Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE DOLEANTIE EN DE HUIDIGE  KERKELIJKE SITUATIE*

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE DOLEANTIE EN DE HUIDIGE KERKELIJKE SITUATIE*

41 minuten leestijd

L. G. Zwanenburg

De geest van de belijdenis

'Uit de Belijdenis spreekt een geest van diepe ootmoed. De leer der Ned. Hervormde Kerk staat met het schuldgevoel in onafscheidelijk verband, met het besef van verwerpelijkheid in Gods rechterlijk oordeel.' 'De geest der Belijdenis is die van volstrekte afhankelijkheid van dat Woord (Gods), de geest, die betuigt hetgeen mijn God mij daardoor leert, dat zal ik spreken en doen.' 'De Belijdenis gaat uit van het beginsel, dat men uit genade zalig wordt, en niet uit de werken. Zij is de drijfveer van Gods zaligmakende werking; zij wordt betoond in de weg der gerechtigheid; zij wordt ervaren door het geloof, gewerkt in de wedergeboorte door den Geest der genade. Alzoo is de geest der Belijdenis die der verzekerdheid, der gerustheid, dat niets den geloovige zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die in Christus Jezus is, de geest des vertrouwens, de geest der dankbaarheid, der gehoorzaamheid en der getrouwheid."

Met deze positieve woorden over de belijdenis, geschreven door Dr. G. J. Vos Azn., hervormd predikant te Amsterdam gedurende 37 jaren, wil ik mijn onderwerp inleiden. Bij de Doleantie van 1886 gaat het om de Hervormde Kerk en haar belijdenis en daarmee heeft behalve Abraham Kuyper ook Gerrit Jan Vos Azn. alles te maken.

Het doel is na te gaan welke betekenis de Doleantie heeft gehad voor de huidige kerkelijke situatie; of de weg een begaanbare is gebleken; en in hoeverre de weg van de Doleantie vandaag in bepaalde situaties zou moeten worden bewandeld.

Een belangwekkend onderwerp.

Hoe de Doleantie te waarderen?

Over de man die middelijkerwijze ervoor gezorgd heeft dat het in '86 in Amsterdam misliep, heb ik een dissertatie geschreven, Gerrit Jan Vos Azn., Het Recht van de Kerk, Kampen, 1978. Aan het begin van de studie raadpleegde ik, op advies van mijn promotor Prof. Dr. S. van der Linde, R. B. Evenhuis of het de moeite waard was. 'Zeker', zo zei hij, 'als ik jong was, zou ik er zelf aan beginnen. Ben je hervormd? Want dat is wel nodig.' Ik kon hem gerust stellen. Toen dan het boek klaar was, zei hij: 'Het is een mooi boek, ik hoop er veel aan te hebben voor mijn volgende boek over Amsterdam. Ik heb wel vragen. Ik ben benieuwd hoe de gereformeerden er op zullen reageren'. Mijn boek is nogal hervormd uitgevallen.

Je bent te weinig kritisch geweest, zeggen de recensenten. Ze kunnen best gelijk hebben. Nu weet ik sinds kort, dankzij de honderdste verjaardag van de Doleantie, dat ik ook niet helemaal in de pas loop als het gaat over de waardering van de Doleantie.^ Gereformeerde Bonders waarderen volgens C. H. W. van den Berg de Doleantie positief: hij wijst op een referaat van J. Severijn in 1929', en op het feit dat vijftig jaar later Prof. S. van der Linde* in een boeiend artikel pleitte voor een positieve herwaardering van Kuyper door de hervormden. Naar mijn besef sta ik toch niet zover van beide genoemde scribenten af.

'Krijg je zo'n kerk? '

De organisatie van 1816 was een kwade zaak, ook al heeft Vos een boek geschreven over de vraag Is de tegenwoordige organisatie van de Ned. Herv. Kerk in strijd met Gods Woord? met een ontkennend antwoord.' Ik geloof wel met hem dat de Reglementen niemand verhinderden Gods Woord te prediken. Ook dat men, als men maar gewild had, zeker na 1852, de kerk had kunnen reorganiseren zodat ook de leer kon worden gehandhaafd. Maar men wilde niet, de macht van de modernen in de besturen was te groot en zij dreven in de zestiger en zeventiger jaren zeer ver door. Toen kwam telkens weer aan het licht hoe vast het kwaad zat. Vos heeft onafgelaten daar tegen geageerd in zijn Kerkelijk Weekblad, evenzeer als Kuyper en Hoedemaker. Maar hij had

nooit dynamiet in de tas om het zaakje de lucht in te laten vliegen.' Ik heb wel geschreven dat Vos beter naar Hoedemaker had moeten luisteren, want juist voor hen waren er mogelijkheden voor Samen op Weg naar reorganisatie.

Dat geldt voor de tijd na de Doleantie. Maar Vos mocht Hoedemaker niet en begreep hem niet goed.'

Als nu Severijn in 1929 opkomt voor het goed recht van het doleantiestandpunt, als berustend op een geloofsvisie, wil ik daarvan niets afdoen, maar blijkbaar is positief waarderen nog niet hetzelfde als volgen in de praktijk. Er is wel een tijd geweest dat men in kringen van de Gereformeerde Bond vreesde dat het tot een doleantie zou komen.'

Ook bij Van der Linde ligt het zo. Want bij alle waardering voor Kuyper - en daar heb ik geen moeite mee - heeft hij toch wel een paar vragen. Ik weet dat Van der Linde Kuyper de grootste Nederlandse theoloog van de 19e eeuw vindt.

We behoeven dit niet te ontkennen, zeker niet uit 'gereformeerdenhaat'; ik heb die nooit fair gevonden, er wel veel kwaad en leed van gezien. Daarom kan ik met Severijn en Van der Linde het doel van de strijd van Kuyper waarderen en zeker ook dat dat samenhing met zijn geloof. Het heeft me altijd aangesproken dat Kuyper in de kerk een moeder wilde zien en daar een moederhart en moederliefde wilde ervaren.' Zo'n kerk wil ik ook, een kerk waar je het hart van Jezus voelt kloppen. Maar, zegt Van der Linde dan, krijg je zo zo'n kerk? Dat is natuurlijk niet zo maar een vraag. Het komt bij mij nogal afwijzend over. Een vraag kan sterker zijn dan een ontkenning. Ik acht het niet uitgesloten dat vele gereformeerden in hun kerk een moeder hebben ervaren, maar naar buiten toe straalde meer het beeld van een vader, de kerkvader Kuyper met Gods Woord in de hand, die sprak: Zo is het en niet anders, volg mij en zo niet, ga heen. Hoedemaker doorzag het in begin 1887 en later ook De Savomin Lohman.

Als Kuyper wat minder leider was geweest, zou kerk en volk wellicht nog meer aan zijn gaven hebben gehad. Maar kun je iemand leiderschap kwalijk nemen, zo'n 'geweldig' man als Kuyper?

