Bekijk het origineel

’PNEUMATOLOGIA’*

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

’PNEUMATOLOGIA’*

42 minuten leestijd

Enkele aspecten van de leer van de Heilige Geest bij de puritein John Owen (1616-1683).

R.W. de Koeyer

I. Inleiding

Het is in het onderzoek naar de bronnen van de Nadere Reformatie de laatste tijd steeds duidelijker geworden dat de puriteinse invloed vanuit Engeland aanzienlijk is geweest.'

Ook als men wijst op andere invloeden, zoals de middeleeuwse mystiek en de Moderne Devotie enerzijds, de typisch Nederlandse calvinistische traditie anderzijds, kan men niet om de puriteinse invloedssfeer heen.^

Nu moeten we tegelijk constateren dat onze kennis van de puriteinse beweging betrekkelijk gering is. In Engeland heeft men het Puritanisme jarenlang op zijn sociologische, economische en politieke bijdrage onderzocht, terwijl de aandacht voor theologie en vroomheid op de achtergrond heeft gestaan. Gelukkig is de laatste decennia hierin verandering gekomen.' In de Verenigde Staten is er over

het algemeen meer belangstelling voor puriteinse theologie en vroomheid.•*

In ons land is op kerkhistorisch terrein nog relatief weinig aandacht besteed aan de plaats van de puriteinse beweging binnen de theologische ontwikkelingen in de Engelse theologie. Verschillende studies hebben zich tot nu toe beperkt tot het onderzoek naar de theologie en bepaalde theologische themata bij vooral W. Perkins, W. Amesius en J. Bunyan.'

Toch moeten we tot de conclusie komen dat vooral de zeventiende eeuw grotendeels braakliggend terrein is. Belangrijke theologen als J. Owen en R. Baxter zijn naar ons weten nog niet aan een grondig onderzoek onderworpen, terwijl ontwikkelingen naar Hoog/Hyper-calvinisme en methodistische revival enerzijds, naar modemisme anderzijds nog vrij onbekend zijn. Toch is de Engelse situatie van de zeventiende eeuw ook interessant voor Nederland, omdat de beïnvloeding niet alleen in het begin van die eeuw heeft plaats gevonden, maar ook daarna.''

We kunnen in het kader van dit artikel natuurlijk slechts een beperkt terrein onderzoeken en richten ons op één van de belangrijkste theologen uit het Engeland van de zeventiende eeuw: de puritein John Owen.' Opvallend is dat aan zijn theologie tot nog toe weinig aandacht is besteed, hoewel hij toch een centrale plaats heeft ingenomen.

In 1963 verscheen in de Verenigde Staten een dissertatie van de hand van G.N. Vose, 'Profile ofa Puritan: John Owen (1616-1683)'. Vose ordent eigenlijk alleen de informatie uit Owens werk en laat na de themata in een breder dogmenhistorisch kader te zetten. Een volgende publicatie over Owen verscheen in 1965 opnieuw in de Verenigde Staten: D.D. Wallace, 'The Life and Thought of John

Owen to 1660'. Deze dissertatie beschrijft vooral Owens leven en de theologische conflicten, waarin hij verwikkeld is geweest. Een diepteanalyse van zijn theologie treffen we hier niet aan. In 1987 verscheen een studie van S.B. Ferguson over het christelijk leven bij Owen, gebaseerd op zijn dissertatie uit 1979.* Recent heeft J.R. Beeke Owens theologie onderzocht op het punt van de zekerheid van het geloofd, terwijl A.C. Clifford dat pasgeleden heeft gedaan op de verzoenings-en de rechtvaardigingsleer, in vergelijking met J. Wesley.'"

Er is dus nog voldoende onderzoek van Owens theologie te verrichten. Omdat zijn theologische oeuvre te omvangrijk is om als totaliteit te onderzoeken, willen wij ons beperken tot de pneumatologie", die vooral aan de orde gesteld wordt in volume III en IV van de Complete Works.'^ In de pneumatologie hebben we een belangrijk aspect van Owens theologie en die van de hele puriteinse beweging in beeld, terwijl we vanuit deze invalshoek tevens zicht krijgen op belangrijke momenten in de spiritualiteit naar haar innerlijke zijde.'"*

We willen niet de hele pneumatologie van Owen behandelen, maar, zoals de titel zegt, enkele aspecten. Daarbij beperken we ons tot de inzet en de structuur van de pneumatologie en het centrale gegeven: de Geest en de ordo salutis. We laten hier de aspecten van de Geest en (het verstaan van) de Heilige Schrift, de inwoning van en de verzegeling met de Geest, en de Geestelijke gaven buiten beschouwing.'''

//. Owens pneumatologie

II. 1. Inleiding

Owen heeft in zijn theologie een grote plaats aan de pneumatologie gegeven, hoewel hij pas in de laatste tien jaar van zijn leven hieraan uitgebreid aandacht heeft besteed.

Vanaf 1674 tot aan zijn dood schrijft hij vier publicaties over verschillende aspecten van de persoon en het werk van de Geest. In 1674 zijn Pneumatologia, or a Discourse concerning the Holy Spirit, waarin hij vooral de wedergeboorte en de heiliging centraal stelt; in 1678: The Causes, Ways and Means of understanding the Mind of God, waarin hij het werk van de Geest in het verstaan van de Schrift behandelt; in 1682: A Discourse of the Work of the Holy Spirit in Prayer, en in de laatste jaren van zijn leven twee publicaties die posthuum verschijnen: Two Discourses of the Holy Spirit as Comforter and Author of Spiritual Gifts (1693).

In het voorwoord van zijn Pneumatologia uit 1674 schrijft Owen, dat hij zich bewust is dat hij het terrein van de pneumatologie betreedt op een wijze, zoals nog niemand dat voor hem gedaan heeft.''' Hij doelt hier op de uitgebreide en grondige wijze, waarop hij dit onderwerp aan de orde stelt. Inderdaad is zijn behandeling van de pneumatologie vrij uitputtend te noemen. Sommigen hebben daar reeds op gewezen.'^

De Geest en zijn werk nemen trouwens binnen de hele stroming van het Puritanisme een centrale plaats in, omdat zij alles te maken hebben met de wijze, waarop het heil in Christus gestalte krijgt in het leven van de individu. Er is grote interesse voor de vraag hoe de eeuwige verkiezing in de tijd wordt uitgewerkt via de ordo salutis van vocatio, regeneratie, justificatio, sanctificatio en glorificatio.'^ We vinden dit vooral duidelijk bij Perkens, die op dit punt de puriteinse traditie diepgaand heeft beïnvloed."* In de loop van de zeventiende eeuw verschijnen van de kant van verschillende puriteinen, zoals Thomas Goodwin en Samuel Petto, publicaties over de Heilige Geest.'''

Owens publicatie over de Geest, het omvangrijkste en grondigste uit zijn tijd, neemt een bijzondere plaats in temidden van de andere en geeft een duidelijk

inzicht in zijn visie op de relatie van de Geest tot Christus, op (de realisering van) het heil, de weg van de Geest via de ordo salutis en het geestelijk leven van de gelovige. Wij analyseren in het vervolg vooral zijn eerste publicatie op dit terrein: de Pneumatologia uit 1674.

