'At ieiunium cultus Dei non est, nee per se ab ipso requiritur; quemadmodum ea opera quae in lege praescribit: ed externum exercitium est...'; CO 36, 38 (Jes. 1:11) 'Est ergo alius finis ieiunii.' en CO 37, 691 (Jer. 7:22-24) '... quemadmodum si hodie dicamus Deum nihil morari ieiunia: arnen scimus ieiunia nobis commendari. Verum est: ed non propter se.'

*' Zie het onder n. 41 geciteerde uit CO 42, 330 (Hosea 6:6-7).

** Vgl. CO 36, 39 (Jes. 1:11) 'Fuit autem perpetuum hoc certamen prophetis cum populo, ut larvas istas excuterent, atque ostenderent Dominum externo cultu non esse contentum, nee caeremoniis placari posse.'

** CO 37, 690 (Jer. 7:22-24) 'Ergo quemadmodum hodie non alium cultum probat, quam spiritualem, sicuti est spiritus: ta et sub lege voluit sincero corde se coli.' en CO 37, 691 (Jer. 7:22-24) 'Ergo eo diligentius notanda est nobis haec doctrina, quod scilicet Deus spiritualem cultum ita probet, ut reliqua omnia pro nihilo ducat, nempe ubi separantur a cordis affectu.'

*• CO 36, 39 (Jes. 1:11) '... nisi praecedat cordis integritas.' Zie ook CO 37, 326 (Jes. 58:4) '... posteriore [se. membro] rationem reddidit, cur eorum ieiunia aliaque opera Dominus aversetur, quod scilicet a puro animi affectu non prodeant.'

" CO 36, 41-42 (Jes. 1:15) 'Non damnat ergo propheta extensionem manuum, sed hypocrisin: uod speciem quidem invocantium prae se ferrent: nimo autem essent valde alieni...'

valde alieni...' *' CO 36, 43 (Jes. 1:13) 'lam asseruit propheta noster frustra offerri sacrificia Deo, frustra vota fieri, frustra invocari eius nomen, nisi animi integritas externum cultum sanctificet.'

*' CO 36, 46 '... tantum afferte munditiem cordis, omnisque inter nos controversia cessabit. Nolim amplius litigare, si cor mihi integrum praestetis.'

'» CO 31, 410 (Ps. 40:7) 'Interea tarnen de vero eius cultu disserens ostendit non esse positum in extemis caeremoniis, sed spiritualem potius esse. Itaque sensus est, non accedere ipsum cum externa tantum pompa et legalibus figuris in conspectum Dei, sed integram cordis pietatem afferre.'

'' Ibidem 'Quare summa est, Deum a suis cultoribus non exigere caeremonias, sed sincero cordis affectu ...'

'* CO 31, 675 (Ps. 73:1) 'Et certe in Dei cultu primas partes obtinet interior cordis sinceritas.' Vgl. CO 43, 393 (Micha 6:6-8) '... quod praecipue, imo unice requirit, ut scilicet afferant cor integrum.'

" CO 37, 692 (Jer. 7:22-24) 'Sicuti autem est spiritus, ita requirit sincerum cordis affectum.'

'* CO 47, 88 'Dicitur ergo spiritu constare Dei cultus, quia nihil aliud est quam interior cordis fides ...'

" Ibidem 'Cuius rei Moses ipse satis locuples est testis, qui multis locis declarat non alio spectare finem legis, quam ut fide et pura conscientia populus Dei adhaereat.' " CO 47, 89 'Omnibus saeculis fide, precibus, gratiarum actione, puritate cordis, et vitae innocentia coli Deus voluit...'

" CO 37, 692 (Jer. 7:22) '... ubi scilicet abest fides, ubi abest invocatio, quae primatum tenent in vero et legitimo cultu.' Vgl. CO 42, 463 (Hosea 12:7) '... et incipimus a spirituali eius cultu, cuius praecipua pars est fides, ex qua deinde nascitur invocatio.'

" CO 36, 40 (Jes. 1:11) '... vanumque et infructuosum esse quidquid agunt homines, nisi vera fide ipsum invocent.'

" CO 36, 42 (Jes. 1:15) 'Fides enim mater est invocationis: a si absit, nihil superest praeter inanem ludum.'