1886 is een rampzalig jaar geweest voor protestants Nederland. Gescheiden werd wat naar Schrift en belijdenis toch bijeen hoorde. Wat een positieve krachten verloor de Hervormde Kerk, die toch kerk bleef. Velen bleven er achter die hongerden naar het brood des levens, het Woord van God. De

dolerenden moesten een moeilijke weg gaan, maar gingen die met inzet en overgave, kerkopbouwend letterlijk en figuurlijk, zeker van hun taak, met de hele wereld universeel voor zich als arbeidsveld, onder krachtige en duidelijke leiding, te duidelijk misschien. Wat een ellende dat die talenten niet in de éne vaderlandse kerk konden worden gebruikt, een ellende toch ook voor de gereformeerden zelf.

Ik moet me ook verwonderen over de Hervormde Kerk. Wat is ze gehavend. Wat is ze geteisterd door een regiem dat van de gereformeerde belijdenis niet veel moest hebben en zoveel mensen, zoveel krachten verdrukte en uitdreef. En toch is er kracht overgebleven om te baren. De strijd werd voortgezet om het ware kerk-zijn. Het Woord van God werd niet weggenomen. Bij de Doleantie is opnieuw gebleken dat het Woord niet gebonden is. Dat is iets wat we nooit moeten vergeten! De prediking en de bediening gingen voort. Op de zondag na de schorsing preekte Vos en bediende hij het Avondmaal, waarbij hij Psalm 23 las." Het zaad der wedergeboorte is gestrooid, aan het verbond mocht worden vastgehouden, maar wat een ellende dat wat samen hoort, niet meer samen kan.

Maar als wij aan het einde zijn, is God vaak aan een nieuw begin.

Ik acht het beleid van de kerkbesturen, vooral na 1867, als eerste verantwoordelijk voor wat gebeurd is in 1886. Toch kan ik de weg die Kuyper c.s. kozen, niet goedkeuren, hoe verklaarbaar die weg ook is. Zij zijn op hun wijze verantwoordelijk voor het gebeurde. Op die wijze red je de kerk niet, maar val je zelf buiten de boot. Ook als je afziet van de precaire beheerskwestie, de attestenkwestie had op zich genoeg dynamiet in zich om reglementair buiten dienst gezet te worden. Gods Woord kwam niet in het geding! De Hervormde Kerk bleef bestaan. De opzet van Kuyper mislukte. Niet in de laatste plaats door de verdeeldheid onder hen die wilden vasthouden aan het confessioneel karakter van de kerk en in de geest van de belijdenis wilden voortgaan. Velen wilden de strijd toch binnen de kerk voortzetten. Kuyper heeft zich m.i. in deze broeders sterk vergist en heeft ze wellicht onderschat. Maar hij ontwikkelde over kerk en staat ideeën, die in het confessionele en ethische kamp vele vragen opriepen, vragen die heden ten dage nog naklinken. We behoeven ons dan ook niet te verwonderen dat de eenheid in het confessionele, gereformeerde kamp ontbrak. Door de scheuring kregen de beschouwingen van Kuyper die in de Hervormde Kerk vanouds een theologische nuance vormden, in de Gereformeerde Kerken min of meer het alleenrecht. Het is zonder meer tragisch te noemen dat de gereformeerde Kuyper en zijn beweging onderuit gehaald moest worden door de confessionele, gereformeerde Vos. Tragisch voor beiden." Maar wat met het beheer gebeurde, kon de canonicus Vos niet laten gaan! Kuyper c.s. legden als het ware de bal klaar voor het eigen doel.

Waarom niet met Kuyper mee?

Nu komen een aantal zaken bij me boven die ik eerst noemen wil. Het zijn bezinningsmomenten van vele hervormden, die door de Doleantie versterkt zijn.

Allereerst dat de kerk recht heeft op de prediking van het evangelie van Jezus Christus in alle klaarheid zoals het bijzonder in de dagen van de reformatie aan de dag is getreden en door de kerk is beleden en verkondigd, om er zich in vrijheid naar te richten. Het is het récht dat Christus aan zijn gemeente heeft gegeven. Geen ander evangelie dan dat van Jezus Christus de Gekruisigde en Opgestane heeft recht in de kerk. Vos pleitte voor een bevindelijke prediking." De Reglementen verhinderden deze prediking niet."

Verder is het de opdracht van de kerk het evangelie aan het gehele volk te verkondigen (Matt. 28 : 19). De volkskerk is bij Vos althans te verstaan als een kerk die gericht is op de gehele (gedoopte) natie. De kerk is katholiek en dat houdt het apostolaire, missionaire aspect van het kerk-zijn in. Die roeping heeft God, Christus, wat Nederland betreft, getuige de historie, gegeven aan de Nederlandse Hervormde Kerk."

Daaruit vloeit voort dat ook de overheid onder het Woord van God staat en in eigen verantwoordelijkheid daarnaar heeft te regeren. De belijdenis van de theocratie is onopgeefbaar."

Ik geloof in een heilige algemene christelijke kerk. In de Nederlandse situatie kan Vos het woord kerk maar moeilijk in het meervoud spellen. De Afscheiding heeft hem dat niet kunnen leren. Gods kerk is de Verbondsgemeente van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Verder, de kerk als kerkverband, liever als lichaam, is de moeder van de leden; het lichaam is eerst, de leden worden toegevoegd. Je wordt in de kerk geboren, je kiest de kerk niet. De autonomie van de plaatselijke gemeente is daarom zeer aanvechtbaar, Paulus heeft nooit zoiets gehuldigd." Is scheiden van de kerk niet scheiden van het verbond van God met die kerk? Dit maakte afscheiding voor velen onmogelijk, ondanks alle leed en kruis in de kerk. Zijn overwegingen ten aanzien van de Afscheiding hebben Vos gedisponeerd voor

zijn afkeer van de Doleantie.'^

Verder sprak het kerkrecht een duchtig woordje mee. De kerk heeft haar zaken geregeld, haar recht moet Christus dienen. Vos was bijzonder op de hoogte van en schreef drie lijvige boekwerken over het kerkrecht. Men sprak wel over hem als de canonicus van de Hervormde Kerk. Kerkrecht noemde hij een van de gewichtigste vakken van de godgeleerdheid." Het komt er op aan zijn plichten te kennen. 'En wat is het kerkrecht anders dan het geheel van de plichten die bestuurders en bestuurden, de gemeenten en de leraars, de ouderlingen, de diakenen, alle leden der kerk onderling te betrachten hebben; het recht van de een is de plicht van de ander.'" Artikel XI is voor hem geen lege huls, maar veeleer de rechtstitel van de Hervormde (Gereformeerde) Kerk. Neem het weg, en je kunt in rechte de kerk niet meer Hervormd noemen. Door doop en belijdenis, door onze ambtsbeloften zijn we als door een eed aan haar verplicht, ook aan haar rechtsregels. Je mag je eed niet verbreken, ook al heb je in je nadeel gezworen.*"

Ten slotte is het van groot belang te onderscheiden tussen bestuur en kerk. Het bestuur is de kerk niet en andersom. Een man als Vos heeft dat steeds onderstreept. Hij is het zich door het drijven van de Algemene Synode naar leervrijheid steeds meer bewust geworden. De kerk is in 1816 niet opgeheven en de Hervormde Kerk is voor hem en velen de voortzetting van de ene vaderlandse kerk, het Koninkrijk Gods in Nederland, van het gedoopte en belijdende volk wiens geloof verwoord is in de belijdenissen van de Reformatie, in de Reglementen genoemd, waaraan het ook gehouden is. Deze kerk moet wel onderscheiden worden van het bestuur van de kerk."