11.2 Fronten

Owens pneumatologie staat op bepaalde punten in een polemisch kader. Een front is het Socianisme. Owen ziet de moralistisch-socianistische opvattingen een steeds grotere plaats binnen de Engelse staatskerk krijgen, die hierdoor meer en meer van het calvinistische spoor afraakt.^"

Er blijkt in de periode 1670-1680 een theologische discussie aan de gang te zijn over de verhouding tussen Gods genade en de menselijke verantwoordelijkheid. Verschillende publicaties verschijnen over dit thema, waarbij we twee partijen, die radicaal tegenover elkaar staan, kunnen onderscheiden. Aan de ene kant staan medestanders van de aartsbisschop Samuel Parker, aan de andere kant staan Owen, Robert Ferguson, Thomas Brooks en anderen.^' Midden in deze discussie verschijnt Owens 'Pneumatologia als een verdediging van de vernieuwende genade van de Geest, die de mens tot in de wortel toe herstelt en heiligt.

Owen heeft echter nog een front op het oog: de Quakers.^^ Deze stroming legt grote nadruk op de werkingen van de Geest. De gelovige is volledig afhankelijk van zijn direkte leiding en kan niets doen zonder zijn invloed.'' Owen ziet echter in de grote nadruk op de directe werking van de Geest een groot gevaar: devaluatie van het Woord, zodat het niet meer te controleren is wat de Geest doet en op welke wijze Hij werkt.''*

113. Inzet en structuur van Owens pneumatologie

11.3.1. Inzet in de Triniteit

Owen zet zijn pneumatologie in van bovenaf in het wezen van God. De visie op Gods wezen en natuur staat in directe verbinding met de wijze van de dienst aan God^^ en is beslissend voor een al dan niet bijbelse vroomheid. Vanuit de bijbelse gegevens komt hij tot de conclusie dat God zich als drie in één heeft geopenbaard.

Het gemeenschappelijke bestaat in de onderscheiden Goddelijke eigenschap-

pen die elk van de personen heeft, zoals wijsheid, kracht en liefde. Er is Goddelijke eenheid. Binnen deze eenheid is er echter een zekere verscheidenheid van bestaan, in de zin dat aan elk van de personen bijzondere activiteiten worden toegeschreven. Deze hebben op twee terreinen betrekking: 'ad intra' en 'ad extra' }^

De ad-intra handelingen hebben een noodzakelijk karakter en zijn voor het existeren van God onmisbaar. Het zijn de natuurlijke handelingen van de ene persoon ten opzichte van de andere, zoals de liefde van de Vader tot de Zoon en omgekeerd en de liefde van beiden tot de Geest. De ad-extra handelingen zijn echter niet noodzakelijk. Deze zijn onder te verdelen in ad-extra handelingen tussen de Goddelijke personen en die ten opzichte van de schepselen. Het verschil met de ad-intra handelingen is, dat zij een vrijwillig karakter dragen, wat te maken heeft met de wil of het welbehagen van God. De personen op wie deze handeling is gericht, is dan niet te beschouwen als een Goddelijk persoon in de absolute zin, maar als een persoon in actie."

Verder zijn er ook de ad-extra handelingen ten opzichte van de schepselen, die bestaan in de verschillende manieren waarop God zich aan de mens openbaart en wederkerig betrekking hebben op de wijze, waarop de mens God kent.^*

Dus binnen het ongedeelde wezen van de ene God is er plaats voor onderscheiden eigenschappen, die kenmerkend zijn voor de Vader, de Zoon en de Geest en die het duidelijkst tot uiting komen in de ad-extra handelingen ten opzichte van de schepping. Het is dan de Vader, uit wie alles voortkomt, de Zoon die uit de Vader geboren is en daarom door Hem gezonden wordt en de Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat. De Geest neemt zodoende binnen de eenheid van de Triniteit in orde de derde plaats in, wat ook zijn weerslag heeft in de orde van handelen. Zijn taak bestaat voornamelijk in het completeren van elk Goddelijk werk.^'

Dit laatste aspect is voor het vervolg van Owens analyse belangrijk, omdat het bepalend is voor zijn totale visie op de activiteit van de Geest in oude en nieuwe schepping.

11.3.2. De Geest in oude en nieuwe schepping

In Owens visie op de bijbelse (heils)geschiedenis neemt het begrip schepping een belangrijke plaats in. Hij onderscheidt tussen oude en de nieuwe schepping. Deze onderscheiding valt echter niet samen met Oude en Nieuwe Testament.

Owen ziet de oude schepping als de situatie voor de zondeval, de nieuwe als

Jezus Christus en zijn lichaam. Het werk van de Geest heeft nu, zowel in oude als nieuwe schepping, betrekking op twee gebieden: de natuur en de mens.

Owen wijst, wat de oude schepping betreft, op de completerende taak van de Geest in het versieren van de hemel en de aarde, in het bewaren van de aarde en het voeden van alle schepselen.'" Naast de natuur is echter ook de mens, als rationeel of intelligent deel van de schepping, voorwerp van het completerend werk van de Geest. Hij geeft aan de mens in de eerste plaats een ziel en maakt op die wijze het natuurlijk aspect van het rationele scheppingsdeel af. In de tweede plaats werkt de Geest ook in op het morele deel van de mens. Owen bespreekt in dat verband de betekenis van de mens als beelddrager van God. Het houdt in dat de mens de wil van God kan ontdekken en volgens die wil kan leven."

Het gaat Owen vooral om het werk van de Geest in de nieuwe schepping, de herschepping. De vraag is wanneer deze plaatsvindt. De duidelijke grens ligt bij het binnentreden van de zonde en de genadige belofte van Gods kant. Dan wordt de oude schepping afgesloten en komt de grote vraag naar de nieuwe schepping, het grote herstel van de gevallen mens.'^

Owen gaat hier twee lijnen trekken, die hij in het vervolg verder zal uitwerken. Aan de ene kant de meer heilshistorische lijn, aan de andere kant de meer heilsordelijke. De verhouding tussen beide zien we duidelijker, als we zijn visie op het werk van de Geest in Oude en Nieuwe Testament analyseren.

11.3.3. Oude Testament

Het is voor Owen duidelijk, dat de gelovigen uit het OT deel hadden aan dezelfde genade als die uit het N.T., maar heilshistorisch gezien op een lagere plaats stonden.

Toch staat het O.T. onder de koepel van de nieuwe schepping en heeft er in alle opzichten betrekking op. Met het oog hierop maakt Owen onderscheid tussen het actueel herscheppende werk van de Geest in het N.T. en het voorbereidende werk daarop in het O.T. Heilshistorisch bezien heeft dan dit laatstgenoemde werk betrekking op de komst van Christus en staat in het kader van de grote, dubbele belofte van de komst van Christus en de uitstorting van de Geest."" Het draagt dan ook een voorlopig karakter, omdat de nieuwe schepping in Christus nog niet aanwezig is.

Het werk van de Geest in het O.T. kan in twee soorten verdeeld worden: dat wat een buitengewoon karakter draagt en de natuurlijke aanleg van de mens ver te

boven gaat, zoals de profetie en de inspiratie van de bijbelschrijvers, en dat wat betrekking heeft op de ontwikkeling van de natuurlijke menselijke vermogens tot een niveau dat past bij deze bedeling, zoals de intellectuele eigenschappen en de gaven op het gebied van politiek en kunst.'*

H.3.4. Nieuwe Testament

Owen ziet de Geest en zijn werk in het N.T. veel rijker naar voren komen, omdat de Geest daar in volheid wordt uitgestort en de Goddelijke stimulator is van de evangelieverkondiging.''