"> CO 31, 410 (Ps. 40:7) 'Quare summa est, Deum a suis cultoribus non exigere caeremonias, sed sincero cordis affectu, fide et vitae sanctimonia contentum ess...'

" CO 47, 88 (Joh. 4:23) 'Dicitur ergo spiritu constare Dei cultus, quia nihil aliud est quam interior cordis fides, quae invocationem parit, deinde conscientiae puritas...' Literatuur: avid Lee Foxgrover, John Calvin's understanding of conscience, Claremont 1978.

•2 Zie CO 37, 328 (Jes. 58:6) waar Calvijn een Integra et pura conscientia op één lijn stelt met puritas cordis.

" Zie CO 36, 43.

«< Zie CO 55, 129-130.

" CO 55, 130 'Abstersionem cordis a mala conscientia appellat, vel quum impetrata peccatorum venia puri censemur coram Deo, vel dum cor ab omnibus pravis affectibus purgatum carnis stimulis non pungit. Ego libenter utrumque comprehendo.'

•• Ibidem 'Summa est, nos fieri Christi participes si corpore et anima sanctificati ad eura accedimus. Hanc porre sanctificationem esse, non quae visibili caeremoniarum pompa constat, sed firmam fidem, puram conscientiam, corporis et animae munditiem, quae in spiritu Dei manat et perficitur.'

" Zie CO 31, 522 'Unde sequitur, corde contrite iacere omnia merita, ut nihil mutuum afferant homines.'

"' CO 31, 523 '... sed tantum docet non aliter gratiam nos consequi apud Deum, quam dum in nobis deiecti et confusi, in solam eius misericordiam recumbimus, dum supplices prodimus cum ingenua nuditatis nostrae confessione: denique curvi et fracti iacemus ut nos erigat.'

•» CO 43, 394-395 (Micha 6:6-8) 'Haec igitur vera est ratio ambulandi cum Deo, si nos totos subigimus, imo redigimus in nihilum, quia hoc est etiam initium colendi et glorificandi Dei, ubi homines humiliter et modeste de se sentiunt.' '"> CO 37, 692 (Jer. 7:22) 'Deinde scimus Deum ita ad nos prodire, ut velit fiduciam nostram in gratuita sua bonitate prorsus locari, ut velit nos totos pendere a paterna sua dementia ...'

'• Zie bv. CO 37, 327 (Jes. 58:4) 'leiunium quale in ludaeis in usu erat, hic per se non improbatur, quasi superstitiosus ritus: ed abusus ieiunii te prava fiducia.' " CO 31, 502 (Ps. 50:14) '... quum propheta ludaeos ad metam vocat, vel scopum illis proponit, non tollere adiumenta, sed vitium duntaxat corrigere, quod illis ludaei tanquam obstaculis, a recta via abducerentur.'

" CO 45, 611 (Matth. 22:37) 'Nam quum distincta sit in duas tabulas, quarum prior ad cultum Dei, secunda ad caritatem refertur...' Vgl. CO 45, 612 (Matth. 22:39) 'Secundum locum mutuae inter homines caritati assignat, quia Dei cultus prior est ordine.'

CO 31, 501 (Ps. 50:14) 'Porro ut doceat spiritualem esse Dei cultum, laudem Dei et invocationem caeremoniis quibuslibet ac externae pietatis professioni opponit.' Vgl. bv. CO 32, 213-214 (Ps. 118:27-29) en CO 32, 357 (Ps. 135:1) waar de geestelijke dienst van God in verband gebracht wordt met het loven van God.

" CO 23, 103 (Gen. 4:25); CO 31, 268 (Ps. 26:7); CO 38, 292 (Ier. 17:26) en CO 44, 219 (Zach. 7:1-3).

" CO 32, 355 (Ps. 134:1) '... ad praecipuum illud sacrificium ...'

" CO 55, 193 (Hebr. 13:15) 'Porre sacrificium laudis... pluris etiam quam omnia externa, quorum usus fuit sub lege...' en ibidem 'Videmus ergo, hunc praestantissimum esse Dei cultum, et qui merite aliis quibiislibet exercitiis praeferendus sit, quum bonitatem gratiarum actione celebramus.'