Al deze en andere overwegingen leefden in de vorige eeuw bij velen en verbonden hen meer dan oppervlakkig aan het lichaam van de kerk. Velen konden daardoor niet loskomen van de Hervormde Kerk en weigerden de oproep tot Doleantie, ze werden door deze gedachten juist sterker verbonden aan de Hervormde Kerk en wensten onder het kruis van de Reglementen te blijven zolang de HERE het wilde. De Doleantie heeft dit alles voor velen helderder gemaakt.

‘De plicht van de een is het recht van de ander’

Bij de bestudering van de geschiedenis heb ik het opvallend gevonden dat zo'n kerkjurist als Vos nu net in Amsterdam scriba van de classis was. Ik denk dat we niet ellen zo onderlegd behoeven te zijn in het recht, als er maar zijn die het recht bewaken. En zo iemand was Vos. Hij kende de wetten en daarom ook de bevoegdheden van het classicaal bestuur. Hij vond dat het niet veel had te zeggen. Zijn taak was vooral administratief. Opgedragen aan het bestuur was o.a. het toezicht over gemeenten, predikanten, candidaten, ouderlingen en diakenen; de behandeling van geschillen en zaken betreffende kerkelijke tucht. In feite was er meestal geen toezicht. Men wilde geen spion zijn. Hij geeft in zijn boek De tegenwoordige inrichting der Vaderlandsche Kerk van 1884 aan dat het bestuur wel bevoegd is tot voorlopige schorsing van ambtsdragers. Het artikel waarmee Kuyper en de anderen zijn geschorst door het classicaal bestuur luidt als volgt:

'Indien een geruchtmakend bezwaar van ergelijken aard, dat ter kennis van het Classicaal Bestuur gekomen is, gegrond wordt bevonden, kan het Bestuur reeds bij zijn voorlopig onderzoek eene provisionele schorsing van den bezwaarde uitspreken, zonder dat hiervan hooger beroep wordt toegelaten'."

Wat was het bezwaar van die aard? Het besluit van de kerkeraad van Amsterdam de regeling van het beheer van de kerkelijke bezittingen zo te veranderen dat die bezittingen ter beschikking blijven van dat deel van de kerkeraad dat eventueel geschorst wordt wegens de weigering regels van het Algemeen Reglement uit te voeren." Dat dit besluit bezwaar ondervond bij wie er niet achterstonden laat zich denken. Dat het ook geruchtmakend was, is gebleken. Formeel had het classicaal bestuur geen bevoegdheid zich met het beheer te bemoeien, maar wel opzicht over het gedrag van predikanten, ouderlingen en diakenen. En het besluit van de 80 kerkeraadsleden was in de ogen van het Classicaal Bestuur bepaald geen bewijs van goed zedelijk gedrag. Van de gedachten van Vos over soortgelijke besluiten was de kerkeraad op de hoogte.** Hij achtte het bestuur verplicht hier in te grijpen om het recht voor anderen te bewaken. Bij de beoordeling moeten die anderen inderdaad betrokken worden. In feite verloren degenen die niet met de actie van Kuyper meededen hun recht, werden althans wat het gebruik van de kerkelijke goederen betreft van hem afhankelijk. Is daar geen stokje voor te steken? Vos vond het stokje, artikel 48 Regl. v. K. O. en T.

Hoe over dit alles te oordelen? We moeten waarderen waar we kunnen. Ook Vos heeft daar recht op. Wat hij deed, meende hij te moeten doen in dienst van zijn Heer. Kuyper meende dat ook. Wie heeft zich nu vergist? Ik ben voorzichtig in mijn oordeel, laten we van beiden leren waar we kunnen. Gezien de voortgang van de geschiedenis en de vragen die ten aanzien van de theologie zijn blijven leven in de gereformeerde gezindte, kunnen we Vos als spil van het Classicaal Bestuur niet al te hard vallen. Er werden toch wel vreemde besluiten genomen in de kerkeraad. Het ging in feite bij de Doleantie verder ook niet alleen om de confessie en de gelding daarvan in de kerk, maar ook om de nieuwe theologie van Kuyper.*"

Het gaat dan ook ver over de schreef allen die niet met Kuyper gingen, dienaars van het algemeen religieus besef te noemen. Zo simpel liggen de dingen niet. Is dat geen lichtvaardig oordeel over broeders? ^' Het moge waar zijn dat de kerkeraad van Amsterdam geen plan tot afscheiding had en dat met stemming had goedgekeurd, ik weet inderdaad niet van een acte van Afscheiding, maar hoe de 'reformatie' moest worden aangepakt was toch reeds jaren iedereen bekend.^' 'Plannen' kon men toch goed, dat bleek nergens zo duidelijk als op het Kerkelijk Congres in januari 1887. Lindeboom benadrukt de volkomen zelfstandigheid van de kerkeraad van Amsterdam inzake de kerkelijke goederen en het goed recht van het besluit van 14 december 1885. Toch werd de opzet van Kuyper inzake de kerkelijke goederen reeds van 1875 sterk bekritiseerd.^ Men kon in dit opzicht onmogelijk steun verwachten van het Classicaal Bestuur, zeker niet van Vos. Ds. Hogerzeil had op 24 november in de Kerkelijke Commissie zijn bezwaren tegen de wijzigingen en stelde dat een kerkeraad die geschorst of afgezet is, de bevoegdheid mist om het beheer te oefenen of te laten oefenen.*'

De grote vraag is: Is de weg van Kuyper c.s. de enige weg van gehoorzaamheid geweest en is de weg die degenen wilden gaan die niet tot de gereformeerde partij wilden behoren maar desalniettemin gereformeerd zijn, absoluut

de weg van de ongehoorzaamheid? En mag je dan beslissen dat je goederen die je voor de gemeente in beheer hebt in beheer houdt, ook als je in die gemeente uit het ambt ontzet wordt en dus de rechtsgrond voor het uitoefenen van het beheer is vervallen? Met het oog daarop werd toch het besluit van 14 december 1885 genomen. Ieder kon weten dat de attestenkwestie kon uitlopen op een schorsing en zelfs in laatste instantie op een ontzetting uit het ambt. Het besluit over het beheer bracht bovendien de tegenstemmers, onder wie vele predikanten, in een positie waarin ze volkomen afhankelijk werden van de partij van Kuyper. Is dat een zedelijk goede besUssing? Het Classicaal Bestuur achtte het blijkbaar een onzedelijk gebruik van verkregen bevoegdheden en stelde de voorstemmers ieder persoonlijk daarvoor verantwoordelijk. Niet de kerkeraad werd geschorst, maar de leden persoonlijk, wat wel de kerkeraad infunctioneel maakte.