Een belangrijk verschil met het O.T. is, dat de Geest daar slechts aan een bepaald soort mensen en niet door inwoning aan alle gelovigen werd gegeven. Dat is in het N.T. anders. Het voornaamste werk van de Geest daar is de actuele completering van de nieuwe schepping in Christus. Juist in dit werk van de nieuwe schepping komt de volle openbaring van de Triniteit naar voren. Het blijkt, dat de Vader het plan ontwerpt, de Zoon de uitvoering ervan garandeert en de Geest zorg draagt voor de voltooiing ervan.'*

Owen schenkt uitvoerig aandacht aan het werk van de Geest in de vorming en heiliging van Christus' natuurlijke lichaam. Naast de formering van het lichaam uit de substantie van Maria voorziet Hij het van bovennatuurlijke genadegaven.

Het hele leven van Christus staat onder directe leiding en hulp van de Geest. Als het lichaam van Christus in het graf ligt, draagt de Geest er zorg voor en bewerkt, dat lichaam en ziel bij de opstanding weer worden samengevoegd en tenslotte verheerlijkt." Na de hemelvaart ondersteunt de Geest de apostelen in de activiteit van de evangelieverkondiging.

De vorming van het mystieke lichaam van de Kerk is de tweede scheppingsdaad van de Geest in de nieuwe schepping. Op deze wijze brengt Hij de nieuwe creatie tot haar voltooiing. Owen ziet een parallel tussen de schepping van hemel en aarde en die van het mystieke lichaam van de Kerk. Hij gaat hierin ver. Zoals de oude schepping onderhouden werd door het levensprincipe van de Geest, zo ook de nieuwe schepping. Hierdoor moet de duisternis verdwijnen en ontstaat er, geestelijk gesproken, een nieuwe hemel en aarde. Er vindt dus een herschepping plaats door middel van een nieuw geestelijk principe, dat de Geest in de wedergeboorte schenkt.

Wij kunnen constateren dat Owen, wanneer hij het heeft over de openbaring van de nieuwe schepping in Christus, vooral het heilshistorische aspect op de

voorgrond plaatst. Het O.T. is dan voorbereiding op het N.T. Gaat het echter over de vorming van het mystieke lichaam, de Kerk, dan wijst hij ook wel op het heilshistorische moment: de vorming van de Kerk door de prediking van apostelen, maar laat tegelijk doorschemeren dat het begin van dit mystieke lichaam duidelijk in het O.T. aanwezig is. De nieuwe schepping is dus ook in het O.T. te vinden. Owen wil in dit opzicht vooral de wezenlijke gelijkheid van het heil van de wedergeboorte in O.T. en N.T. benadrukken. De notie van de wedergeboorte komt in het N.T. wel veel meer aan de orde, maar is in hoofdlijnen toch ook in het O.T. aanwezig, hoewel meer in het donker en verborgen.'' De gelovigen in O.T. en N.T. hebben dezelfde wedergeboorte ontvangen.

Het gegeven dat Owen dit aspect sterk benadrukt, heeft te maken met zijn visie op het heil van God. Het is een geestelijk heil, dat in een bepaalde orde, waarin de wedergeboorte voorop gaat, gestalte krijgt in het leven van zondaren. Dit geestelijk heil, dat uit de verkiezing voortkomt, is in alle tijden hetzelfde, omdat God zelf eeuwig is en zijn eeuwige heil in de tijd realiseert.

II.3.5. Verbond

De verhouding tussen voortgang en gelijkheid, tijd en eeuwigheid, eeuwig heil en geschiedenis staat in het bredere kader van Owens verbondsvisie.

Hoewel Owen in zijn Pneumatologia verschillende malen op het verbond wijst, geeft hij hier geen uitgebreide verbondsvisie, omdat hij in de eerste plaats denkt vanuit de begrippen oude en nieuwe schepping. Toch speelt zijn verbondsvisie voortdurend op de achtergrond mee. Dit kan ook niet anders, omdat hij de wedergeboorte als werk van de Geest vooral ziet vanuit de belofte van het genadeverbond uit Jeremia 31, dat zijn kracht reeds in het O.T. heeft uitgeoefend, maar in het N.T. tot volle realisering is gekomen.'^ Vanuit Owens commentaar op de Hebreeënbrief en enkele passages uit andere werken komen we de structuur van zijn verbondsvisie op het spoor.'"

Hij maakt het gebruikelijke onderscheid tussen werk-en genadeverbond. Hoewel er in het werkverbond sprake was van een genadige verbintenis tussen God en mens, was de structuur: Doe dit en gij zult leven. Owen benadrukt, dat Adam daartoe in staat was vanwege de disposities, die God hem bij de schepping had

gegeven. Tegelijk erkent hij, dat de genade in het werk verbond een ander karakter droeg dan die in het genadeverbond. De mogehjkheid bestond dus, dat Adam zou vallen en de Geest zou verliezen."^ Het is voor Owen duidelijk, dat het verschil tussen werk-en genadeverbond niet zozeer ligt in de structuur - ook het tweede kent voorwaarden - als in de vastheid. Het tweede verbond is eeuwigdurend. Het kan niet meer verbroken worden, omdat het in stand wordt gehouden door God zelf."' De condities van dit verbond vervult God in de Middelaar Christus, die de wet volledig houdt. Het genadeverbond is dan ook niet in eerste instantie met de mens gesloten, maar met Christus zelf, die alle voorwaarden vervult. Duidelijk is dat Owen hierbij vooral denkt aan het pactum salutis (covenant of redemption), dat aan het genadeverbond in de tijd ten grondslag ligt.""

Het genadeverbond is in het O.T. nog belofte, hoewel de gelovigen in Israël reeds delen in de zegeningen ervan. Deze belofte betreft vooral het werk van Christus en de Geest, de verwerving en toepassing van het heil.

Owen noemt geloof en bekering als voorwaarden om in de zegeningen van dit verbond te delen, en hij benadrukt vooral de genade ervan. Geloof en bekering zijn slechts voorwaarden om deel te krijgen aan het verbond, ze maken zelf geen deel ervan uit."' Ook de voorwaarden zijn voor de verkorenen begrepen in de genadige belofte van God.

Het genadeverbond staat bij Owen in het spanningsveld van de eeuwige zekerheid en effectiviteit vanuit de eeuwige raad van God en de conditionaliteit vanuit de openbaring in de tijd en met het oog op de verantwoordelijkheid van de mens. Toch haalt hij de spanning er gedeeltelijk uit door de effectiviteit met het oog op de verkorenen sterk te benadrukken. In dit opzicht is het genadeverbond direct verbonden met het effectieve werk van de Geest.

Ons gaat het hier voornamelijk om het gegeven bij Owen, dat het verbond het bredere kader van het scheppingsbegrip vormt. Als de schepping door de val dreigt onder te gaan, zorgt God binnen het kader van het genadeverbond voor een nieuwe schepping, Jezus Christus, die door zijn gehoorzaamheid het verbond kracht en vastheid geeft. In dit verbond draagt de Geest zorg voor de schepping van Christus' natuurlijke en mystieke lichaam.

