Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

PREKEN OVER PSALMEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PREKEN OVER PSALMEN

34 minuten leestijd

W. H. Velema

De opzet

De doctor theologiae die met deze bijdrage wordt geëerd heeft een voorliefde voor de psalmen. Aan het preken over psalmen is dit opstel gewijd. Het is dus een onderwerp uit de homiletiek. Toch is met deze plaatsbepaling binnen de theologische encyclopedie niet alles gezegd. Er zijn binnen de homiletiek verschillende thema's te bedenken die met de psalmen te maken hebben. We noemen er enkele: De Christus in de Psalmen. Psalmen en de pneumatologie. De verschillende soorten psalmen als vertolking van de gemoedsgesteldheid van de dichter, bijvoorbeeld loflied en klaaglied. Jubel over Gods hand in de schepping en de geschiedenis.

Onze bedoeling is de vraag onder ogen te zien in hoeverre de geloofservaring van de psalmdichter geloofservaring van de gemeente kan, respectievelijk moet worden. Kunnen we een rechte lijn trekken van de ervaring van toen naar de ervaring van nu? Is het geoorloofd om een is-gelijkteken te zetten tussen de dichter van de psalm en de hoorders van de preek? Het gaat ons dus om de plaats van de geloofservaring in het preken over psalmen.' Voordat we dat onderwerp behandelen, willen we eerst iets zeggen over de psalmen als een eigen soort preekstof. Het gaat ons er niet om het onderwerp 'preekstoffen' uitvoerig te behandelen.*

Na een korte bespreking van dit soort van bijbelse stoffen willen we ook iets zeggen over de plaats van de psalmen in het geheel van de Openbaring. De nu genoemde onderwerpen zijn eigenlijk eikaars keerzijden. We zien de behande-

ling van deze twee aspecten als een noodzakelijke voorbereiding voor de bespreking van het thema dat ons vooral bezighoudt en boeit.'

Kuyper en Dijk over lyrische stoffen

We beginnen met Kuyper. Bij de bespreking van de vormen der inspiratie behandelt hij ook de lyrische inspiratie. Hij karakteriseert de lyriek en haar ontstaan als volgt:

In elk lyrisch gedicht van den echten stempel vindt ge dan ten eerste een aanmerkelijke beweging van zijn eigen gevoel, door eigen vreugd of leed, of door het wel en wee van wat hij liefheeft, gewekt. Ten tweede vindt ge in hem dat besef van solidariteit, waardoor hij in zijn persoonlijke gevoelsbeweging slechts den golfslag van het menschelijk gemoed waarneemt. En eindelijk werkt in hem ten derde een beheerschende macht, die in dit algemeen menschelijk gemoedsleven ordenend, verzoenend of overwinnend optreedt. Hoe subiectief de lyriek ook zij, toch verdiept zij het persoonlijke subiect altoos in het algemeene subiect, en in dit algemeene subiect treedt het Goddelijk subiect als heerschende op. Kan men dus in zooverre reeds bij alle hoogere lyriek van zekere Goddelijke inspiratie spreken, dan springt het in het oog, hoe vanzelve de lyriek zich als voertuig ook voor de heilige inspiratie leende, en slechts op eigenaardige wijze door den Heiligen Geest behoefde aangewend te worden, om de lyrische inspiratie van den psalmist tot stand te brengen.*

Kuyper spreekt over het luctor et emergo, dat de dichter doormaakt om onder zijn overstelpende blijdschap of meer nog onder zijn verterende smart niet te bezwijken.

Dit nu komt altoos in twee stadiën tot stand. Eerst door zijn afdalen van het persoonlijke in het solidair-menschelijke. Niet ik alleen lijd die smart, er zijn consortes doloris, en zoo moet die smart diepere oorzaken hebben. En dan ten tweede door uit dit consortium doloris tot den levenden God op te klimmen, die niet als een verpersoonlijkt Noodlot machteloos tegenover deze anagke staat, maar ze vrij beheerscht. Er blijkt dan ook, hoe God de Heere zijn lyrische zangers persoonlijk in allerlei bitter lijden heeft ingeleid en ze dan weer van persoonlijke blijdschap liet opspringen in hun jubel. Maar er blijkt ook ten tweede, hoe deze ervaringen van diepe smart en hooggestemde blijdschap hen bijna nooit in concreet-individueele en daarom tot op zekere hoogte toevallige omstandigheden overkwamen, maar hoe bijna altijd hun levenslot gestrengeld was in het lot van het volk en daardoor van huis uit een solidair karakter droeg. Zelfs zijn ziekten doorleeft David als in verband staande met de worsteling, die hij voor God en zijn volk doorkampt. Maar nu bespeurt ge in de derde plaats, met name in de Psalmen, hoe telkens, in en door de persoonlijke gevoelsuiting heen, een hooger, een algemeener subiect, en zoo ge wilt, een ander ik het ik van den zanger verdringt, en vaak eindigt met in Messias God zelf te laten getuigen door des zangers mond.'

Deze omschrijving willen we typeren als een psychologiserende verklaring van het ontstaan van de psalmen. Zij draagt het stempel van het Idealisme en is gecombineerd met een gereformeerde inspiratie-opvatting. Deze combinatie heeft iets weg van een correctie. Zij vermag echter de idealistische onderdelen niet onzichtbaar te maken." Het is opmerkelijk dat de laatste zin van het tweede citaat spreekt over het verdringen van het ik van de dichter door een ander ik. Het werkwoord verdringen lijkt ons hier niet terecht gekozen. Het gaat er veelmeer om dat de Geest mensen in dienst neemt.' En zo geeft de Geest van Christus in hen getuigenis van het lijden dat op Christus komen zou en de heerlijkheid daarna (1 Petr. 1 : 11). Tegen deze achtergrond zouden wij niet willen zeggen dat de lyriek zich als voertuig leent voor de heilige inspiratie. Het gaat er niet om dat de reeds aanwezige lyrische inspiratie alsnog voertuig wordt voor de heilige inspiratie. Zou de reeds gememoreerde 'zekere goddelijke inspiratie' ook niet heilig moeten heten? Het gaat erom dat ook de dichters - met hun dichterschap - door God in dienst genomen zijn om dingen Gods te spreken. Niet de lyriek is voertuig. Zijzelf zijn instrumenten.