Het kwam voor de tegenstanders van Kuypers partij in de kerk neer op een zich onderwerpen aan zijn strategie. De wijziging van het reglement op het beheer moest de machtspositie van Kuypers gereformeerden duidelijk maken. Het bracht de grote zaak waarom het ging op een zijspoor en alles liep uit de hand. Dat de brandkast in dit alles zo'n grote rol ging spelen, heeft de zaak enorm vertroebeld, veel kwaad bloed gezet en de goede naam van alle betrokkenen geschaad. Wat bijeen hoorde, werd gescheiden, de positie van de modernen werd er sterker door. Het oude gereformeerde protestantisme werd verder verdrongen. Buiten de Hervormde Kerk kon een nieuw gereformeerd protestantisme tot ontwikkeling komen. De spanning van oud en nieuw is tot op heden niet overwonnen. Die spanning speelde ook reeds in de tachtiger jaren van de vorige eeuw een rol en deed veel trouwe voorgangers en gemeenteleden zich afvragen of Kuypers weg wel de weg des Heren was, ondanks zijn op het eerste gezicht juiste opstelling in de aandacht trekkende zaak van de attesten. Niet geheel ten onrechte is opgemerkt dat men wel de belijdenis van de moderne catechisanten afwees, maar geen leerproces aanspande tegen de leermeesters van deze catechisanten. Maar daaraan was reglementair minder te beleven.

Voor Vos was 4 januari 1886 in elk geval geen gloriedag, maar een dies irae. 'Ik heb een band willen wezen tusschen alle vrienden van het Apostolische Evangelie in onze Kerk en ik ben gebruikt geworden om tusschen hen eene scheuring te weeg te brengen en die zich van ons afscheurden te doen heenvoeren naar een plaats waar zij niet wilden wezen, naar het gebied der afscheiding. De wegen Gods zijn in donkerheid en duisternis.''" 'Wij worden aldus Kerk onder het kruis. Maar wij hebben altijd goeden moed, wetende dat onze strijd de strijd des Heeren is, wien wij ook het einde toevertrouwen.'''

De 'reformatie' was op een afscheiding uitgelopen.

Hoe verder?

Ik wil hier dit gedeelte afronden en afscheid nemen van Vos. Zijn naam is nu genoeg genoemd. Hij was vóór een binnenkerkelijke actie voor reorganisatie. Ik denk dat je toch met mannen als Vos op een bepaald moment niet zoveel verder komt als het gaat om het herstel van het confessioneel karakter van de kerk in haar besturen. In dit opzicht blijft hij achter bij mannen als Gunning en Hoedemaker.'* Zij droegen meer bij om tot iets beters te geraken dan Vos die toch niet geheel van conservatisme ontbloot was. De bewegingen Kerkherstel en Kerkopbouw ontstonden en streden de jaren voor de oorlog voor reorganisatie. Ze vonden elkaar, maar pas in 1951 kreeg de Hervormde Kerk een nieuwe kerkorde. De Gereformeerde Bond was ook tegen deze kerkorde, omdat gekozen is voor een Christus belijdende volkskerk in plaats van een nationale Kerk der Belijdenis. Bij de Gereformeerde Bond vinden we gedachten over de kerk die wel analoog zijn aan die van Kuyper. Misschien is hier van een zijdelingse invloed sprake.''

Voorlopige evaluatie

Van der Linde heeft de Doleantie aangeduid als een opwekkingsbeweging die protest aantekende tegen de trage, slaperige, formalistische kerk.'* Heeft Kuyper de Hervormde Kerk gewekt? En de Christelijke Gereformeerde Kerken?

De vereniging van 1892 is bekend. Op sommige plaatsen was dat meer dan een jeest? '^ Maar we weten ook van de bezwaarden die er buiten bleven en zij hebben de dogmatische kritiek op de leer van de veronderstelde wedergeboorte onder woorden gebracht. Die kon niet het draagvlak zijn van hun kerk-en cultuurvisie. En inderdaad, als een dogmatische gedachte die naast andere in de kerk opgeld doet - en dat kon in de Hervormde Kerk ook gemakkelijk - , als die gedachte fundament wordt van de leer van kerk en cultuur, verandert er wel wat. Ook naar de kant van de Afscheiding komt dus de spanning tussen opwekking en kerk aan de dag. We moeten bekennen dat de christelijke gereformeerden het niet om een kleinigheid hebben laten afweten.

Binnen de oude Gereformeerde Kerk waren er vanouds die de leer van de veronderstelde wedergeboorte aanhingen. Het verraste me dat ook Vos daarin niet van Kuyper verschilde en dit ook nooit als een argument tegen hem heeft gebruikt.'* Wel keerde hij zich tegen de uitwerking."

En de Hervormden? Zeker Hoedemaker en zijn streven naar reorganisatie

kan niet los van de Doleantie gezien worden, maar is tegelijk een antibeweging. Gunning heeft als geen ander de schuld tegenover de 'Gereformeerden' verwoord en heeft het kruis dat de kerk drukte gevoeld als geen ander.^ Samen met Hoedemaker zet hij zich na de eeuwwisseling in voor een bestuurlijke verandering van de Hervormde Kerk. Ze hebben zich van Vos onderscheiden door de organisatie van 1816 wel onbijbels te noemen." Zo kampten ze met liberalen en conservatieven. Tot een echte opwekking in de Herv. Kerk kwam het niet. Wel bleef Kuyper invloed oefenen, o.a. in 1905 door de benoeming van Prof. H. Visscher te Utrecht. De Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk voegde zich niet bij Hoedemaker en Gunning, maar koos een eigen weg tot vrijmaking van de kerk. De Bonders voelen zich sterk verbonden met Reformatie en Nadere Reformatie en willen in die traditie staan binnen de Hervormde Kerk. Ze hebben hetzelfde streven als Kuyper, maar willen binnen de kerk blijven, ze willen niet scheiden, ondernemen ook geen acties om de Reglementen uitdagend te overtreden of te weigeren. Ze hebben een sterk kerkgevoel, ze zijn hervormd, gewoon hervormd.*» Ze willen dat hun hervormd-zijn door iedereen serieus wordt genomen, ook in het Contact Orgaan van de Gereformeerde Gezindte. Het is een deel van hun program, hervormd blijven. Welnu, zij waren de hervormden met het meeste begrip voor de Doleantie, maar toch geen aanhangers van Kuypers theologische denkbeelden over kerk en cultuur. Ze hebben wel ingezien dat Kuyper volstrekt geen nieuwe kerk wilde, doch slechts het gehate juk van de organisatie wilde afwerpen. Dan ontstaat er geen nieuwe kerk, maar de oude openbare zich in nieuwe luister, zoals eertijds in de Reformatie. Dit is in de Geref. Bond vastgehouden. Er mag geen nieuwe kerk komen, men is vuurbang voor een herhaling van de Doleantie. Dat zou weer leiden tot een splitsing, en niet tot een reformatie van de kerk.