11.4. De Geest en de ordo salutis

Het mystieke lichaam is nauw met Christus verbonden in een genadig 'unio cum Christo' en deelt op deze wijze in al de zegeningen van het verbond. Het gaat er Owen om, dat deze unio, die gestalte krijgt vanuit Gods eeuwige raad en verbondshandelen en in zekere zin objectief vanuit Christus te bezien is, zich realiseert in de existentie van het mystieke lichaam. De Geest schept het mystieke lichaam door mensen te brengen in de unio met Christus. Dat doet Hij echter op een bepaalde wijze, via een bepaalde orde, waarbij de wedergeboorte en de heiliging een belangrijke plaats innemen. Op deze wijze kunnen wij een belangrijk deel van Owens pneumatologie rangschikken onder het aspect van de Geest en de ordo salutis.

11.4.1. Roeping

De effectieve roeping gaat voorop. Hoewel Owen in zijn Pneumatologia de verbinding met de wedergeboorte niet direct legt, noemt hij deze in de Greater Catechism uit 1645.'"' Hoewel hij nergens uitgebreid op hun verhouding ingaat, is het voor hem duidelijk dat ze dicht bij elkaar liggen. Dit zien we in de definitie van de roeping, die hij in bovengenoemde catechismus geeft: 'It is the free gracious act of almighty God, whereby in Jesus Christ he calleth and translateth (curs. R.d.K.) us from the state of nature, sin, wrath and corruption, into the state of grace and union with Christ by the migthy effectual working of his Spirit in the preaching of the Word'."' Het bijvoeglijk naamwoord 'effectual' heeft in dat verband betekenis. Owen is er namelijk van overtuigd, dat de meesten binnen de grenzen van de kerk niet effectief, maar uitwendig (outwardly) geroepen worden. Alleen de verkorenen vallen onder de effectieve roeping."** In de roeping ligt in principe het totale heil besloten. Het is Owen in zijn publicatie uit 1674 echter vooral te doen om de wedergeboorte.

11.4.2. Wedergeboorte

Het valt ons aan het begin al direct op dat hij hier opnieuw opponeert tegen het front van de anglicaanse staatskerk, waar de opvatting gehuldigd lijkt te worden dat de wedergeboorte bestaat in het gedoopt-zijn of in een uiterlijke vorm van bekering, een soort morele reformatie, en van de Quakers, die het werk van de Geest op laten gaan in bijzondere leidingen buiten het Woord om."'

De oorzaak van beide dwalingen ligt in een verkeerde visie op de mens. Zijn

totale verdorvenheid wordt in meerdere of mindere mate ontkend, met als gevolg dat hij door de Goddelijke genade niet meer radicaal vernieuwd hoeft te worden. Owen daarentegen is overtuigd van de totale verdorvenheid van de mens, die zich uitstrekt over het totale mens-zijn en zowel betrekking heeft op het verstand, als op de wil en het gevoel.™ Omdat het verstand het leidende principe van de ziel is en de wil en het gevoel meetrekt in de afkeer van God en het evangelie, moet de vernieuwende activiteit van de Geest hier beginnen om ook de wil en het gevoel te kunnen bereiken.

Opvallend is hoe uitvoerig Owen als puriteinse analyticus van de menselijke ziel de toestand van de mens voor de wedergeboorte tekent en een antropologische en psychische diepteanalyse van diens situatie geeft. Redding kan alleen komen door een genadig ingrijpen van Gods kant in de wedergeboorte. Owen is er dan ook alles aan gelegen dit werk van de Geest naar zijn aard grondig te analyseren. Hij komt tot een definitie van de wedergeboorte: '(•••) that this consists in a new, spiritual, supernatural, vital principle or habit of grace, infused into the soul, the mind, will, and affections, by the power of the Holy Spirit, disposing and enabling them in whom it is unto spiritual, supernatural, vital acts of faith and obedience'."

Het blijkt dat de Geest een nieuwe schepping bewerkt, tastbaar en concreet, een habitus die geloofsacten voortbrengt. Duidelijk is uit de definitie, dat het werk van de Geest de mens tot in de wortel toe herstelt, zodat op deze wijze Gods werk in de mens blijvend is en verder reikt dan een uiterlijke, morele reformatie." De goede verhouding tussen God en mens is gebouwd op het fundament van het efficiënt-vemieuwende werk van de Geest in de wedergeboorte.

Owen maakt vervolgens duidelijk, dat dit werk betrekking heeft op de drie principes van de ziel. Daarbij gaat de Geest wel op een bepaalde manier te werk in overeenkomst met de aard van deze principes. Ze worden niet overrompeld of geweld aangedaan. Integendeel, de Geest werkt zo krachtig in op deze principes dat ze zelf actief worden. Owen acht deze notie belangrijk, omdat hij enerzijds wil vasthouden aan de opvatting dat wedergeboorte volledig werk van de Geest is, anderzijds niet wil suggereren dat de mens een stok of een blok is.^"*

Voorbereidend werk

Voordat Owen het werk van de Geest op de menselijke principes aan de orde stelt, schenkt hij eerst aandacht aan de zogenaamde 'gratia praeparans', het voorbereidend werk. Hij analyseert deze gratia praeparans niet alleen om aan te tonen wat er aan de wedergeboorte voorafgaat, maar ook om te laten zien wat de Geest kan bewerken zonder de wedergeboorte werkelijk te laten plaatsvinden. In die zin is de beschrijving van het voorbereidend werk tegelijk een analyse van het verschil tussen algemene en bijzondere werkingen van de Geest. Er vindt bij veel mensen een vorm van gratia praeparans plaats. Het verschil is echter, dat dit zich bij sommigen voortzet in de wedergeboorte, terwijl het bij anderen wordt afgebroken.''' Volgens Owen bestaat er de bittere werkelijkheid, dat de mens onder de werkingen van de Geest heel ver kan komen, tot in de fase van berouw en boete in verbinding met een uiterlijke reformatie, zonder wedergeboren te zijn."

De vraag is, wanneer de algemene werkingen van de Geest overgaan in bijzondere, m.a.w., wanneer en waar begint de wedergeboorte?

Augustinus als voorbeeld

Het is opvallend, dat Owen voortdurend kerkvader Augustinus als autoriteit aanhaalt om zijn positie toe te lichten en te verdedigen. Treffend is dat hij met betrekking tot de vraag naar de overgang van algemene naar bijzondere genade een hoofdstuk wijdt aan de beschrijving van Augustinus' bekering om precies duidelijk te maken hoe de effectieve genade werkt.'*

Als de mens bij de grens van algemene en bijzondere genade is, vinden er in het verstand grote conflicten plaats tussen de verschillende vormen van zonde enerzijds en de overtuigingen van de Geest anderzijds." Op dat moment stort de Geest echter een principe van geestelijk leven uit in de wil, die vervolgens probeert de macht van de zonde te breken. Een duidelijke grens is gepasseerd: de wil is vernieuwd en staat aan de kant van de genade. Owen ziet dat helder in de weg van Augustinus.