K. Dijk noemt hetgeen Kuyper schreef een halve eeuw later nog niet verouderd.' Dijk legt nadruk op de overeenkomst met lyriek van hen die niet leven uit de vreze Gods. Toch is er verschil met bijvoorbeeld de Tachtigers'.' Dijk zegt: 'De lyriek in de Schrift is deze lyrische verbijzondering, dat de dichter in zijn ziel gevoelt de reacties, ja ook op het leven, maar toch ten diepste op de openbaring, het werk Gods in dit mensenleven; ... hij doorleeft het eigen lijden en de eigen vreugde niet alleen voor zichzelf maar in gemeenschap met Gods voWP

Zo ziet Dijk ook de weg naar Christus: Als David in bv. Psalm 22 klaagt over zijn bitter lijden, doet hij dit (en hierin komt de inspiratie des Geestes sterk uit), eerst in gemeenschap met al het volk des Heren, en dan ook in gemeenschap met de Man van Smarten, en als type van de lijdende Christus, Die zelf bv. Psalm 22 : 1 op Zijn lippen genomen heeft om uiting te geven aan de bitterheid en benauwing, die in de verlating van God over Zijn ziel varen; dit is wel het allerinnigste en allerdiepste in de lyriek der Schrift'."

Dijk plaatst wel bijzonder onproblematisch de uitdrukking 'in gemeenschap met de Man van Smarten' en 'als type van de lijdende Christus' naast elkaar. Hoe verhouden zich deze beide tot elkaar? Is David type, omdat hij zijn lijden doorleeft in gemeenschap met de Man van Smarten? Of doorleeft hij zijn lijden in de gemeenschap, omdat hij type is van Christus? Dijk geeft een christologische toespitsing (uitgedrukt in de woorden 'in gemeenschap met' en 'als

type van') aan de lyriek van de psalmdichter. Overigens bouwt hij evenals Kuyper op een algemeen menselijke laag. Lyriek is dan een bijzondere uitdrukking van diep doorleefde positieve en negatieve ervaringen. Moeilijk blijft voor ons in de beschouwingen van Dijk hoe ervaringen en openbaring zich in deze lyriek verhouden. Er is geen twijfel aan dat ook Dijk de lyriek in de psalmen ziet als instrument van Gods openbaring. Over het hoe van de relatie ervaring en openbaring blijven we echter in het onzekere. Zou dat komen, omdat Dijk zich zo nauw bij Kuyper aansluit, ook al blijkt wel dat hij boven Kuyper uitgaat?

Wij kunnen ons beter vinden in de beschouwingen van Joh. de Groot die in het hoofdstuk 'Het Openbaringskarakter van de Psalmen' schrijft:

In de oude psalmen wil God ons ontmoeten als de God des heils. Wat openbaart God bij die ontmoeting? Allereerst en feitelijk uitsluitend Zichzelf. Alle openbaring is Godsopenbaring in den meest letterlijken zin des woords: openbaring door God en openbaring aangaande God. Hij doet zich hier kennen als schepper van hemel en aarde, als onderhouder van al wat bestaat, als God die in bijzondere zin degenen die de Zijnen zijn, beschermt, leidt, helpt, doorhelpt, uithelpt. Ook hier klinkt het getuigenis van geheel Oud en Nieuw Testament: er is één éénig God, de Heilige, de reine, de alwetende, de genadige, de liefdevolle. God is een geheimenis, maar meer wellicht dan in andere gedeelten van het Oude Testament, waar het vuur van den Sinai zoo hoog kan oplaaien, is Hij hier de God van goedertierenheid en barmhartigheden, de God in 'het suizen eener zachte stilte', de Vader die Zijn zegenende hand wil leggen op alle moede hoofd."

De Groot wijst erop dat God de God der geschiedenis is, omdat Hij de God van het verbond is." Dan vervolgt De Groot: 'God wekt ook door Zijn openbaring in de psalmen in ons het verlangen naar den Christus Gods van het Nieuwe Testament'. Bijna alle psalmen, vooral de klaagpsalmen en de koningspsalmen bezitten een zekere geheimzinnige meerwaarde, die zich niet altijd laat demonstreren aan een bepaald vers of aan enige verzen maar vooral aan wat niet wordt gezegd. Ze spreken van een heden, maar haken naar een toekomst." Handelend over psalm 2 zegt De Groot, met de woorden van Edelkoort, dat 'de Messias voor Israël niet anders was en niet anders zou zijn dan de belichaming van God Zelf en de zichtbare openbaring van diens Koningschap'." Deze benadering spreekt ons meer toe dan die van Dijk en Kuyper. Hier wordt het openbaringskarakter van de Psalmen tot uitgangspunt van de overwegingen.*'

Hoenderdaal over de prediking van het lied

Terloops zij er nog aan herinnerd dat we bij G. J. Hoenderdaal een beschou-

wing tegenkomen die ons aan Kuyper herinnert. Hij spreekt erover dat poëzie aan het proza voorafgaat 'als wij zien naar de meest onmiddellijke uitingen van het woord en de meest geladen inhoud ervan'." Hij sluit zijn beschouwing aldus af:

De dichter echter worstelt om het woord. Hij tracht het woord te buigen naar een werkelijk adaequaat betekenen van datgene wat hij wil uitzeggen. Betekenis en woordklank vallen nooit samen. Het woord blijft steeds aanduiden. De dichter bouwt een kring van aanduidingen rond het aangeduide zonder dit aangeduide precies en exact te expliceren, maar treft juist hierdoor dit aangeduide in diepere zin. Hij kan zich daarbij bedienen van de vormen der overgeleverde taal, hij kan ook zelf zoeken naar nieuwe beelden en klanken die hem dichter bij de waarheid brengen. In beide gevallen tracht hij te komen tot uit-spraak omtrent een oer-ervaring die hij in de taal mede-deelt aan de hem omringende wereld. Daarom heeft taal, behalve het subjectief-innerlijk element van de worsteling om adaequaatheid van uitdrukking met het uitgedrukte, ook het sociale element der verstaanbaarheid nodig.'s

Voor een gedicht is het ritme beslissend. 'Het ontstaat bij een verhoogde levensintensiteit juist op de beslissende momenten van het leven, in zijn confrontatie met heiligheid, liefde en dood ... Een werkelijk gedicht is steeds een "Existenzerhellung", een doorlichten van het totale zijn.'" Deze beschouwing is evenals bij Kuyper een psychologiserende verklaring van poëzie. Opmerkelijk is dat Hoenderdaal verderop zegt dat de prediking moet zoeken naar het kerygma in het lied. Hij wijdt interessante en relevante bladzijden aan de prediking, die zich beweegt tussen het kerygma en het dogma. Uit zijn beschouwingen wordt evenwel niet duidelijk hoe kerygma en ervaring in het lied zich verhouden.^"

Hoenderdaal geeft de volgende praktische aanwijzing:

Wij zullen het lied moeten ondergaan in de bedoeling die de dichter ermee had. Dat wil zeggen, dat we iets moeten weten van de omgeving, waarvoor dit lied is gezongen. De kennis der Hebreeuwse antiquiteiten is voor de prediker niet geheel overbodig! Hij moet zich daar min of meer in kunnen inleven, zij het dan in het bewustzijn, dat een opgeven van de situatie waarin hijzelf enkele duizenden jaren later is geplaatst, niet mogelijk is. De afstand blijft, maar kan overbrugd worden door een zekere mate van kennis en een bepaald aanvoelingsvermogen, dat in het gedicht weet door te dringen. Het verstaan van het lied gaat nu eenmaal meer langs de weg van het aanvoelingsvermogen dan langs de weg van het intellect, hoewel dit laatste zeker niet kan worden uitgeschakeld."

Het kerygma blijkt bij nadere beschouwing te zijn 'het gehele kerygma dat ons in de Bijbel gegeven is en met de bewerking die dit kerygma in de traditie der christelijke kerk heeft ontvangen'.^^ Het is niet verwonderlijk dat Hoenderdaal als hermeneutische methode zowel de divinatorische als de comparatieve uitlegging uit Schleiermacher's 'Hermeneutik' bruikbaar acht.^'

We breken hier de weergave van Hoenderdaals uiteenzettingen af. Met nadruk zij erop gewezen, dat zijn betoog nog verder gaat. We hebben de indruk dat hij onder kerygma verstaat datgene wat de kerk uit de Schrift als boodschap heeft vernomen, en hoe zij deze boodschap heeft verwerkt en bewerkt. Met andere woorden: het kerygma in de psalm is alleen te verstaan vanuit het kerygma in heel de Schrift. Wij zien een zeker dualisme tussen Hoenderdaals beschouwingen over het specifieke van de poëzie en het kerygma. Hoenderdaal lost de spanning op door de bijbelse poëzie te plaatsen in de brede context van wat de kerk als kerygma heeft aanvaard en na bewerking heeft overgehouden. We kunnen het zo typeren: niet het kerygma in de poëzie, maar de poëzie gerelateerd aan het kerygma.

Wij zouden willen zeggen: De Bijbel kent verschillende stijlvormen. De Geest heeft ook dichters in dienst genomen om het eigene van de psalmen te verstaan. We moeten niet eerst het fenomeen poëzie analyseren, om daarna een homiletische beschouwing over de bijbelse poëzie ten beste te geven. Dan wordt de homiletiek gefilterd door een analyse van het fenomeen lyriek. Neen, de poëtische vorm is dienstbaar aan hetgeen de Geest door deze psalm openbaart. Dat dienst-karakter van de poëzie moet ook in de homiletische bespreking ervan tot zijn recht komen.

De beschouwingen van enkele oudtestamentici

We herinneren nog aan de beschouwing van von Rad. Hij schrijft over het antwoord van Israël aan Jahwe. Het wordt gegeven in de lofprijzing." Hij spreekt erover dat in de cultus en in het roemen van de daden en de verschijning van Jahwe, Israël de werkelijkheid van het schone in zijn hoogste vorm heeft ontmoet.^' De eigen aard van Israels dichtkunst staat - hoewel wetenschappelijk nauwelijks meer doorzichtig te maken - in relatie tot het geloof. Het geloof schept de vorm en de stijl van Israels poëzie.'" Zijn conclusie citeren we in haar geheel:

Wir fassen diese Erwagungen in einigen vorlaufigen Satzen zusammen:1. Das Schone war für Israël nie etwas Absolutes, für sich Seiendes, sondern etwas der Welt von Gott her unablassig Zugewandtes. Deshalb war 2. das Schone etwas Geglaubtes. 3. Der Genuss dieser Gottesschönheit ist eigentlich schon in den Hymnen, sicher aber in den Weissagungen der Propheten etwas Antizipiertes, das heisst auf eine eschatologische Vollendung ausgerichtet; er ist geglaubtes Söhauen und geschauter Glaube. 4. Israel hat auch an den Werken der göttlichen Selbstentausserung und Verborgenheit Herrlichkeit wahrgenommen. 5. Das Schone war für Israel mehr etwas Geschehendes als etwas Seiendes, weil es ihm als ein Ausfluss von Gottes Handeln und nicht von Gottes Sein galt."

