Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Reflexen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Reflexen

23 minuten leestijd

Ondergaande zon?
Deze Reflexen wil ik beginnen op het punt waar prof.dr. G. C. den Hertog zijn Reflexen in het vorige nummer van ons blad afsloot. Hij merkte over de theologische faculteit in Utrecht op: ‘Het is voor mij − net als voor vele anderen − nog steeds onbegrijpelijk hoe het heeft kunnen gebeuren dat deze faculteit met een grote traditie zichzelf vakkundig om zeep heeft geholpen.’ Inmiddels is het besluit van de Universiteit Utrecht om het bachelorprogramma theologie per 1 september 2014 af te stoten wereldkundig geworden. Dit programma was vooral bedoeld voor studenten die predikant wilden worden en dat zijn er nu eenmaal steeds minder. Daarbij komt dat de komende langstudeerboete met name deeltijdstudenten theologie zal treffen en waarschijnlijk velen zal doen besluiten van een studie theologie af te zien of voortijdig af te haken. Decaan prof.dr. Wiljan van den Akker schrijft in een brief aan personeel en studenten van de faculteit geesteswetenschappen dat het ‘door het te verwachten lage studentenaantal, niet langer verantwoord is de opleiding theologie te blijven aanbieden.’ Universiteiten moeten zich specialiseren in waar ze goed in zijn. Ze moeten speerpunten opstellen en de beperkte budgetten aanwenden voor een kleiner aantal opleidingen met hoge kwaliteit. Kleintjes komen daardoor onherroepelijk in de knel.
Emeritus hoogleraar dr. Arie de Reuver zegt in het Reformatorisch Dagblad van 4 februari jl.: ‘In het licht van de academische zinspreuk, een gebed tot de Zon der gerechtigheid, om licht en wijsheid, is het des te schrijnender dat een lange en zegenrijke traditie wordt afgebroken. Toch dwing ik me tot nuchterheid en relativering. Beslissend voor de opleiding tot dienaar des Woords is tenslotte niet de locatie, maar de kwaliteit. En de Zon die de vrucht in kwaliteit doet rijpen, straalt niet alleen over Utrecht, maar staat aan een wijde hemel en beslaat een breed gebied. Moge dit Licht studenten en docenten verlichten, waar dan ook.’

Licht dat blijft
Het is inmiddels algemeen bekend dat de Protestantse Theologische Universiteit vertrekt uit Kampen, Leiden en Utrecht. Het afscheid van deze broedplaatsen voor kerkelijk geëngageerde theologie wordt door drie inhoudsrijke bijeenkomsten gemarkeerd (in Leiden op 15 maart, in Utrecht op 20 april en in Kampen op 11 mei). Op het moment dat ik dit schrijf, hebben de afscheidsdagen in Leiden en Utrecht plaatsgevonden en staat die in Kampen nog voor de deur. Via de website van de Protestantse Theologische Universiteit, w.pthu.nl, kan het bij deze gelegenheid gesproken woord gedownload worden. In de verschillende toespraken in Leiden is aandacht gegeven aan spraakmakende Leidse theologen. Zo sprak dr. Heleen Zorgdrager over prof. dr. Kune Biezeveld (1948-2008) en prof.dr. Henk de Roest over prof.dr. Ted van Gennep (1926-1990). Prof.dr. Gerrit de Kruijf was vanwege ernstige ziekte helaas verhinderd. Zijn bijdrage over prof.dr. Henk Berkhof (1914-1995) is voorgelezen door dr. Petruschka Schaafsma.