De overtuigingen gaan echter nog verder en bewerken angst voor de wraak van God wegens de overtreding van de wet. Hoewel de Geest verschillende wegen

kan gaan, komt het op twee constante factoren aan: de ziel moet ermee instemmen onderworpen te zijn aan de vloek van de wet en de toom van God; verder moet ze geen andere weg zien om uit deze situatie van angst te komen, dan die van het evangelie."'*' De Geest maakt plaats voor het geloof in Christus, die in het evangelie wordt voorgesteld.

Deze weg van Augustinus is voor Owen voorbeeld van het werk van de Geest tot en in de wedergeboorte. Hoewel de Geest verschillende wegen gaat, werkt Hij voortdurend volgens dit toch wel min of meer normatieve patroon.

Ons interesseert in dit verband vooral de vraag wanneer de overgang plaatsvindt van de gratia praeparans naar de wedergeboorte, van de algemene naar de bijzondere genade. Owen zelf geeft dit niet zo duidelijk aan. In zijn analyse kunnen wij eerder twee overgangen constateren. De eerste ligt bij de vernieuwing van de wil, zodat de tegenstand van de mens beslissend gebroken wordt, terwijl de tweede overgang ligt bij het geloof in Christus, dat de wet in zijn veroordelende functie ontkracht.'^ We krijgen de verhouding tussen deze twee overgangen beter in het oog als we letten op de verhouding tussen wedergeboorte en geloof.

II.4.3. Wedergeboorte en geloof

Owens definitie van het rechtvaardigend geloof (justifying faith) is te vinden in zijn The Doctrine of Justification of Faith uit 1677.''" Hij stelt hierin nadrukkelijk, dat het geloof ontspringt aan de habitus die de Geest bij de wedergeboorte uitstort. Deze habitus fideï brengt de actus fideï voort.*' Hoewel de toestemming van het verstand fundamenteel is voor het geloof, is zij niet voldoende, aangezien de goedkeuring van het hele hart moet volgen. Hierbij neemt de reactie van de wil een centrale plaats in.

Op dit punt kunnen we nog even terugkomen op de vraag naar de verhouding van de twee overgangen naar bijzondere genade. De parallel tussen de plaats van de wil bij de wedergeboorte en die bij het geloof is opvallend. Zowel bij het een als bij het ander is de reactie van de wil doorslaggevend, wat ons ervan moet weerhouden de overgangen te zeer uit elkaar te trekken. Er is bij Owen sprake van een doorgaande lijn: het is vooral de vernieuwde wil die Christus in de belofte aanneemt. De tweede overgang ligt dus duidelijk in het verlengde van de eerste. Het geloof komt op uit de wedergeboorte. Belangrijk is echter dat er vaak enige ruimte ligt tussen de vernieuwing van de wil en het aannemen van Christus. Op deze wijze is het voor hem mogelijk te stellen, dat iemand wedergeboren kan zijn

en tegen de zonde kan strijden zonder het geloof in Christus te beoefenen. Owen tekent dit als een worsteling om tot het licht te komen.*^

11.4.4. Geloof

De Geest brengt bij het geloof, waardoor de vereniging tussen de mens en Christus plaatsvindt. In die zin kan Owen het geloof als een voorwaarde aanduiden, hoewel hij zich ervan bewust is dat deze benaming misverstand kan wekken.'"* Geloof is in alle opzichten gave van God. De term voorwaarde wijst dus niet op het gegeven, dat de mens enig aandeel zou kunnen hebben in de realisering van het heil, maar heeft te maken met de aard van het verbond: het kan alleen functioneren als aan de voorwaarden voldaan wordt.

Owen maakt de functie van het geloof duidelijk wanneer hij het de instrumentele oorzaak van de rechtvaardiging noemt. Geloof is het instrument om Christus en zijn werk aan te nemen.'^ Het rechtvaardigend geloof, dat als componenten de toestemming van het verstand en het vertrouwen van het hart bezit, ziet vooral op Christus' priesterlijke werk, omdat dit de grond is voor de vergeving van zonden en de verzoenende relatie met God. Hoewel Owen het vooral definieert als een ontvangen van Christus, gebruikt hij ook andere omschrijvingen, zoals het omhelzen van Christus in de belofte, het zien op Hem en vooral het komen of het vluchten tot Hem.''

11.4.5. Unio cum Christo

Het centrale punt in de ordo salutis is de vereniging van de gelovige met Christus, waarop het werk van de Geest hoofdzakelijk is gericht en waaruit de heiliging kan ontspringen. Owen spreekt in dit verband over een tweevoudige unie (twofold union). Enerzijds heeft Christus bij de incarnatie het vlees en bloed van de mens aangenomen en zich op deze wijze met hem verenigd. Anderzijds geeft Hij door zijn Geest de mens deel aan zijn vlees en bloed.'* De unie van Christus en de gelovigen in de heilsdaad van de incarnatie vindt haar wederkerigheid in die van de gelovige met Hem via de ordo salutis.

11.4.6. Berouw en bekering

Met het rechtvaardigend geloof zijn ooic het berouw en de bekering verbonden. Owen maakt op dit punt onderscheid tussen 'legal repentance', die aan het geloof voorafgaat, en 'evangelical repentance', die uit het geloof voortvloeit. Wettisch berouw kan een zekere reformatie van het leven veroorzaken, zonder dat er van wedergeboorte en geloof sprake is. Toch is dit berouw, dat door de prediking van de wet in zijn veroordelende kracht onder invloed van de Geest bewerkt wordt''', onmisbaar, omdat het de mens zijn hoogmoed ontneemt en hem vernedert voor God. Het karakter van dit berouw verandert echter, als het geloof zijn intrede doet. Het krijgt dan een evangelisch karakter en is onlosmakelijk met het geloof verbonden.

De vraag rijst of Owen de 'repentance' als een voorwaarde voor de rechtvaardiging beschouwt. Hij begrijpt deze vraag, maar wil haar ontkennend beantwoorden. Het gaat erom, dat er reeds bij het beginnend geloof duidelijk zicht op de zonde is en een afkeer daarvan. In die weg krijgt de mens inzicht in het karakter van de rechtvaardiging, waarvan een belangrijk deel juist de vergeving der zonden is. Berouw/bekering gaan dus in zekere zin aan de rechtvaardiging vooraf, maar hebben toch geen voorwaardelijk of verdienstelijk karakter. Ze zijn onderdeel van het geloof in Christus. De 'evangelical repentance' is verbonden met het geloof en heeft op die wijze ook een plaats in de heiliging in het negatieve deel ervan: de purificatie van de zonde.

11.4.7. Rechtvaardiging en adoptie

De gelovige ontvangt door de unie met Christus als eerste gave de rechtvaardiging. Ook hiervan is de Geest efficiënte oorzaak (efficient cause).

De rechtvaardiging heeft een forensisch karakter.''" Ze bestaat in een rechtvaardigverklaring van de zondige mens, een rechterlijke uitspraak van Gods kant, waarin Hij de schuld vergeeft en de gerechtigheid van Christus toerekent. Het is voor Owen duidelijk, dat de zondige mens niet gerechtvaardigd wordt op grond van diens geloof. In zijn Greater Catechism uit 1645 vraagt hij: 'Are we accounted righteous and saved for our faith, when we are thus freely called? No, but merely by the imputation of the righteousness of Christ, apprehended and applied

by faith; for which alone the Lord accounts us as holy and righteous'.