Van der Linde vestigt ook de aandacht op het dualisme van de Afscheiding. Kuyper heeft dat in zijn brede visie en actie overwonnen met zijn Vrije Universiteit. Het gaat in het geloof niet alleen om het behoud van de ziel, maar om de heilige dienst van het hele leven voor Gods Aangezicht. Dit doet denken aan de inzet van de Nadere Reformatie.*' De brede aandacht voor de cultuur vormt ook een verbinding met de ethischen in de Hervormde Kerk die na de Doleantie toch ook in de belangstelling bij de gereformeerden bleven.** Je hoeft Het Calvinisme van Kuyper maar te lezen om onder de bekoring van zijn taal en denkbeelden te komen.*' Hij heeft duizenden aangevuurd tot over­

gave en inzet voor het koningschap van Christus in kerk, staat en maatschappij. De eerste decennia ging het voorwaarts en opwaarts met de gereformeerden. We behoeven ons niet te verwonderen over de triumfalistische toon bij herdenking van vijftig jaar geleden. Die horen we zo niet meer. De kerstening van wereld en samenleving wordt niet bereikt. Wreekt zich hier niet de verwerping van de theocratische visie op de overheid? Kan de kerstening wel verlopen zonder het gezag van de Overheid? Is de 'correctie' van art. 36 N.G.B, toch ook niet een uiting van een optimistische mensvisie? Hangt alles wel af van het particuliere initiatief, van het individu?

In elk geval kan er niet zonder meer over een opwekking gesproken worden die alom aanstekelijk werkte, het bleef toch in het algemeen binnen de eigen kring van directe volgelingen. Daarbuiten voelden velen zich eerder aangeslagen dan aangespoord. Wie kan wat de Gereformeerden kunnen? En de eigen wijze van de prediking en beleving van de zekerheid van het geloof bij de dolerenden heeft in de loop van de jaren de kloof tussen hen en degenen die meer te tobben hadden met de blijvende boosheid in wereld en vlees eerder wijder dan nauwer gemaakt. De gereformeerden gelden in de rest van de gereformeerde gezindte als de lichte vogels. Dat werkt door tot op deze dag. Dit euvel - de laatstgenoemden achten het een euvel - wordt gelukkig niet geheel over het hoofd gezien door de gereformeerden zelf. Wijst alles er niet op dat we elkaar nodig hebben? De Gereformeerde Kerken in Nederland openbaren blijkbaar niet een Nationale Gereformeerde Kerk die alle gereformeerden aantrekt.

De Doleantie en de kerkelijke situatie

Ds. J. H. Velema heeft voor twee jaar geschreven over de Afscheiding en de kerkelijke situatie." De teneur van zijn lezing is dat alles wat na 1834 in hervormd en gereformeerd Nederland is gebeurd en gebeurt, in betrekking staat met de Afscheiding van 1834. Ik kan nu niet een gelijke opzet geven over de Doleantie en de huidige kerkelijke situatie. Ik denk dat de visie van Velema toch wel samenhangt met zijn behoren tot de kerk van de Afscheiding. Daarom kan ik ook al niet een poging wagen om de kerken van de gereformeerde gezindte de revue te laten passeren om alles wat er gebeurt in betrekking tot de Doleantie te stellen; ik ben niet gereformeerd, maar hervormd. Ik denk dat ieder die gereformeerd wil zijn toch de gebeurtenissen uit eigen hoek beziet. Dat moeten we elkaar niet kwalijk nemen. Als we naar elkaar luisteren, kunnen we ontdekken waar het bij de ander op aan komt en zijn kijk op zichzelf en op anderen kan voor ons een ontdekkend spiegeltje zijn, hetzij positief, hetzij negatief.

De Doleantie heeft na de Afscheiding de kerkelijke situatie in wezenlijke

zin niet veranderd, maar de zaken wel toegespitst. Het leven gaat door. Ook in de Hervormde Kerk. Velema schrijft ergens: 'Gods Geest vergat ook de Hervormde Kerk niet'." Heeft de Afscheiding daarbij een middellijke functie gehad? En waar blijkt de werking van de Geest uit? Dat er nog gereformeerde belijders waren, die zich bijeen schaarden, tot gezamenlijke acties kwamen en zich gingen organiseren? Mag er ook buiten de directe kring van gereformeerden in de Hervormde Kerk naar tekenen van de Geest gezocht worden? Hoe is de invloed van het gedrukte woord van buiten de kring van de geref. gezindte? Kerken en zelfs modaliteiten zijn gescheiden, we horen elkaar weinig, lezen we elkaar nog? Waarderen we en verwerken we het goede bij de ander? Hoe ziet de boekenkast eruit? Dat brengt wel eens verrassingen aan het licht. Gesprekken brengen ook wel een en ander aan de dag. Wie kan dan zeggen dat hij niets geleerd heeft van wat de gereformeerden hebben aangedragen?

Het werk van exegeten en dogmatici is toch zeer in trek geweest. Kuypers werk is misschien wat minder gelezen, maar waar ontbreekt de Gereformeerde Dogmatiek van Bavinck? En een werk als de Korte Verklaring had toch een veel breder verspreidingsgebied dan de Gereformeerde Kerken? *' Maar deze kerken zijn nu wel het zwarte schaap geworden in de gereformeerde gezindte. Waren er al van het begin af bepaalde theologische bezwaren, de invloed van de nieuwe theologie en de veranderde opstelling naar Schrift en belijden hebben het er niet beter op gemaakt.'"

Ik kan met Velema licht-en schaduwzijden zien in elke kerk van de gereformeerde gezindte. Ik kan het waarderen dat ook hij nadruk legt op de betekenis van de bevinding als erfenis van de Afscheiding, eens nagelaten door Reformatie en Nadere Reformatie. Het zal geen toevalligheid zijn dat De Cock ook de Dordtse Leerregels in ere wilde herstellen, wel het document van die erfenis. Velema acht die erfenis nogal verwaarloosd, en wie durft dat tegenspreken? Telkens weer worden we tot ootmoed en bekering geroepen. En dat is niet overbodig. Ga ook maar na in uw persoonlijk leven. Toch kun je van die oproepen ook ontzettend moe worden. Hebben we nog het rechte zicht op de bevinding? Is het iets buiten of naast het geloof, of vrucht van het geloof? Wat mij betreft wil ik duidelijk onderstrepen dat de ootmoedige levenshouding (die zich ook uit in de omgang met en in het oordeel over anderen) vrucht is van geloof in God, zoals Hij zich in het Woord openbaart. Het is het met Christus sterven en opstaan tot een nieuw leven. De vraag naar de bevinding is wat we aan het kruis en de opstanding van Christus beleven. En als we dan de vele aspecten tellen die de Schrift ons op dit enorme heilsgebeuren

geeft, lopen we niet gauw het gevaar te smal en te ingekeerd te gaan leven. Een leven uit kruis en opstanding is waarlijk onmisbaar voor de kerk.