Ik citeer enkele fragmenten uit de toespraak van De Kruijf: ‘Berkhof genoot van de wetenschappelijke ambiance. Naar zijn idee kan de christelijke geloofsleer zichzelf moeilijk anders verstaan dan als wetenschap, omdat ze zich immers op de werkelijkheid, de hoogste werkelijkheid richt. Ze levert daarmee “een bijdrage tegen de empiristische verenging van het wetenschapsbegrip.” Tegelijk relativeert Berkhof de eis van wetenschappelijkheid op een manier die bij Gunnings spiritualiteit past. Of de christelijke geloofsleer met deze aanspraak op wetenschappelijkheid ‘erkenning vindt in de haar omringende cultuur, moet ze eenvoudig afwachten. De al of niet erkenning zal geen invloed hebben op de wijze waarop ze zichzelf verstaat en haar arbeid opvat....’ Wat nemen wij mee naar Groningen en Amsterdam? Berkhof! Van Groningen weet ik het niet zeker, van Amsterdam wel, want daar ben ik zelf bij en de neuzen van onze dogmatici Muis en Benjamins staan dezelfde kant op. Bovendien worden wij daar opgewacht door Van den Brink en Van der Kooi die ook Berkhof doceren. Maar wij weten dat zij met iets nieuws gaan komen. Daarvoor staan wij in goed vertrouwen open. Maar zelf ga ik in hun op ons toekomende dogmatiek wel eerst naar het checkpoint eschatologie! Dat deed ik trouwens ook toen ik in Leiden kwam en meteen in een discussie belandde met H.J. de Jonge over een onwetenschappelijk naschrift van hem over de wederkomst van Jezus Christus. Onder de titel “die dag zal zeker komen” probeerde ik hem ervan te overtuigen, dat een goed gesprek over eschatologie binnen de theologische wetenschap gevoerd mag worden. Van meerdere goede gesprekken met de collega’s kwam het zeker, maar helaas hebben we de duplex ordo niet zodanig weten op te heffen dat we in hogere ordening verenigd werden te Leiden − ook dat is uitgesproken Leids...
Aan het einde gekomen van ook mijn persoonlijke [van GdK] Leidse jaren zij het mij vergund over “die dag” u nog een woord van Augustinus mee te geven, dat ik zelf als motto koos in een bundel motto’s van Leidse hoogleraren. De korte versie luidt: het einde zal geen avond zijn (finis non erit vespera). De langere versie luidt: “Dat zevende tijdperk echter zal onze sabbat zijn; en het einde daarvan zal geen avond zijn, maar de dag des Heren, om zo te zeggen een eeuwigdurende achtste dag, geheiligd door de verrijzenis van Christus, die de voorafbeelding is (praefigurans!) van de eeuwige rust, niet alleen van de geest, maar ook van het lichaam. Daar zullen wij rusten en zien, zullen wij zien en liefhebben, zullen wij liefhebben en lofprijzen. Dat is wat er op het einde zonder einde zal zijn. Want welk ander einde is er voor ons dan het bereiken van dat koninkrijk, dat nooit een einde vindt?” ‘

Mooier verwijzing dan De Kruijf hier doet naar Augustinus is bij een afscheidsbijeenkomst moeilijk te bedenken. Veel komt in deze wereld en ook in de kerk ten einde. Gelovige theologie staat echter bij al wat verandert blijvend in het licht van het einde zonder einde. Zij is dienst aan het eindeloze koninkrijk van God. Dat was ook de teneur van de woorden die de hoogleraren Gerrit Immink en Jan Muis bij het afscheid in Utrecht spraken. Ik citeer uit Muis’ toespraak ‘Une certaine idee de la théologie d’ Utrecht’: ‘We spreken vrijmoedig over God zonder aanhalingstekens. We schamen ons niet voor Jezus Christus. We stellen ons open voor de leiding van de Heilige Geest. We laten onze agenda en onze werkwijze niet dicteren door de twisten van gisteren, maar gaan na hoe mensen zich vandaag kunnen openen voor het evangelie van Jezus Christus en waar zij zich ervoor afsluiten. We bieden theologische weerstand wanneer het evangelie verdampt in religiositeit en wanneer de kerk van binnenuit seculariseert. We zoeken verbinding met medechristenen uit alle culturen, ook als wij daarvoor eigen grenzen moeten overschrijden. We laten ons zo verrassen door de Schriften van Oude en Nieuwe Testament, in al hun historische en taalkundige vreemdheid, dat ons geloof en onze theologie er door worden vernieuwd. We zonderen ons niet af in ons eigen, kleine, gereformeerde wereldje, maar ademen in de traditie van de Kerk der eeuwen en blijven in gesprek met Origenes en Athanasius, Augustinus en Anselmus, Thomas van Aquino en Duns Scotus, Pascal en Kierkegaard, Schleiermacher en Barth. We houden diepgaand voeling met onze rooms-katholieke collega’s. Onze protestantse theologie zal waarlijk katholiek zijn.’ Moge het goede van Kampen, Leiden en Utrecht zo bewaard worden en tot nieuwe bloei komen in Amsterdam en Groningen.