Op grond van de unie met Christus worden de zonden van de verkorenen op Hem gelegd. Hij draagt de straf voor de zonden binnen het eerste verbond, terwijl Hij tegelijk de genade van het tweede verwerft door de wet van het eerste volkomen te houden.™ De gelovigen krijgen hieraan, onder inwerking van de Geest, deel door de imputatie, de genadige acte van God, waarin Hij hun de reële, perfecte gerechtigheid van Christus, die bestaat in totale gehoorzaamheid, toerekent.^' Door het geloof krijgt de mens deel aan deze gerechtigheid, zodat hij vergeving van zonden ontvangt en voortaan beschouwd wordt als iemand die de wet heeft gehouden.

Direct verbonden met de rechtvaardiging noemt Owen de adoptie. Ook de adoptie is een forensische acte van God, waardoor Hij de mens een status toekent, die deze van zichzelf niet bezit.'^ Deze 'authoritive translation' heeft twee kanten. Het is aan de ene kant een effectieve proclamatie en declaratie van bevrijding van de plichten van de vorige familie. Aan de andere kant is het een planten van de gelovige in het huisgezin van God, waar hij alle voorrechten, zoals vrijheid en aanspraak, ontvangt."

11.4.8. Heiliging

Owen tekent in het tweede gedeelte van zijn Pneumatologia de heiliging ais het werk van de Geest in het verlengde van de wedergeboorte. Terwijl de Geest in de wedergeboorte het mystieke lichaam van Christus schept, voltooit Hij het in de heiliging.^''

Een belangrijk verschil tussen rechtvaardiging en heiliging is, dat de eerste een enkelvoudige acte van God is, die zich in een moment voltrekt, terwijl de laatste zich meer op de wijze van een proces laat beschrijven, waarbij sprake is van groei en ontwikkeling." De Geest draagt zorg voor dit groeiproces door de verschillende vormen van genade, die uit de habitus voortkomen, zoals geloof en liefde, te

versterken door middel van aansporing tot frequente activiteiten. Hij versterkt de genadevormen eveneens door aan de gelovigen de ervaring van de waarheid, de realiteit en de kracht van de geloofde zaken te verschaffen.'*

We zien hier, dat Owen opdracht/plicht en genade in een spanningsvolle relatie plaatst. Hoewel de genade voorop gaat, mag de mens in het proces van de heiliging duidelijk op zijn verantwoordelijkheid gewezen worden. Wanneer de gelovige niet aktief bezig is, vindt er geen voortgang plaats in de heiliging.

Uit de definitie, die hij van de heiliging geeft.'', blijkt dat deze zowel een positieve als een negatieve kant heeft. Hij schenkt allereerst aandacht aan de negatieve zijde: de purificatie van de menselijke natuur. Het is volgens Owen niet voldoende, dat de schuld van de zonde in de rechtvaardiging wordt weggenomen. Eveneens moet de smet ervan verdwijnen en dat kan slechts door purificatie. Er is sprake van een geestelijke wanorde, die niet alleen voortkomt uit de zondige activiteiten van de besmette geestelijke principes, maar ook uit een habituele onheiligheid van de menselijke natuur.

De heiliging nu bestaat gedeeltelijk in een universele reiniging van de zondesmet. Owen noemt de Geest ook van dit werk de eerste, efficiënte oorzaak. Hij past het bloed van Christus, de verdienende oorzaak van de purificatie, toe aan de harten van de gelovigen, die hun vuilheid beseffen en belijden.'" De habituele purificatie in de wedergeboorte vindt zo haar uitwerking in de actuele purificatie als onderdeel van de heiliging.'''

Daarnaast is er ook een positieve kant aan de heiliging. Opnieuw verwijst Owen in dat verband naar de bovennatuurlijke habitus. Het blijkt dat deze bestaat in een volledige gehoorzaamheid aan God. Universaliteit en oprechtheid van de gehoorzaamheid zijn echter in het kader van het nieuwe verbond voldoende."" Er is bij de gelovige namelijk wel een gehoorzaamheid, die een universeel, constant en permanent karakter draagt."', maar niet volmaakt is, omdat het overblijfsel van het oude, zondige principe eveneens aanwezig is. De heerschappij is echter van het oude op het nieuwe principe overgegaan.

Het gaat Owen in confrontatie met sociniaans-moralistische opvattingen om de grote vraag: Komt het christelijk leven ten diepste voort uit de unio cum Christo, die ontspringt aan de geestelijke habitus? Waar het ons hier vooral om gaat is, dat Owen op dit punt aandacht geeft aan de vraag naar de verhouding tussen het werk van de Geest en dat van Christus. Hij heeft tot nu toe de heiliging vooral bezien vanuit de efficiënte oorzaak, de Geest, die verwekker en verzorger is van het heiligheidsprincipe, nauwelijks vanuit de unio cum Christo. Als hij echter voor de vraag komt te staan wat het principiële verschil is tussen natuurlijke moraliteit en evangelische heiligheid, wijst hij niet alleen op de eeuwige liefde van de Vader als bron, het werk van de Geest als efficiënte oorzaak, maar vooral ook op de geloofsunie met Christus als directe voorwaarde voor de reële heiligheid."*^ Hieruit kunnen we opmaken, dat Owen geen grote afstand ziet tussen de wedergeboorte als eerste daad van de Geest en de unio cum Christi als principieel doel.

Toch is het opvallend, dat hij de unie met Christus pas aan het eind van het gedeelte over de heiliging uitgebreid aan de orde stelt. Hieruit blijkt dat zijn aandacht voornamelijk uitgaat naar de schepping en onderhouding van de nieuwe habitus door de Geest.

Ons valt op hoe nauwkeurig Owen in het kader van de ordo salutis het werk van de Geest in de menselijke ziel analyseert, waarbij de wedergeboorte met de voorbereidende activiteiten en de heiliging vooral uitgebreide aandacht ontvangen.

In zijn visie op de heiliging kunnen we twee lijnen ontdekken, die in een zekere spanningsverhouding tot elkaar staan. Aan de ene kant zien we een relationele lijn. Het gaat Owen in de ordo salutis om de unio cum Christo. Deze unie is de constante basis van de heiliging en het geheim van een werkelijk nieuw bestaan.

Daarnaast zien we bij hem tegelijkertijd een lijn, die de genade van God als een concrete, tastbare werkelijkheid tekent. Uit de habitus die bij de wedergeboorte wordt ingestort, komen zowel het geloof als de heiliging voort. Owen kan op dit punt regelmatig lijnen van de wedergeboorte naar het geloof en de heiliging en omgekeerd trekken, zonder daarbij het relationele aspect van de unio cum Christo te vermelden. Wij kunnen dit verklaren. De unio cum Christo is wel het centrale punt in het leven van de gelovige, maar niet de diepste grond. Deze ligt in de habitus van alle geestelijke activiteiten, die als schepping van de Geest onverwoestbaar is.

Owen maakt verder op verschillende plaatsen duidelijk, dat het in de ordo

salutis om de logische orde in het werk van de Geest gaat."^ Toch kunnen wij ons niet aan de indruk onttrekken, dat dit op enkele punten toch ook chronologische implicaties met zich meebrengt, vooral wat de verhouding gratia praeparans-wedergeboorte en wedergeboorte-geloof betreft.