Velema weet onze zonden duidelijk te omschrijven. We leven onder de maat van Christus' kerkvergaderend werk. Christus vergadert zijn kerk. Dit is in de eerste plaats een geloofsbelijdenis en laten we ons er diep over verwonderen dat we het mogen beleven dat de Here nog dagelijks toevoegt aan de gemeente die zalig wordt. Er is de dynamiek van Woord en Geest. Velema zegt daarbij: 'Dat betekent: de ware kerk heeft geen garantie dat ze ware kerk blijft en een valse kerk is niet per definitie voor altijd afgeschreven'.'" Het laatste vooral ervaar ik als een troostvol woord. De Acte van Afscheiding en Wederkeer roept ons op tot gemeenschap met alle ware gereformeerde ledematen en tot vereniging met elke vergadering die op Gods onfeilbaar Woord is gegrond. De geschiedenis leert dat door individualisme en subjectivisme er van gemeenschap en vereniging niet veel terecht komt. Wie is een waar gereformeerd lidmaat en welke vergadering is volkomen op Gods onfeilbaar woord gegrond? Ik denk dat het daarom zo moeilijk komt tot een Nationaal Gereformeerde Kerk, waartoe Velema oproept. Ieder houdt zichzelf voor het meest waar en acht de eigen kerk op Gods onfeilbaar Woord gegrond.

Ik durf niet op te roepen tot de formatie van een nieuwe reformatorische kerk voor alle gereformeerde belijders. Ik heb van de gereformeerde gezindte die echt wel bestaat - vandaag beleven we daar iets van - , op dit ogenblik niet de verwachting dat ze tot een kerkelijke eenheid zal komen. Dat kan geen mens voor elkaar krijgen. Daarvoor zijn we veel te ziek, veel te verdeeld, te bevooroordeeld en te eenkennig. We houden het best uit in eigen kring, en zo niet dan is het gemakkelijk overstappen naar een van de andere tien."' Wat zal de Here moeten gebruiken om ons een te maken, of mogen wij zelfs niet een worden omdat we toch te exclusief bezig zijn?

Samen op Weg

Als we het veld overzien om waar te nemen waar we moeten aantreden, waar we ons moeten verantwoorden of de Doleantie een begaanbare weg is, of waar die dat kan worden, dan is dat binnen de gerefomieerde gezindte nu bij de bezinning en voortgang van Samen op Weg. Dat is een zaak niet door hervormd-gereformeerden opgezet, door ons niet gewild, maar dat kan juist een teken aan de wand zijn dat we er bij moeten zijn.

Daarom wil ik tenslotte bijzondere aandacht vragen voor de verhouding van de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlandse Hervormde Kerk, en vooral voor de positie van de hervormd-gereformeerden daarin. De Gereformeerde Bond lijkt onoverkomelijke bezwaren te hebben. Want wat doet

men met Schrift en belijdenis in een verenigde kerk? Is die kerk voorzetting van de Vaderlandse Kerk? Is het gebrek aan bevindelijke prediking in de Gereformeerde Kerken niet een gevaar voor het geestelijk leven in een verenigde kerk? Is men niet te veel vervreemd van de religie van de belijdenis om op een rechte wijze samen kerk te zijn? Dit soort vragen leven bij de hervormdgereformeerden.

Nu is het een goede zaak zich te bezinnen. En er is alle reden toe. Maar dat kan niet een eenzijdige zaak zijn. Er zijn ook vragen aan hervormden, toegespitst naar de hervormd-gereformeerden. Zo wordt aan hen gevraagd: U eerbiedigt het gezag van de Schrift en dat is een zeer te waarderen houding, maar toch vraag ik u, aldus Prof. Dr. K. Runia, of u wel goed met de Schrift omgaat.

U houdt vast aan de belijdenissen van de Reformatie. Daar stemmen we van harte mee in, maar is uw instemming niet van dien aard dat u in feite de voortgaande werking van de Heilige Geest ontkent?

U hebt uw vaderlandse kerk lief, maar bent u intussen niet een kerkje in de kerk?

Met alle respect voor een bevindelijke prediking, komt het niet vaak neer op een binding van de gemeente aan één wijze van geloof die tot een wet wordt gemaakt?

U staat een onderscheidende prediking voor, is het wel goed de gemeente zo te verdelen?

De wet van God wordt zeer vaak uitsluitend op het persoonlijke leven toegepast en bijna nooit op de structuren van de samenleving. Is dat juist in onze tijd niet een groot tekort? '"

Op één aspect wil ik nader ingaan met het oog op Samen op Weg. De liefde voor de vaderlandse kerk of liever de kerk der vaderen, die is er ongetwijfeld. Ds. H. G. Abma heeft de ader van die liefde eens zo treffend omschreven: 'Ik ben geboren en getogen in de Hervormde Kerk. Mijn moeder wierp me bij mijn doop in deze Kerk op God. In deze kerk hebben mijn ouders me opgevoed in de vrees en vermaning van de HERE. Mijn hervormd-zijn heeft diepe wortels in het vierde gebod'."' En nu de vraag daarbij: Bent u toch in feite niet een kerkje in de kerk? Dat kan best eens zo lijken en plaatselijke situaties leiden soms daartoe. Daaronder kunnen zeker misstanden voorkomen, maar de toestand en vooral de prediking kan ter plaatse zo treurig zijn, dat het haast niet anders kan. Maar in de gereformeerde gezindte moet je uitgaan van de doelstelling van de Geref. Bond, het verbreiden en verdedigen van de waarheid in de Ned. Herv. Kerk. En dat doen we niet als kerkje in de kerk. Als essentieel heb ik steeds ervaren het lidmaat en ambtsdrager zijn in de Hervormde Kerk en zo ook bezig te zijn in de gemeente en in de meerdere

vergaderingen van de kerk. (Als rechtsgrond heb je de Kerkorde met daarin Schrift en belijdenissen, met name genoemd, erkend als bron en regel voor belijden en geloven. Dan neem je als hervormd-gereformeerde een bijzondere plaats in.) Je bent hervormd-gereformeerd, hervormd in de geest van de gereformeerde belijdenissen. Dat ben je ook zo maar niet, je moet er ook steeds persoonlijk om worstelen, voor het aangezicht van God, van Wie je weet dat Hij niet gesteld is op Prinzipienreiterei, maar op een hartelijke dienst, waarin de een de ander hoog acht. Dat bewaart voor kerkje zijn in de kerk, al wil je in doen en laten gereformeerd zijn. Hiermee stemt ook het beleid van de Ger. Bond overeen dat hij leden van de synode uit zijn kring niet in vooroverleg samenroept en mandaten verleent of later ter verantwoording roept. Niets van dat alles. Je bent in kerkelijke hoedanigheid lid van de meerdere vergaderingen van de kerk en niet namens een groep. Je bent met allen in de Hervormde Kerk verbonden door de doop, al ervaar je vaak niet de geloofsgemeenschap met elkaar. Wat ik op een dag als deze wil zeggen, laten we andere christenen niet vergeten die zich waarom dan ook niet gereformeerd noemen. Met andere woorden: laten we gereformeerd zijn in de echte, katholieke zin van het woord. Laten we daarbij behalve op de letter ook op de spiritualiteit letten. Laten we luisteren naar wat zij te zeggen hebben. Het mag altiid getoetst worden, maar laten we inderdaad erkennen dat ook anderen de Heilige Geest kunnen hebben en ons dingen kunnen zeggen die kunnen meewerken aan de altijd te reformeren kerk. In het pastorale werk hebben we denk ik allen wel ervaren dat leven wordt gevonden waar we het niet verwacht hadden. Ik zou ook kunnen zeggen: Trek de grens van het verbond niet te nauw en gedenk aan Gods verrassende genade.