Hier hebben we te maken met een visie die uitgaat van het geloof van Israël. Aan dat geloof is de poëzie ondergeschikt. Deze is een speciale uitdrukkingsvorm van dit geloof. Als we ook hier de relatie openbaring en ervaring als peillood gebruiken zeggen we: hier schept het geloof met zijn ervaring de openbaring.^'

Bij Walter Zimmerli ontmoeten we de verhelderende opmerking dat al het smeken van de oudtestamentische bidder zoals dit in de psalmen is vertolkt, het eerste gebod vooronderstelt. God is niet de onbekende God. Hij is de God die Zich in Zijn reddende toewending aan Israël heeft geopenbaard. Vandaar dat het biddend klagen van de psalmdichter ook onder beheersing van het derde gebod staat. Vanuit het geloof in de Zich geopenbaard hebbende en de Zich openbarende God komt het tot de lofprijzing. 'Alle Bittgeschrei steht unter dem persönlichen: "Du, Jahwe". In diesem Anruf ehrt at. Glaube, auch wo er aus den Tiefen des Anfechtung heraus ergeht, und von den Fragen "Warum? " und "Wie lange? " behersscht ist, seinen Gott.'*" We hebben hier in de ervaring van de dichter te doen met een beroep op de openbaring van God. Er is wel sprake van openbaring. Ik zou haar indirect willen noemen. Zij komt tot ons in het beroep dat de dichter erop doet.

Claus Wcstermann spreekt over drie stadia in het ontstaan van het gebed in onze zin van het woord. Hij bespreekt dit onderwerp in het deel van zijn boek dat handelt over 'het antwoord'. Hier speciaal bedoeld als 'Het roepen tot God in het Oude Testament'.'" Het eerste stadium is de korte gebedsroep tot God, die onmiddellijk vanuit de situatie is ontstaan. Als voorbeelden noemt hij Exodus 18 : 10; Richteren 15 : 18 en 2 Samuel 15 : 31. In het tweede stadium zijn deze afzonderlijke gebedsspreuken - men vindt ze op tal van plaatsen in het Oude Testament - tot een lied samengevoegd. 'Alle diese Gebetsrufe, ohne Ausnahme, können zu Gliedern eines Psalms werden. In die Psalmen gehen sie ein als in eine zu einem ganzen gedichtete Form.'"

Zulke tot een gedicht samengevoegde kreet om hulp, schreeuw uit de nood, en uitdrukking van vertwijfeling wordt in de samenkomst van de gemeente gezongen. 'Die Gottesdienstliche Gestalt des Psalms kann dessen Funktion für die Menschengruppe, in der er tradiert wird, nur bewahren, wenn diese Bewegung aus der Vielfalt des Alltags in die "Sammlung" des Gottesdienstlichen Psalmgebetes und aus dieser wiederum in die Vielfalt reaier Erfahrungen lebendig erhalten wird.''^

Het derde stadium is dat van de lange prozagebeden, zoals 1 Koningen 8, Ezra 9 en Nehemia 9. Ook hier hebben we met openbaring te doen, doch in de gestalte van het antwoord van de gelovige op Gods openbaring. Ons psalter is resultaat van een omvangrijke bewerking van incidentele antwoorden op Gods openbaring. Deze bewerking heeft plaatsgevonden met het oog op de liturgie."

Het zou veel te ver voeren om de verschillende soorten van psalmen te bespreken. Zo ook zou het te ver voeren om de beschouwingen over die soorten te releveren.'*

Hoe verhouden zich openbaring en ervaring in de Psalmen?

Na deze verkenningen die allerminst het karakter van volledigheid dragen, komen we bij het eigenlijke thema. Dat is de ervaring van de psalmdichters als stof voor de prediking. Hoe verhouden zich ervaring en openbaring in de psalmen, en hoe kan de ervaring als opgenomen in de openbaring preekstof zijn?

Wij gaan ervan uit dat we in de psalmen te doen hebben met openbaring van God. We vinden hier heel in het bijzonder het antwoord van mensen op Gods openbaring aan Israël. Het antwoord wordt gegeven in de worsteling om Gods hand te mogen voelen en om Gods weg te mogen gaan, en om licht te ontvangen in de duisternis.

We vinden zulke reacties overigens door heel de Bijbel heen. Om de uitersten te noemen: e reactie van Adam op Gods verschijning in de hof van Eden (Genesis 3 : 10) tot aan de bede van de Bruid om de komst van Jezus Christus aan het slot van de Bijbel (Openb. 22 : 17 en 20). We willen hiermee niet zeggen dat de openbaring dialogisch van structuur is.^' Hoezeer de Bijbel het boek der ontmoetingen is'" en hoezeer de openbaring van God op de mens is aangelegd èn om diens antwoord vraagt, God heeft het eerste en het laatste woord. Op een fraaie wijze brengt H. Jonker dat onder woorden: Ongetwijfeld heeft God het eerste en het laatste woord, maar daar tussenin laat Hij de mensen spreken, hoort hun tegenwerpingen aan, neemt ze serieus en breekt soms het gesprek af ("Spreek niet meer tot Mij over deze zaak") of leidt als een wijze vader de dwaasheid der mensen tot een punt, waar de wijsheid van de hemel plotseling zich manifesteert'." God openbaart ons Zijn waarheid, mede in de vorm van een gesprek. De openbaring heeft niet altijd de vorm van een gesprek. Er zijn vele woorden die rechtstreeks tot mensen worden gesproken, zonder dat hun antwoord gehoord wordt. Wel wordt er ook in zulke woorden op de situatie van mensen ingegaan. Ze worden aangesproken daar waar ze zijn. Soms wordt hun reactie vermeld, maar niet altijd. We denken aan de woorden van de Here Jezus. De Bergrede is er een voorbeeld van dat wel tot de mensen gesproken wordt, terwijl het antwoord van mensen daarin nauwelijks voorkomt. Als uitzondering zie men de laatste verzen van Mattheüs 7 : 21-23. Hier dient het antwoord van mensen om de ernst van Jezus' woorden te onderstrepen.