In het Licht van het Woord
Op 5 september jl. mocht ik als gastspreker bij de opening van het academisch jaar van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (Kampen, Broederweg) de aandacht vragen voor ‘De kracht van verbindende theologie’. Daarbij greep ik terug op de visie van Herman Bavinck. Op 10 januari 1883 houdt deze zijn Rede ter aanvaarding van het leeraarsambt aan de Theologische School te Kampen, met als onderwerp: ‘De wetenschap der H. Godgeleerdheid’. Bijna twintig jaar later, op 17 december 1902, gaat hij dieper op de vraag naar de wetenschappelijkheid van de theologie in wanneer hij zijn inaugurele rede houdt aan de Vrije Universiteit te Amsterdam over godsdienst en godgeleerdheid in hun samenhang. Voor Bavinck is theologie per definitie kerkelijke theologie. Dat betekent echter allerminst dat hij de pretentie van wetenschappelijkheid zou opgeven. Hij is ten principale tegen een terugtrekkende beweging in een kerkelijk seminarium dat aan de wereld van de wetenschap geen boodschap meer heeft. Echter, waarom zou theologie als gelovige wetenschap niet van een axioma mogen uitgaan, namelijk het bestaan van God en de betrouwbaarheid van zijn openbaring in de Schrift? Elke wetenschap gaat immers uit van een axioma. Wie dat niet wil, komt nimmer tot wetenschap. We gaan bij ons streven naar kennis altijd van een a priori uit, anders komen we nooit verder dan wanhopig scepticisme. Bavinck hekelt de zogenaamde ‘Voraussetzungslosigkeit’ van de wetenschap. ‘Zoogenaamde onpartijdigheid is een vorm, waaronder de meest besliste partijdigheid zich verbergt.’ De rechte theologie hangt ten nauwste samen met de christelijke godsdienst, met het geloof van de gemeente, met de belijdenis van de kerk, met het leven van de vroomheid. Alle echte theologie draagt daarom een kerkelijk en confessioneel karakter. Een ‘ausserkirchliche‘ theologie is even onmogelijk als een ‘ausserirdische‘ geografie (Rolffs).
Er behoort volgens Bavinck harmonie te zijn tussen de overtuiging die een mens als theoloog, en die welke hij als lid van zijn kerk belijdt. Hij is ook een mens en kan op geen andere manier zalig worden dan ieder ander. De theologie komt dan ook nooit het standpunt van het geloof te boven. Pistis wordt in deze bedeling geen gnosis. Religie, vreze Gods, moet het element zijn dat alle theologische onderzoekingen bezielt. Zij moet de polsslag zijn, die men in ieder dogma zachter of luider kloppen hoort. Theologie te beoefenen is een heilig werk, een priesterlijke dienst in het huis des Heeren, een wijden van verstand en hart tot eer van Zijn Naam. ‘Een theoloog is een priester die God nacht en dag dient in Zijn tempel; een profeet die Hem verklaart en altijd spreekt tot Zijns naams eer; een mensch Gods tot alle goed werk bekwamelijk toegerust (...) Theologie die, uit het leven voor het leven, arbeidt aan de volmaking der heiligen, aan de opbouwing van het lichaam van Christus, en in waarheid een dienst Gods is, een loven en prijzen van Zijnen heiligen naam.’
Bavinck wil Christus blijven belijden als de Koning der waarheid en daarom ook de Heer in het rijk der wetenschap. Niet de theologie moet zich terugtrekken uit de wetenschappelijke wereld, maar de wetenschap moet een ruimer opvatting huldigen van haar eigen wezen. ‘Van geen enkele wetenschap is de theologie vijandin; alle erkent en eert zij in hare zelfstandigheid; van alle maakt zij dankbaar voor haar eigen ontwikkeling gebruik; en met zusterlijke genegenheid wil zij allen tot zegen zijn. Als wetenschap staat zij met de andere wetenschappen gelijk. Ook haar is het om den logische inhoud, om de idee te doen, die aan het object van haar onderzoek in zijn ganschen omvang ten grondslag ligt.’