Wat de bezinning op Samen op Weg betreft, ik ben blij, al is het tegen heug en meug, dat de Gereformeerde Bond zich niet afzijdig houdt bij het overleg. Ik heb daarvoor in de gecombineerde synode van '79 gepleit. En in januari 1980 hield Ds. C. den Boer over dit onderwerp een lezing voor predikanten, weliswaar terughoudend, maar toch met de boodschap mee te doen met de beraadslagingen.

We moeten het serieus nemen dat twee kerken die in hun respectievelijke kerkorden de belijdenissen hebben staan, samen op weg willen. Niet op ons initiatief, het is waar, maar weten we zeker dat het niet uit God is? We worden gevoerd in zaken die we niet zochten, maar laten we doen wat onze hand vindt om te doen om God te verheerlijken zoals we Hem in Christus de Gekruisigde en Opgestane hebben leren kennen. Wat hebben we te winnen? Voor het oog weinig. Na alle inzet en strijd kregen we in 1951 bij de invoering van de nieuwe kerkorde ook niet wat we wensten en we hebben niet al te veel reden om nu betere dingen te verwachten. De Gereformeerde Bonders, Prof. Severijn voorop, streden voor een kerk waar de belijdenis normerende waarde zou hebben en niet slechts een momentopname uit de historie is. Ze waren afkerig van een Christus belijdende volkskerk. U kent het verschil, daar ga ik

nu van uit." In feite is de Hervormde Kerk van na 1951 niet anders dan die van voor die tijd. Maar we willen blijven getuigen van het werk van God in Christus en door zijn Geest. Voor niets?

Is er niets gewonnen? Wie kan dat zeggen? Heel voorzichtig uitgedrukt: We zijn niet ongetroost gebleven. En we mogen de vraag stellen: Hoe zou het eruit zien als de Hervormde Kerk door allen die ook omwille van ondervinding de belijdenissen liefhebben, was verlaten?

De gereformeerde gezindte en Samen op Weg

Wat Samen op Weg wordt, hangt mede af - en nu trek ik de kring wijder dan die van de Ger. Bond - van allen die de belijdenis om Christus' wil liefhebben en er voor opkomen dat die belijdenis van de verenigde kerk wordt. Want dat is zeer wezenlijk.

Ik denk dat het dan duidelijk moet zijn aan de kerken dat het vasthouden aan de oude belijdenissen niet betekent dat de voortgaande werking van de Heilige Geest wordt ontkend. Maar laat ook duidelijk zijn dat we het niet als een werking van de Geest kunnen zien als die belijdenis niet de belijdenis van de verenigde kerk mag zijn. Wat een wonder zou het zijn als we allen zouden ervaren: wat daar gebeurt is uit Gods Geest. Wie spreekt over voortgaande werking van de Geest, heeft die werking geschouwd en onderscheiden. Die Geest is soeverein. Hij werkt waar Hij wil. De gave van opmerken en onderscheiden is nodig om te horen wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Mijn bede is dat er een kerk mag komen, die in haar orde de oude en vertrouwde belijdenissen erkent en ook een nieuwe kan toevoegen die nodig is voor deze tijd, met nieuwe en oude schatten, duidelijk ook voor de jeugd. Maar dét vraagt om een opwekking. Je krijgt de voortgaande werking van de Heilige Geest zonder opwekking van het geestelijk leven niet in het oog, laat staan op papier in een gemeenschappelijke belijdenis. Misschien ontvangen we het als verliezers, maar we zijn nog zo vaak winnaars die het goed weten. Kunnen we als C.O.G.G. niet daadwerkelijk bevorderen dat onze kerken achter de gereformeerde belijders in de Hervormde Kerk en in de Gereformeerde Kerken gaan staan? Dat zij zich daardoor gesterkt weten als ze zich inzetten voor een herenigde kerk in de zin van een gereformeerde kerk, een die waarlijk een voortzetting zal zijn van de Gereformeerde Kerk uit de tijd van Reformatie en de gehele gereformeerde gezindte een thuis zal kunnen geven als een moeder.

Naschrift

Intussen zijn de Ned. Herv. Kerk en de Ger. Kerken in Nederland in staat van hereniging. Het bovenstaande blijft gelden. Ecclesia reformata semper reformanda. Thuis beginnen.


• Referaat gehouden op 17 april 1986 te Putten op uitnodiging van Contact Orgaan Ger. Gezindte, C.O.G.G.

> G. J. Vos Azn., Hoe men zich in de Nederlandsche Hervormde Kerk heeft te gedragen. Systematische uiteenzetting van het tegenwoordig Nederlandsch-Hervormd Kerkrecht, Utrecht, 1896, 79 v. Ook L. G. Zwanenburg, Gerrit Jan Vos Azn., Het recht van de kerk. Kampen, 1978, 131 v.

* C. H. W. van den Berg, De Doleantie - Bezinning, waardering en onderzoek, een bibliografische studie, in: Documentatieblad voor de Ned. kerkgeschiedenis van de negentiende eeuw. 1886 jaar van de Doleantie, jan. 1986, nr. 22-23, 57-83.

negentiende eeuw. 1886 jaar van de Doleantie, jan. 1986, nr. 22-23, 57-83. * J. Severijn, Afscheiding en Doleantie, referaat gehouden voor de provinciale afd. Zuidholland van den Bond van Ned. Herv. Jongelingsver. op G.G. op 26 October 1929 te Rotterdam, Utrecht, z.j. Zie ook J. v.d. Graaf (red.). Beproefde trouw. Kampen, z.j. (1981), 54, 127. In dit boek behandelt C. Graafland de vraag: Hoe en waarom kwam de Gereformeerde Bond rond de eeuwwisseling op? Hij wijst op de theologische en geestelijke achtergronden.

* S. van der Linde, De Doleantie in het licht van het nieuwere onderzoek, in: Theologia Reformata, 1979, 277-289.

» Dordrecht, 1890; L. G. Zwanenburg, a.w., 128-130.

• Het Kerkelijk Weekblad stamt uit de kring van de Vrienden der Waarheid in Friesland en verschijnt tot 1880, L. G. Zwanenburg, a.w., 29 v.

' Over Vos en Hoedemaker zie: Ibidem, 136-140. Ook W. Balke, Gunning en Hoedemaker samen op weg, 's Gravenhage, 1985, 49-64.

• J. v.d. Graaf, a.w., 25 v.