Er zijn echter ook vele gesprekken, in zeer verschillende situaties waarin de reactie van mensen op Jezus' woorden mede het gesprek bepaalt.'^ In het oog springende voorbeelden zijn het gesprek met de samaritaanse vrouw (Joh. 4 : 4-26) en dat met Simon, de Farizeeër (Lucas 7 : 36-50). Er zijn veel meer van deze gesprekken. Het woord van mensen is bestanddeel van wat Jezus zegt. De woorden van Jezus zijn mede bepaald door het antwoord van mensen. Zonder dat antwoord zou het gesprek er gewoon niet zijn! Dan zouden ook Jezus' woorden er zó niet zijn! Toch kan men niet zeggen, dat deze woorden van mensen zelf openbarende woorden zijn. Ze zijn opgenomen in wat Jezus zeggen wil. Ze zijn aan Zijn woorden dienstbaar gemaakt. Hij heeft in al die gesprekken het eerste en het laatste woord.

Hoe is dit indienstnemen van de reactie van mensen door het openbaringswoord te verklaren? De openbaring is gericht op mensen, en vraagt om de (gelovige) reactie van mensen. God gaat zover in Zijn neerbuigende goedheid (condescentie) naar mensen toe, dat Hij zelfs hun reactie verwerkt om Zijn woord des te krachtiger en te duidelijker te doen overkomen. Dat het antwoord

van mensen in Gods openbaring een plaats krijgt, wil niet zeggen dat die openbaring mede door mensen geconstitueerd wordt."' Dat het zo toegaat, onderstreept juist dat het Gods woord is dat geopenbaard wordt. Het karakter van dat woord is dat het voor mensen is bestemd. Welnu, die bestemming wordt nog eens extra onderstreept doordat het antwoord van mensen - van tijd tot tijd, niet steeds - in het openbaringswoord wordt opgenomen, zonder dat het soevereine en het gezaghebbende van dat Woord wordt aangetast. God heeft het eerste en het laatste woord. Daarom is het woord van mensen van andere aard, dan het woord waarbinnen het een plaats krijgt. Het mensenwoord mag klinken om het Godswoord te versterken en te onderstrepen.'"

De daden des Heren gedenken door de Psalmen te bespreken

Zo kan ook begrepen worden dat de Psalmen in de eredienst van Israël hun plaats hebben gekregen. Het gaat in die Psalmen niet maar om wat mensen ervaren, hoe zij vertwijfelen en hoe zij zich staande houden. Wat zou de kracht van zulk een lied voor latere gelovigen kunnen zijn? Het had niet meer dan historische, wil men godsdiensthistorische waarde. Neen, in de psalmen worden de daden des Heren herdacht. Men lette erop hoe vaak juist in Psalmen van vertwijfeling en van duisternis, een beroep gedaan wordt op Gods daden in het verleden. 'Zo gaat er voor de Israëliet van het gedenken van de daden des Heren een machtige troost uit. Daar ligt voor hem altijd weer de grond voor nieuwe hoop en uitzicht, ook al is het in hem en rondom hem donker.

De daden des Heren gedenken betekent voor hem zich daardoor laten leiden, daaruit leven, daar telkens weer troost en kracht uit putten.

Het is dus iets anders dan alleen maar overdenken van wat de Here in het verleden heeft gedaan. Het is uit de openbaring, die Hij daarin heeft gegeven, in het heden leven.'"

Welnu, wat binnen zulke psalmen geschiedt, geschiedt ook met de Psalmen zelf. Het lezen en zingen van deze psalmen is een vorm van het gedenken van de daden des HEBREN. Daarom kon Israël het individuele klaaglied en de gemeentelijke lofprijzing in de eredienst aanheffen, zonder dat dit zingen alleen van godsdienst-historische betekenis was! Hier had Israël met openbaring te doen, met de onder de leiding van de Geest verwoorde daden des Heren! Het

zingen van de psalmen is dan een vorm van het herdenken van de daden des Heren. Het karakteristieke is, dat Gods daden hier uit het verleden vermeld worden, om ze ook in het heden, temidden van vertwijfeling en duisternis, te mogen ervaren. Zo wordt dit lied zelf ingevoegd in de rij van Gods daden, die door de gemeente gedacht moeten worden. 'Ook in de prediking moet het gaan om de daden des Heren. Men heeft wel onderscheid gemaakt tussen voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking.

Voorwerp van de prediking moeten zijn de daden des Heren, zoals ons die in Oud en Nieuw Testament worden geopenbaard. En die moeten bij ons onderwerpelijk weerklank vinden. Zij moeten ons God leren kennen in Zijn oordelen, wanneer wij ons niet in waarheid tot Hem bekeren. Maar vooral moeten zij ons Hem leren kennen in Zijn oneindige genade, zondaarsliefde en onwankelbare verbondstrouw, opdat wij op Hem hopen en als arme zondaren het alleen van Hem verwachten. De daden des Heren zijn telkens weer opnieuw een bron voor het geloof, voor de hoop en voor de liefde.'^* Zo zijn ook de Psalmen preekstof.

Ter onderstreping van wat zojuist gezegd werd wijzen we er nog op dat de schrijver van de Hebreeënbrief citaten uit de Psalmen inleidt met een verwijzing naar de Geest als hun auteur.'"