'* CO 31, 501 '... quum satis prophetae fuerit pro vulgi captu crasse describere spiritualem Dei cultum sub laude, precibus, et gratiarum actione.'

'" Ibidem 'Sed quia ex fide nascitur Dei invocatio et cum patientia semper coniuncta est, et carnis mortificationem secum trahit, neque etiam potest constare vera gratitude sine integro et sincere cordis affectu ...'

*» CO 32, 198-199 (Ps. 116:13) 'Interea meminerimus rite Deum a nobis laudari, si non modo linguas, sed nes ipsos et quidquid in nobis est offerimus in sacrificium ...'

*' CO 47, 89 (Joh. 4:23) 'Sunt quidem et nobis hedie externa quaedam pietatis exercitia ...'

82 Zie Inst IV 1, 1 (CO 2, 475).

*' Zie met name CO 8, 379-382.

8* CO 31, 245 'Vera quidem puritas in corde sedem habet, sed fructus sues in operibus manuum profert.'

*5 CO 31, 246 'Si cui absurdum videtur, priorem locum manibus tribui: facilis responsie est saepe effectus nominari ante suas causas: non quod praeeant ordine, sed quia interdum utile est incipere a rebus magis notis.'

*' CO 31, 412 (Ps. 40:8-9) '... deinde frustra in observationem legis componi pedes et manus, et oculos, nisi a corde incipiat obsequium.'

*' CO 36, 44 (Jes. 1:16) 'Quum autem poenitentia sedem habeat in corde hominis ...'

** Zie CO 37, 328.

*" CO 37, 329 (Jes. 58:6) 'Quum itaque de observatione legis agitur, non tantum externa opera, sed animi quoque affectus in rationem venire debent.'

"» Zie CO 37, 328 (Jes. 58:6) 'Respondee, ipsam [se. puritas cordis] ab operibus seu a fructibus designari. Ex his qualis sit animus facile constat.'

" CO 37, 326 (Jes. 58:4) 'Ostendit autem qualis eorum animus sit a fructibus. Nam revocat ipsos ad officia secudae tabulae, ex quibus facile deprehenditur quales simus.'

»2 CO 45, 325 (Matth. 12:7) '... quia tarnen fideles mutuam inter se iustitiam colendo Deum colere serio testantur ...'

" CO 31, 412 (Ps. 40:8-9) 'Caeterum ex aliis scripturae locis notum est, proprium esse munus spiritus sancti, legem Dei cordibus nostris insculpere. ... atque hinc vera libertas, ubi corda nostra, quae prius mancipata erant peccato, Deus in obsequium suum format.'

M Zie CO 37, 689-694.

«3 CO 37, 693 '... nempe hanc esse praecipuam partem veri et recti cultus, ubi audimus Deum loquentem: et pluris esse obedientiam quam omnes victimas ...'

" CO 37, 694 'Quid ergo restat? dixi obedientiam esse quasi fundamentum totius verae pietatis. Ergo ex opposite si volumus probari Deo cultum nostrum, discamus abnegare quidquid nostrum est, ita ut praevaleat eius autoritas omnibus nostris rationibus.'

"^ CO 36, 40 (Jes. 1:13) 'Nam cultus Dei ab initio mundi, spiritualis f uit...'

98 Zie n. 58 en n. 59.

"• Zie CO 36, 46 (Jes. 1:18) 'Nunc satis patere arbitror cur Isaias beneficentiae potius meminit quam fidei vel invocationis: t cur tam varie loquantur prophetae, quum ad verum Dei cultum hypocritas revocant, eumque a fructibus ostendi volunt.'

'"» CO 37, 690 'Scimus enim ab initio, Deum voluisse spiritualiter coli: neque enim hodie mutavit naturam. Ergo quemadmodum hodie non alium cultum probat, quam spiritualem ...'

'"1 CO 37, 692 'Quoniam ergo Deus haec omnia diserte verbo suo exprimit, iam certum est, merite tanquam vitiosos reiici omnes alios cultus, ubi scilicet abest fides, ubi abest invocatie, quae primatum tenent in vero et legitimo cultu.'

"•* CO 37, 694 '.. .dixi obedientiam esse quasi fundamentum totius verae pietatis.'