• A. Kuyper, Confidentie, Amsterdam 1873, 43. P. A. van Leeuwen, Het kerkbegrip in de theologie van Abraham Kuyper, Franeker, 1946, 52 v. In de Anglicaanse Kerk zag K. een kerk als een moeder. 'O, zulk een Kerk te bezitten, een Moeder,

'• G. J. Vos Azn., Het keerpunt in de jongste geschiedenis van Kerk en Staat, Dordrecht, 1887, 153. L. G. Zwanenburg, a.w., 181.

" Ibidem, 190.

" G. J. Vos Azn., Hoe men zich ... heeft te gedragen, 79-83.

" L. G. Zwanenburg, a.w., 129. 'Er is zeker wel iets te vinden in de organisatie dat strijdt met "Gods Woord", doch dat de organisatie zelve zulk een oordeel waardig is, bleek ons op generlei wijze.' aldus Vos in Is de tegenwoordige organisatie van de N.H. Kerk in strijd met Gods Woord? Dordt, 1890, 25. Vos werd bestreden door Ph. J. Hoedemaker, De Kerk en het moderne staatsrecht, Amsterdam - Kaapstad, 1904.

" G. J. Vos, Handboek voor het onderwijs in den Christelijken Godsdienst, 290. 'In het Koninkrijk der Nederlanden is de Nederlandsche Hervormde Kerk de Kerk. Zij is de in het verbond der genade opgenomen Nederlandsche Natie.'

" Ibidem, a.w., 69, 291, 293. L. G. Zwanenburg, a.w., 14-16.

" L. G. Zwanenburg, a.w., 129, 133, 187. W. Bakker, De Doleantie in den lande... In: W. J. Wieringa e.a.. De Doleantie van 1886 en haar geschiedenis, Kampen, 1986, 141-143.

" Zie vooral Vos' brochure Scheiden, Leeuwarden, 1867. De Schrift spoort niet aan tot scheiden, maar tot tucht. 'De prediking der waarheid is de stevigste dam tegen het doorbreken van de scheiding. Zoolang de ware leden der kerk niet gedwongen worden hunne belijdenis te verzaken, zoolang houden wij elke vermaning tot scheiden van het kerkgenootschap voor een verzoeking des boozen, om af te wijken van de loopbaan, die God hun voorgesteld heeft...' (a.w., 35 v.).

" L. G. Zwanenburg, a.w., 125, 136.

" Ibidem, G. J. Vos Azn., De tegenwoordige inrichting der Vaderlandsche Kerk..., Dordt, 1884, XII.

*» Ibidem, Hoe men zich heeft te gedragen, 282. L. G. Zwanenburg, a.w., 133.

" Zie voor de betekenis van het opzicht in de kerk mijn Gerrit Jan Vos Azn., 16 v. In zijn lezing Scheiden? verzet hij zich ook tegen de vereenzelviging van de Kerk en kerkgenootschap.

«* Het betreft Art. 48 van het Reglement van Kerkelijk Opzicht en Tucht. Vgl. Vos, De inrichting der Vaderlandse Kerk, 200. Voor nadere toelichting van Vos over administratie en beheer van kerkelijke goederen mijn dissertatie, 147 v.

" Ibidem, 173 v.

" Ibidem, 174. Vos had in 1875 al gewaarschuwd voor de gevolgen van in zijn ogen onwettige bepalingen die de kerkeraad vaststelde, vgl. mijn diss. 92.

!5 Over het theologische verschil van de hervormde Vos en de gereformeerde Kuyper, L. G. Zwanenburg, a.w., 159 v.

" Vgl. A. M. Lindeboom, Een strijd voor het heilgeheim der kerk, in: Credo, tijdschrift voor evangelie en cultuur, november 1985, 14 v.

" Vgl. A. Kuyper, Het Tractaat van de Reformatie der Kerken, aan de zonen der Reformatie hier te lande op Luther's vierde eeuwfeest aangeboden, Amsterdam, 1883. 'Daarin stond zwart op wit hoe die reformatie moest worden aangepakt.' C. H. W. van den Berg, De ontstaansgeschiedenis van de Doleantie te Amsterdam, in: W. J. Wieringa e.a., a.w., 95. Van den Berg trekt de Doleantie ook sterk in het sociologische vlak en de geestelijke motieven van de orthodoxen (onder hen waren heel gereformeerde mensen zoals b.v. ds. Lütge), die de verandering zoals Kuyper die voorstond bestreden, worden nauwelijks serieus genomen. Ze zijn immers een gevolg van de heersende stand waartoe men behoorde. Opvallend is hoe gemakkelijk nu gesproken wordt over de partij van Kuyper. Is daarmee niet toegegeven dat het hem ook om machtsvorming ging? Voor de bezwaarden gold juist dat de kerk geen partij is.

«8 Zie noot 24.

•• L. G. Zwanenburg, a.w., 173.

'» Ibidem, 190.

" Ibidem, 189.

'ï W. Balke, a.w.

" J. van der Graaf, Beproefde trouw, 74; vgl. ook 214, noot 55.

'< S. van der Linde, a.w., 277.

" G. Puchinger, Hervormd Gereformeerd, één of gescheiden, Delft, 1969, 60, in een vraaggesprek met H. Algra.

*' L. G. Zwanenburg, a.w., 113.

" Ibidem, 161.

's J. H. Gunning, Onze schuld tegenover de 'Gereformeerden', Nijmegen, 1887. De brochure is een herdruk waard.

'» L .G. Zwanenburg, Ü.W., 136-145.

*" Vgl. A. van Brummelen e.a.. Gewoon Hervormd, het streven van de Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk - een verantwoording, Kampen, 1972.

*' T. Brienen e.a.. De Nadere Reformatie, 's Gravenhage, 1986, 5.

*' G. Puchinger, a.w., 138, een interview met R. Schippers.

** A. Kuyper, Het Calvinisme, Amsterdam 1899.

" J. H. Velema, De Afscheiding en de huidige kerkelijke situatie, in: L. J. Geluk e.a., De Afscheiding, 's Gravenhage, 1984, 38 v.

« Ibidem, 40, 55.

« Ibidem, 40, 55. *' Vgl. P. L. Schram, Lezen en leven, in: W. J. Wieringa e.a., a.w., 149 v. Het zou interessant zijn te onderzoeken in deze tijd van Samen op Weg wie door wie gesticht wordt.

sticht wordt. " Vooral duidelijk in God met ons, 1981.

« J. H. Velema, a.w., 59.

'» J. van der Graaf, Tien keer Gereformeerd, z.j.

"» Idem, Beproefde trouw, 325-336, waar Prof. Runia deze vragen stelt.

*' A. van Brummelen e.a., a.w., 101.

J. van der Graaf e.a.. Beproefde trouw, 126 v.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Monday 1 December 1986

Theologia Reformata | 92 Pagina's

DE DOLEANTIE EN DE HUIDIGE  KERKELIJKE SITUATIE*

Bekijk de hele uitgave van Monday 1 December 1986

Theologia Reformata | 92 Pagina's

PDF Bekijken