Zo ook kan begrepen worden dat teksten uit de Psalmen op Christus betrekking hebben. Het is de Geest van God die dichters drijft.*^ Zo moet men zeggen dat ook van de Psalmen geldt wat Petrus van de profeten zegt in 1 : 10-12. We gebruiken nog eens de tweeslag openbaring en ervaring. Het is niet zo dat de ervaring van de psalmdichter de openbaring (mede) constitueert. De openbaring is niet van hun ervaring afhankelijk; evenmin als dat met Jezus' woorden het geval is. Zijn woord is soms reactie op het antwoord van mensen, hetzij dat negatief hetzij dat positief is. Hun antwoord maakt deel uit van het woord dat Hij, 'gezaghebbend en niet als hun Schriftgeleerden' (Matt. 7 : 29) spreekt. De ervaringen van gelovigen in de psalmen kan dan ook nooit bepreekt worden zonder dat men die ervaring ziet in het kader van wat God door deze psalm openbaart.

Ervaring in het kader van de openbaring

Naar onze gedachte wordt soms te vroeg van deze ervaring uitgegaan. Dan begint de preek bij de vertwijfeling. De prediker spreekt dan over de vertwijfeling van de mens van heden. Soms wil de prediker zijn gemeente die vertwijfeling aanpraten of als een 'must' voorhouden. Wie zo te werk gaat maakt zich schuldig aan de vereenzelviging van ervaring en openbaring. Hoezeer men dat ook niet wil, in feite is die vertwijfeling dan toch (normatieve) openbaring.

Datzelfde kan het geval zijn met het preken over lofpsalmen. De intonatie verschilt, de structuur is dezelfde. Men vergeet dan dat de ervaring van mensen (blijde of droeve) opgenomen is in de openbaring van God.

Men moet over Psalmen eigenlijk net preken als over gelijkenissen. Namelijk vanuit het draaipunt van de gelijkenis: vanuit dat punt waar de zaakhelft ofwel de zakelijke boodschap omtrent het Koninkrijk van God door het beeld zelf geïllustreerd wordt. Men kan het ook zo zeggen: Een gelijkenis moet bepreekt worden vanuit de clou, vanuit de onthulling. Bij het preken over psalmen moet men niet beginnen bij de ervaring. Uitgangspunt moet zijn datgene wat in de psalm over God wordt geopenbaard. We kunnen het zo formuleren: Door het geloof van de dichter en door het beroep op God temidden van de vertwijfeling zegt God vandaag nog tegen ons: Zo ben Ik er nog. Een mens in aanvechting doet geen vergeefs beroep op Mij!

Natuurlijk moet de situatie van de psalmdichter ter sprake komen. In de preek moet die getekend worden. Doch de situatie is niet punt van vergelijking, laat staan van toepassing. Wat God wil zijn in die donkerheid, hoe God Zich wil laten aanroepen, hoe God vertrouwd en geloofd wil worden in moeUijke omstandigheden - dat is de boodschap van een preek over een psalm.

De psalmen in het licht van Christus

Dan kunnen we ook de lijn vanuit de Psalmen doortrekken naar Christus in het Nieuwe Testament. De HEERE, de God van het verbond, is de Vader van Jezus Christus. Hij is aan het werk. Genade, barmhartigheid, goedertierenheid en vergeving hebben een christologische kleur en inhoud. Ze zijn ondenkbaar zonder de vervulling van Gods beloften uit het Oude Testament in Christus Jezus. Het is belangrijk om te zien hoe de komst van Christus en Zijn Voorloper, Johannes de Doper, in Lucas 1 in verband wordt gebracht met de zojuist genoemde grondwoorden van het Oude Testament. Als we in een psalm zulke woorden aantreffen mogen we die ook doortrekken naar Christus. Dan preken we christologisch over de psalmen. Mogen we zeggen, zoals Dijk deed, dat een dichter zijn lijden doorlijdt in gemeenschap met de Man van Smarten? Die uitdrukking zouden wij liever niet willen gebruiken. Wel willen we zeggen dat de dichter een beroep doet op de Vader van Jezus Christus; dat hij om hulp en heil vraagt om derwille van het werk, dat God Zijn Zoon op deze aarde laat doen.

Het heil Gods in de psalmen is christologisch bepaald, ook al is er nog geen duidelijkheid over de persoon van Christus. Die vinden we wel verderop bij de profeten.

Het lijden van bepaalde dichters heeft typologische betekenis. We zien daarin iets van wat Christus heeft doorstaan. Psalm 22 en 69 zijn er voorbeelden van. Betekent dit dat deze dichters zich ervan bewust zijn geweest, dat ze met hun lijdensweg typologisch de weg van Christus hebben uitgebeeld? Zulke vragen zijn moeilijk te beantwoorden. Wie weet immers wat zij over hun eigen lijden in relatie tot dat van Christus geweten of gezien hebben? Ook hier zouden we naar 1 Petrus 1:10-12 willen verwijzen. Er zijn onder de psalmdichters pro-

feten geweest van wie geldt dat ze 'van de genade aan u geschied' hebben geprofeteerd. Dan geldt ook van hen dat zij onderzocht hebben op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus die in hen was beduidde. Ze hebben getuigd van het lijden dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna. Het opmerkelijke van deze tekst is dat deze profeten woorden gesproken hebben, waarvan zij de historische uitwerking niet exact konden bevatten. Bolkestein schrijft: 'Reeds vóór Zijn komst in het vlees was Zijn (= Christus') Geest werkzaam. Deze Geest was het geheim der profeten, al was dit aan hen niet bewust. Het doet er niet toe hoeveel of hoe weinig deze profeten er zelf van geweten hebben. In werkelijkheid echter heeft Christus' Geest in hen gesproken en gewerkt. Men kan hier van een zekere preëxistentie van Christus spreken'.'"

Wisseling van subject

Nog een keer de vraag naar de verhouding van ervaring en openbaring. Hoe is het mogelijk aan de ervaring, die opgenomen is in de openbaring, recht te doen, zonder de ervaring zelf tot openbaring te verheffen? We zeiden reeds: wie bij de ervaring begint en haar wil overbrengen, miskent de openbaring. Hij begint beneden, bij de mens. Dat is geen rechte verkondiging. Deze komt immers van Gods kant. Er is een theologische prioriteit van de openbaring in de prediking." Die moet bij het preken over de psalmen geëerbiedigd worden.