"" CO 37, 690 'Nam quum sedulo operam sacrificiis impenderent ludaei, negligebant quod erat praecipuum, nempe et fidem et poenitentiam.'

"•* CO 42, 329 'Neque enim dubium est quin hic propheta fidem vel pietatem erga Deum, deinde caritatem erga proximos opponat omnibus extemis caeremoniis.'

"" Ibidem "... et negligunt spiritualem Dei cultum qui positus est in fide et caritate.' en CO 42, 331 "... ut me spiritualiter colerent, nempe fide et caritate ...'

iM CO 43, 394 'Hypocritae totam sanctimoniam locant in extemis caeremoniis. Deus autem longe aliud requirit. Cultus enim eius spiritualis est.'

"' Ibidem "... et non spectarent finem, neque se exercerent in fide et poenetentia...'

"" Ibidem 'Propheta igitur iudicium et misericordiam hic nominal, non quod Deus ita abiiciat quod praecipium est, nempe cultum nominis sui: sed a signis, vel ab effectis ostendit quaenam sit vera pietas.

'«» CO 27, 77-78 (Serm. Deut. 11:1-4); CO 27, 353-354 (Serm. Deut. 15:16-23); CO 28, 60 (Serm. Deut. 22:25-30); CO 28, 112 (Serm. Deut. 23:18-20; CO 28, 385-386 (Serm. Deut. 28:15-24); CO 28, 570-571 (Serm. Deut. 30:6-10); CO 28, 599 (Serm. Deut. 31:1-8); CO 32, 40 (Ps. 96:7-8); CO 37, 452 (Jes. 66:20); CO 42, 28 (Serm. Dan. 11:14-19); CO 45, 49 (Luc. 1:73); CO 50, 439 (Serm. Gal. 2:17-19); CO 50, 536 (Serm. Gal. 3:19-20) en CO 51, 217 (Ef. 5:9).

"» Zie bv. Theodor Zahn, Der Brief des Paulus an die Romer, 3e Aufl., Leipzig 1925, 537; Herman Ridderbos, Aan de Romeinen, Kampen 1959, 273; A. F. N. Lekkerkerker, De brief van Paulus aan de Romeinen II, Nijkerk 1965, 107 en Otto Michel, Der Brief an die Romer, 4e Aufl., Göttingen 1966, 292.

"' Zie bv. Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament IV, 145-146 en Ridderbos, ibid., 273.

"« Zo bv. Zahn, ibid., 537.

"3 Zo bv. Lekkerkerker, ibid., 107.

"* CO 49, 234 'Quod iubet nes sistere, in eo allusie quidem est ad mosaica sacrificia, quae ad altare tanquam in Dei conspectum exhibebantur ...'

"* Ibidem 'Corpora autem non vocat ossa tantum et cutem, sed totam massam qua constamus: et eo quidem nomine usus est, quo melius designaret omnes nostri partes per synecdochen.'

"• Ibidem 'Corpus nostrum oportere offerri in sacrificium Deo. Quo insinuat nos iam non esse nostri iuris, sed penitus in Dei potestatem transisse. Quod aliter fieri non potest, nisi ut nobis renuntiemus, atque adeo nos abnegemus.'

"' CO 49, 235 'Quod si tum demun rite colitur Deus ubi ad eius praescriptum facta omnia nostre exigimus, facessant omnes commentitii cultus, quos ipse merito abominatur, quando pluris illi obedientia est quam victimae.'

"« CO 2, 1062 'Sic Paulus (Rom. 12, 1) iubet nos offere corpora nostra hostiam viventem, sanctam, acceptam Deo, rationaletn cultum. Ubi significanter admodum loquutus est, quum hunc esse rationalem nostrum cultum subiecit. Intellexit enim spiritualem colendi Dei ritum, quem carnalibus legis mosaicae sacrificiis tacite opposuit.

"« CO 2, 1063 'Sic omnia fidelium bona opera, spirltuales hostiae.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1985

Theologia Reformata | 82 Pagina's

CALVIJN OVER DE CULTUS DEI SPIRITUALIS

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1985

Theologia Reformata | 82 Pagina's

PDF Bekijken