///. Evaluatie

We kunnen Owens pneumatologie vanuit twee invalshoeken een plaats geven. Owen was een orthodox-calvinistisch theoloog, die de grondslagen van het Calvinisme wilde verdedigen in een periode, waarin eerst het Arminianisme, daarna het sociniaans moralisme op de voorgrond trad.

Wij hebben zijn orthodoxie ook in zijn pneumatologie waargenomen. Zij is te zien in de individuele gerichtheid van het werk van de Geest. Hij gaat van Christus uit en is in zijn applicatieve werk bezig heilsordelijk naar Christus toe te leiden en vanuit Hem het nieuwe leven gestalte te geven. Zij is ook te zien in de inzet vanuit God, de Triniteit, de verkiezing, waarbij het ontwerp van de Vader vanuit de verkiezing centraal staat, terwijl de Geest in wedergeboorte en heiliging de uitwerking ervan garandeert, maar vooral ook aan het substantiële karakter van de genade: de habitus, waaruit de actus voortkomt. Deze laatste, scholastische constructie kende de Reformatie niet, maar was voor de latere traditie van betekenis om de genade van God een tastbare plaats in het leven van de mens toe te kennen.

Verbonden met deze orthodoxe lijn zien we bij Owen ook een puriteins-piëtistische lijn. Hij is duidelijk een vertegenwoordiger van de puriteinse vroomheid. Wij kunnen dat in zijn Pneumatologia, waarin hij uitgebreid aandacht besteedt aan de realisering, de werkingen en de voortgang van de genade in de menselijke ziel, duidelijk zien. Ook willen we in dit verband wijzen op de ruime aandacht die de gratia praeparans ontvangt. Deze typisch puriteinse kenmerken, die wel mede verklaard zijn uit de invloed van de middeleeuwse vroomheidstraditie, kunnen tegelijk in het bredere kader van het zeventiende-eeuwse Piëtisme geplaatst worden.^^

Owens pneumatologie laat hem als een orthodox-calvinistisch theoloog en een puriteinse piëtist zien."'' Enerzijds legt zij verbindingen met het geheel van zijn theologie, zoals de Triniteit, het werk van de Vader en Christus, het genadever-

bond en het effect van de beperkte verzoening in de communicatie tussen Christus en zijn Kerk. Anderzijds schenkt zij ook een blik in het binnenste van de mens en laat de werkingen van de Geest op uitgebreide wijze zien.

De pneumatologie heeft in het geheel van Owens theologie een cruciale plaats ingenomen. Zij heeft voor hem de belangrijke betekenis gehad om op zijn wijze en in zijn tijd de Goddelijke genade te benadrukken tegen alle meerdere of mindere ontkenning daarvan in.


* Dit artikel is grotendeels gebaseerd op mijn doktoraalscriptie: 'Pneumatologia'. Een onderzoek naar de leer van de Heilige Geest bij de puritein John Owen (1616-1683), Utrecht 1990.

' C. Graafland, 'De invloed van het Puritanisme op het ontstaan van het Gereformeerd Piëtisme in Nederland', in: Doc.bl. N.R. 7/1, (1983), p. 1-24; W.J. op 't Hof, Engelse piëtistische geschriften in het Nederlands 1598-1622, Rotterdam 1987.

^ Wij gaan hier niet in op het complexe probleem van de definitie van Puritanisme en puriteins. We volgen gemakshalve de omschrijving van K.L. Sprunger, Dutch Puritanism, Leiden 1982, p. 457: 'The essence of Puritanism was a balanced combination of doctrinal Calvinist theology and intense personal piety' (geciteerd bij Van 't Spijker, Guilelmus Amesius, a.w., p. 80). Zie vooreen discussie: R.W. de Koeyer, 'Pneumatologia', p. 19-27.

' G.F. Nuttali, The Holy Spirit in Puritan Faith and Experience, Oxford 1946; G.S. Wakefield, Puritan Devotion, London 1957; E.F. Kevan, The Grace of Law. A Study in Puritan Theology, London 1964; P. Toon, The Emergence of Hyper-Calvinism in English Nonconformity, London 1967; Puritans and Predestination, Swengel 1973; R.T. Kendall, Calvin and English Calvinism to 1946, Oxford 1979; A.C. Clifford, Atonement and Justification. English Evangelical Theology 1640-1790, Oxford 1990.

'' W. Haller, The Rise of Puritanism, New York 1938; P. Miller, The New England Mind: The Seventeenth Century, Cambridge 1939; J.F.H. New, Puritan and Anglican. The Basis of their Opposition, 1558-1640; Stanford 1964; L.B. Tipson, The Development ofa Puritan Understanding of Conversion, Ph.D. Diss., New Haven 1972; J. Sears McGee, The Godly Man in Stuart England 1620-1670, New Haven 1976; vooral D.D. Wallace, Puritans and Predestination. Grace in English Theology 1525-1695, Chapel Hill 1982; C.E. Hambrick-Stowe, The Practice of Piety. Puritan Devotional Disciplines in Seventeenth-Century New England, Chapel Hill 1982; J. von Rohr, The Covenant of Grace in Puritan Thought, Atlanta 1986.

' C. Graafland, De zekerheid van het geloof Wageningen 1961, p. 128-150; Van Calvijn tot Barth. Oorsprong en ontwikkeling van de leer der verkiezing in het Gereformeerd Protestantisme, 's-Gravenhage 1987, p. 71-83; Op 't Hof, a.w., p. 320vv; W. van 't Spijker, 'Guilelmus Amesius (1576-1633)', in: De Nadere Reformatie en het Gereformeerd Piëtisme, 's-Gravenhage 1989; P. de Vries, De orde van het heil hij John Bunyan, Vlaardingen 1989.

* C. Graafland, 'Het eigene van het Gereformeerd Piëtisme in de 18e eeuw in onderscheid van de 17e Eeuw', in: Doc.bl. N.R. 11/2, (1987); p. 37-53.

' Zie voor Owens leven vooral: P. Toon, God's Statesman: The Life and Work of John Owen, Exeter 1971.

* Sinclair B. Ferguson, Doctrine of the Christian Life in the Teaching of Dr. John Owen (1616-1683), Ph.D. Diss., Aberdeen 1979; John Owen on the Christian Life, Edinburgh 1987.

' J.R. Beeke, Personal Assurance of Faith. English Puritanism and the Dutch 'Nadere Reformatie' from Westminster to Alexander Comrie, Ann Arbor 1989, p. 177-264.

'" A.C. Clifford, Atonement and Justification, Oxford 1990.

'' Vose besteedt aandacht aan Owens pneumatologie binnen het geheel van diens theologie en geeft alleen een soort samenvatting van Vol. III zonder verdere analyse, o.c, p. 122-182. Wallace besteedt in zijn Puritans and Predestination kort aandacht aan het geheel van Owens theologie en noemt daarbij de centrale plaats van de pneumatologie (p. 151-155). Ferguson analyseert Owens pneumatologie nauwkeuriger, dit echter als onderdeel van diens gedachten over het christelijk leven. Zijn studie heeft dus een praktische spits. Een diepteanalyse in (dogmen)historisch kader treffen we bij hem niet aan.