Wil dat zeggen dat er over de mens met zijn aanvechtingen en twijfel niets gezegd mag worden? We nemen opnieuw de woorden en de werken van onze Here Jezus Christus als voorbeeld. Wie over gesprekken of wonderen van Jezus preekt, kan er niet om heen, de mensen wie het betreft in de preek te betrekken. Hoe doen we dat? Zij zijn niet het subject van de geschiedenis. Zij zijn - als we ons zo mogen uitdrukken - het belanghebbende voorwerp. Het gaat Christus om de dienst die Hij met woord en daad aan hen verricht. Dat is exact de plaats van de dichter en zijn volk in de psalmen. Hij spreekt in de eerste persoon enkelvoud of meervoud. Hij is op het eerste horen het subject. Wie theologisch-homiletisch de stand van zaken bekijkt, moet concluderen tot een subjectswisseling. De dichter roept tot God. Hij spreekt, smeekt en schreeuwt. De psalm staat in de Bijbel om het antwoord dat de dichter van God verwacht, te horen. Dan is God het Die spreekt en handelt. De dichter, die subject was, wordt het adres, het belanghebbend voorwerp. De spreker wordt de toegesprokene. Alleen als we deze subjectswisseling weten te voltrekken, ontlopen we het gevaar dat de ervaring van de dichter als openbaring wordt bepreekt. We zijn theologisch-homiletisch tot die subjectswisseling verplicht. Dan doen we recht aan het feit dat, hoezeer de mens in de Bijbel en in de preek, ook aan

het woord komt, God het eerste en het laatste woord heeft - ook in een preek over de Psalmen.'"

We kunnen daaraan toevoegen dat het roepen tot God, het gelovig smeken om genade, het pleiten op de woorden en daden van God de weg is waarlangs de Geest deel geeft aan het heil van Israels God. We spreken over Christus, gehuld in de schaduwen van de oude bedeling. Zoals we spreken over een christologische lijn in de psalmen, kunnen we dat ook doen over een pneumatologische lijn. De ervaring van de dichter is opgenomen in deze pneumatologie. Zij wordt niet verkondigd van de mens uit, maar als de weg waarin de Geest door de diepste vertwijfelingen heen houvast geeft aan God. We kunnen de dichter pas naspreken, als we eerst zelf door Gods openbaring in deze psalm zijn toegesproken.


1 Vanuit een ander gezichtspunt ben ik met dit onderwerp bezig geweest in mijn artikel: 'Ervaring in de prediking, verrijking of vervlakking? ' in: Theologia Reformata, 30 (1987), 26-45.

* Van de Nederlandse literatuur over de soorten preekstoffen noemen we hier T. Hoekstra, Gereformeerde Homiletiek, Amsterdam 1973*, 316-352, met op blz. 352-377 de behandeling van stoffen van bijzondere vorm; S. F. H. J. Berkelbach van der Sprenkel, P. J. Roscam Abbing (red.). Handboek voor de prediking, Amsterdam 1948, behandelen in deel I: Het annus Domini en het annus ecclesiae; in: deel II: bijzondere dagen en bijzondere gelegenheden. K. Dijk, Dienst der prediking. Kampen 1955 bespreekt op blz. 194-252 een indeling van de onderscheiden 'stoffen' van het Oude Testament, en op blz. 253-308 de onderscheiden 'stoffen' van het Nieuwe Testament. C. W. Mönnich, F. J. Pop (red.). Wegen der prediking, Amsterdam 1959 delen de stoffen in naar de thema's van de hoofdstukken. H. Jonker, En tdch preken, Nijkerk 1973, 139 noemt negen verschillende soorten stoffen.

In de drie bundels schetsen van mijn hand, Het Woord werkt door. Steudies en schetsen ten dienste van de prediking, Kampen 1973; Tussen tekst en preek. Meditatieve schetsen voor de verkondiging, Kampen 1976 en Met het Woord aan het werk. Prediking en praktijk, Kampen 1984, vindt men in totaal vijftien schetsen aan Psalmen gewijd.

A. Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid, Amsterdam 1894, II, 470.

A. Kuyper, a.w., 471.

' Zie voor de invloed van het Idealisme op Kuypers theologie mijn dissertatie, De leer van de Heilige Geest bij Abraham Kuyper, 's-Gravenhage 1957, passim, vooral 244-246.

' Men zie hiervoor J. P. Versteeg, De Geest en de gelovige, Kampen 1976.

8 Dijk, a.w., 214.

» Dijk, a.w., 215.

" Dijk, t.a.p.

" Dijk, a.w., 216.

" Joh. de Groot, De Psalmen. Verstaat gij wat gij leest? Baam z.j., 139v.

" De Groot, a.w., 141.

" De Groot, a.w., 144.

" De Groot a.w., 151.

1» Voor dit probleem is nog altijd relevant de inaugurele oratie van B. J. Oosterhoff, Het openbaringskarakter van het Oude Testament, Alphen aan den Rijn, 1954.

" G. J. Hoenderdaal, 'De prediking van het lied', in het in noot 2 aangehaalde werk, Wegen der Prediking, 405-463; citaat op blz. 407.

*8 Hoenderdaal, a.art., 410.

" Hoenderdaal, t.a.p.

"O Hoenderdaal, a.art., 438-450.

2* Hoenderdaal, a.art., 443.

-^ Hoenderdaal, a.art., 444.

^' Hoenderdaal, t.a.p. Men zie ook zijn dissertatie: Religieuze existentie en aesthetische aanschouwing. Een studie over het misverstand omtrent het aesthetische element in Schleiermachers wezensbepaling der religie, Arnhem 1948. Bij R. Bohren, Predigtlehre, München 1972^, komt poëzie voornamelijk ter sprake tegenover de tongentaal. Tussen deze en de poëzie bevindt zich de prediking, 339-342.

^* G. von Rad, Theologie des Alten Testaments, München 1958», I, 352-367.

" Von Rad, a.w., 361.

" Von Rad, a.w., 362.

" Von Rad, a.w., 365.

^ Men zie over Von Rad, B. J. Oosterhoff, Feit of interpretatie, Kampen 1967.

2» Walther Zimmerli, Grundrisz der alttestamentlichen Theologie, Stuttgart-Berlin-Köln-Mainz 19752, 134.

s» Claus Westermann, Theologie des Alten Testaments, Göttingen 1978, 134-138.

" Westermann, a.w., 136.

3» Westermann, t.a.p. H. Bout, Het zondebesef in het boek der Psalmen, Leiden 1952i' 155-161 bespreekt de verhouding van het Psalter en de cultus. Hij concludeert dat de cultus secundair is ten opzichte van het daarin en daarachter liggende dogma; dit primair is de leer die zich in de cultus demonstreert. De cultische verklaring van de psalmen is niet altijd te handhaven, 161.

'' Men zie Westermann, 167, en zijn beide boeken. Das Loben in den Psalmen, Göttingen 1961, en Der Psalter, Stuttgart 1967, 1974', 161.

'* Het is jammer dat Horst Dietrich Preuss, Das Alte Testament in christlicher Predigt, Stuttgart-Berlin-Köln-Mainz 1984, niet speciaal ingaat op de psalmen. Dit is een boek met een overvloed van literatuurverwijzing. Voor een indeling van de onderscheiden Psalmen zie men Hoenderdaal, a.w., 433, alwaar ook de indeling van Gunkel en De Groot vermeld wordt. Verder Westermann, 1974'. De themata die in de Psalmen ter sprake komen worden uitvoerig behandeld door H. J. Kraus, Theologie der Psalmen, Neukirchen 1979. We noemen nog enkele studies die zich speciaal met de Psalmen bezighouden: B. J. Oosterhoff, Het koningschap Gods in de Psalmen, Alphen aan den Rijn 1956; P. Schelling, De Asafpsalmen, Kampen 1985; en ook de bundel Oudtestamentische Studiën, XIII, P. A. H. de Boer, Leiden 1963, waarvan alle bijdragen speciaal aan de Psalmen zijn gewijd. In het verband van ons thema is ook nog te noemen H. I. Schilder, Ik schreeuw het uit. Opstellen over het schreeuwend roepen in het Oude Testament, Groningen z.j. Dit boekje gaat niet speciaal over de Psalmen, maar is voor ons thema wel verhelderend.

'5 H. Jonker, En toch preken, Nijkerk 1973, 48, zegt de waarheid van het Woord Gods steeds dialogische waarheid is.

" J. H. Bavinck, De Bijbel het boek der ontmoetingen, Wageningen z.j. (1942, 1950 2).

" Jonker, a.w., 48.

" Men zie hierbij J. H. Bavinck, Menschen rondom Jezus, Kampen 1936.

"' Hierbij zij verwezen naar: God met ons, over de aard van het Schriftgezag, Leusden 1981, en mijn artikel: 'Het rapport "God met ons ... over de aard van het Schriftgezag" van de Gereformeerde Kerken in Nederland', in: Theologia Refermata, 24 (1981/4), 269-288.

*" G. N. Lammens, Liturgische jaarorde en kerkelijke kalender. Kampen 1970, 15, zegt dat het Woord Gods geen alleenspraak, geen optelsom van dicta Dei is, maar een gebeuren vol spanning en dialoog, waarin de mens ten volle participeert. De in de tekst gegeven voorstelling wil een correctie zijn op deze stelling.

" B. J. Oosterhoff, 'De daden des Heren gedenken', in: Woord en Kerk, Theologische bijdragen van de hoogleraren aan de Theologische Hogeschool der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland bij de herdenking van het vijfenzeventigjarig bestaan van de Hogeschool, Amsterdam 1969, 23.

« Oosterhoff, a.art., 28.

" Men zie Hebr. 3 : 7-11, teruggaand op Ps. 95 : 7-11; Hebr. 4 : 7 teruggaand op Ps. 95 : 7-7.

" Men zie Hebr. 1; 5-8 teruggaand op Ps. 2:7; en Ps. 104:4; Ps. 45:7-8, Ps. 102 : 26-28 en 110 : 1. Verder Hebr. 2 : 6-8 teruggaand op Ps. 8 : 5-7; Hebr. 2 : 12 teruggaand op Ps. 22 : 23. Voor deze citaten zie men S. Kistemaker, The Psalm Citations in the Epistle to the Hebrews, Amsterdam 1961, 96-133.

M. H. Bolkestein, De Brieven van Petrus en Judas, Nijkerk 1963, 42.

Zie over de theologische prioriteit van de openbaring in verband met het heen en weer tussen gebod en situatie, in de ethiek, mijn Wet en evangelie, Kampen 1987, 113-115.

•" Voor het onderwerp openbaring en ervaring is belangrijk Claus Heitman/Heribert Mühlen, Erfahrung und Theologie des Heiligen Geistes, Hamburg/München 1974, en de aan G. P. Hartvelt aangeboden bundel: Tussen Openbaring en ervaring, Kampen 1986, vooral het opstel van J. Veenhof, 'Heilige Geest en hermeneutiek', 159-173, met verdere literatuur.

De omvang van deze bijdrage mocht een bepaald aantal bladzijden niet te boven gaan. Daarom kon ik aan de praktische kant van het onderwerp geen aandacht besteden. Binnen afzienbare tijd zal ik D.V. een artikel schrijven, onder de titel: 'De Psalmen in de prediking'. Dan zal het hierboven gestelde praktisch uitgewerkt worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 september 1987

Theologia Reformata | 117 Pagina's

PREKEN OVER PSALMEN

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 september 1987

Theologia Reformata | 117 Pagina's

PDF Bekijken