'•^Er zijn drie edities van Owens 'Complete Works". De eerste dateert uit 1826 (ed. T. Russell) en bevat 24 delen. De tweede verschijnt in 1850-1853 (ed. W.H. Goold) en bevat dezelfde delen. De laatste editie is een herdruk van de Goold-editie door 'The Banner of Truth' en verschijnt in 1965-'68. Bij deze herdruk zijn de Latijnse werken en de commentaar op de Hebreeënbrief weggelaten.

'-* Nuttall, o.c, p. 6ss; Op 't Hof, a.w., p. 26; J.C. Brauer, 'Types of Puritan Piety', in: Church History, 56/1, (1987), p. 39-59; S. v.d. Linde, 'Puritanisme en Piëtisme', in: Th. /? e/: , XXXI/3, (l988), p. 206.

'" Zie voor deze aspecten:11/222-274; IV. Vgl. De Koeyer, a.w., p. 88-107.

" in/7.

'^G. Smeaton, The Doctrine of the Holy Spirit. 1882, reprint Edinburgh 1974, p. 3; A. Kuyper, Het werk van den Heiligen Geest. Kampen 1888, p.x.; G.F. Nuttall, o.c. p. 7; J.C. Brauer, 'Reflexions on the Nature of English Puritanism', Church History 19, (1950), p. 151-170.

" Wallace, Puritans and Predestination, p. 7, 27, 44, 49.

'* C. Graafland, Van Calvijn tot Barth, p. 72vv.

" S. Petto, The Voice of the Spirit, 1654; T. Goodwin, The Work of the Holy Ghost in our Salvation. 1670.

20 III/7-8.

2' Wallace, o.r., p. I68ss.

"111/13, 36, 556.

2' CE. Whiting, Studies in English Puritanism from the Restauration to the Revoluti 1680-1689, honéon 1931, p. I33ss.

2'* Zie hiervoor vooral Owens publicaties over de Heilige Schrift, IV/117-234.

2' ni/64.

2f' 11/407-409; III/67.

" III/67-68.

28III/69, 198.

" III/93-94.

30III/96-98.

3' III/I02.

"ni/126.

"ni/125-126; 152ss.

'"111/147-151.

'5III/152-153.

"•111/163.

" III/108.

3« III/207SS.

^' III/210: Although the work of regeneration by the Holy Spirit was wrought under the Old Testament, even from the foundation of the world, and the doctrine of it was recorded in the Scriptures, yet the relevation of it was but obscure in comparison of that hght and evidence which is brought forth into by the gospel'.

'"III/210-215.

'" De 'Exercitations on the Epistle of the Hebrews' zijn in vier delen verschenen van 1668-1684. Zie verder: III/618-619; V/179ss, 275-277; VI/470-478.

"2ni/103-104.

« VI/474SS.

""IV/417ss; Exerc. 2, I, iv, Iss. Voor het pactum salutis en de verschillende relaties daarmee: B. Loonstra, Verkiezing-Verzoening-Verbond, Beschrijving en Beoordeling va de leer van het pactum salutis in de gereformeerde theologie, 's-Gravenhage 1990.

"-"^ V/185.

tf» 1/470-494. Zie ook XI/122-124.

"' 1/487.

"i* 1/486.

'"ni/219ss.

'" III/244.

^' III/329. Wij vinden deze omschrijving regelmatig terug in Owens geschriften, vgl. 11/14, 68, 199ss; VI/347; VII/269ss; IX/73ss; X/133; XI/147ss.

•^^ Deze visie op de wedergeboorte is toonaangevend in de puriteinse traditie. De actus komt uit de habitus voort, terwijl de habitus concreet scheppingswerk van de Geest is. De wedergeboorte gaat dus aan alles vooraf. Wij vinden dit het duidelijkst terug bij Perkins, vgl. L.B. Tipson, o.c, p. 227ss; J. von Rohr, o.c. p. 83ss.

''III/318SS.

5" ni/236.

'' III/237. We hebben hier te maken met een typisch puriteinse trek; die we vooral bij Perkins terugvinden; vgl. Graafland, Zekerheid, p. 131vv; Op 't Hof, a.w., p. 343vv.

"" III/336ss. Het is een opvallend gegeven, dat theologen uit de Vroege Kerk, vooral Augustinus, vrij frequent worden geciteerd bij Owen. De invloed van de Vroege Kerk op de Engelse theologie is toch opvallend sterk te noemen, vgl. F.G.M. Broeyer, William Whitaker (1548-1595). Leven en werk van een Anglocalvinisüsch theoloog. Utrecht 198 38-42 (zie ook stelling 5).

" III/354.

5«III/362; IX/359-361.

5" III/364.

''"V/93.

*' V/104.

*^ III/356ss. Het is niet eenvoudig om bij verschillende puriteinen precies te onderscheiden, wanneer en waar het stadium van de overtuiging ophoudt en het geloof begint. Von Rohr, o.c, p. 63 merkt dit op, maar schenkt verder weinig aandacht aan de structuur van de habitus en de actus fideï.

"V/107.

"V/108.

*5V/291-294; IX/33, 48.

« xni/22.

*•' Owen kent een duidelijke tweeslag van wet-evangelie, die te maken heeft met de onderscheiding werkverbond-genadeverbond. De zondige mens krijgt eerst met de wet van het werkverbond te doen om hem zijn zonde voor ogen te stellen met de bedoeling dat hij naar Christus vlucht. Zie verder:1/476: l/95ss: /74ss, 149, 420: II/519: IlI/613. De overtuiging van zonde is absoluut noodzakelijk als voorbereiding op het geloof, V/74. Deze structuur is typerend voor veel puriteinen, vgl. E.F. Kevan, The Grace of Law, p. 83ss.

'"*V/134-135.

*' 1/487, Quest.Answ. I.a.

™ 11/207; V/187.

"V/173, 209.

^^ 11/210: 'Now, adoption is the authoritive translation of a believer by Jesus Christ from the familiy of the world, into the family of God, with his investiture in all the privileges and ad ventages of that family'.

" 11/215ss.

^•^ III/366-367.

" III/387.

'"' ni/404-405.

''III/386: 'Sanctification is an immediate work of the Spirit of God on the souls of believers, purifying and cleansing of their natures from the pollution and uncleanness of sin, renewing in them the image of God, and thereby enabling them, from a spiritual and habitual principle of grace, to yield obedience unto God, according unto the life and death of Jesus Christ'.

'* III/438, 442.

™ III/468-469.

»"m/471.

*' m/485.

III/515-517.

''MlI/517; V/131; Vl/597-598.

*'' G.S. Wakefield, o.c, p. 7ss, 11 Iss; W. van 't Spijker, 'De Nadere Reformatie', in: De Nadere Reformatie. Beschrijving van haar voornaamste vertegenwoordigers, 's-Grav hage 1986, p. 5-16.

^'^ Dit is ook waar te nemen in Owens visie op andere aspecten van de pneumatologie. Vgl. De Koeyer, a.H'., p. 88-107.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991

Theologia Reformata | 357 Pagina's

’PNEUMATOLOGIA’*

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991

Theologia Reformata | 357 Pagina's

PDF Bekijken