Wie de wetenschappelijkheid van de confessioneel bepaalde theologie handhaaft, zal het gesprek over deze wetenschappelijke status overigens met goede argumenten moeten voeren. Het is dan nodig voor een breed en divers publiek een brug te slaan vanuit algemeen inzichtelijke overwegingen naar de eigensoortige inhoud van het christelijk geloof. Wie deze exercitie nalaat in ons huidige multireligieuze en tegelijk agnostische klimaat veroordeelt zichzelf tot een communicatief isolement. In de breedte van de kerken zijn er gelukkig theologen die zich krachtig verzetten tegen het uitwissen van het fundamentele onderscheid tussen theologie en godsdienstwetenschap. Zoals prof.dr. Bram van de Beek het verwoordde bij zijn afscheid als hoogleraar symboliek aan de faculteit der Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam op 16 september 2010: ‘Zonder de gemeenschap van het geloof verliest de theologie haar basis en zweeft ze weg als een ballon in een lege ruimte, totdat iemand haar doorprikt.’ (A. van de Beek, Spreken over God, Amsterdam 2010, 10) . Men is theoloog in de gemeenschap van de kerk, geroepen om te doordenken wat dit geloof is en zo dienstbaar te zijn aan het bewaren van de kerk in de eenheid van het geloof. De bekende Britse theoloog Alister McGrath voert eveneens een warm pleidooi voor de ‘organische theoloog’ (in aansluiting bij ‘de organische intellectueel’ in het denken van de neomarxist Antonio Gramsci). De ‘organische theoloog’ is iemand die zijn of haar ideeën onder het volk probeert te brengen. Iemand die zijn taak opvat als ondersteunend en systematiserend binnen de gemeenschap van het geloof, en als evangeliserend en apologetisch buiten die gemeenschap. ‘Binnen de gemeenschap is het zijn verantwoordelijkheid om haar traditie te ontdekken en toe te passen; buiten die gemeenschap is het om haar ideeën aan te bevelen en te verdedigen, en zo effectief mogelijk te communiceren.’ (De toekomst van het christendom, Kampen 2010, 180).
Scherp oordeelt McGrath dat de huidige academische theologie zich te veel heeft gedistantieerd van gewone christenen die proberen hun geloof uit te leven in een vaak verwarrende tijd. Zij is zichzelf gaan zien als een professionele academische discipline, die losstaat van het leven van de kerk. Hierdoor zijn diepgaande verschillen in cultuur gegroeid tussen de academische wereld en de geloofsgemeenschap. Veel recente theologie lijkt zich te focussen op kwesties die geen enkele relevantie blijken te hebben voor het leven, de eredienst en de missie van de kerk. De vraag kan zelfs rijzen of de theologie nog wel aan de kant van het geloof staat. McGrath pleit dan voor een nieuwe werkrelatie tussen de ‘academische theologie’ en de ‘theologie van de kerkbank’. Wat hem voor ogen staat, is de ‘Babylonische ballingschap’ van de denkende christen te beëindigen en naar ‘Jeruzalem’ terug te keren, om daar de liederen van Sion in onze eigen taal te zingen. Wat houdt dit concreet in? Het gaat om niet enkel cognitieve, maar relationele theologie die de spiritualiteit voedt en onderhoudt en die zo antistoffen vormt tegen het virus van de geseculariseerde cultuur van het Westen.
Vanuit nog weer een andere achtergrond klinkt het pleidooi van Edward Farley van de Vanderbilt University in Nashville, Tennessee. Hij verzet zich tegen de reductie van theologisch onderwijs tot het aanleren van ‘clerical skills’ of ‘scholarly knowledge’. Het zou in de theologie moeten gaan om de wijsheid waarmee de bronnen van de religieuze traditie in rapport kunnen worden gebracht met de wereld waarin wij hier en nu leven. Dan worden geen dode waarheden toegepast op een levende situatie. Neen, het gaat erom zelf deel uit te maken met hart en ziel van een levende traditie die zich op creatieve wijze vandaag opnieuw actualiseert. Op deze wijze moet de christelijke traditie vitaal en relevant, verstaanbaar en interessant worden voor de mens van vandaag. Daartoe is een diepgaande peiling van de hedendaagse cultuur, waarin overgeleverde waarden niet meer functioneren, noodzakelijk. Farley acht daarom een hechtere verbondenheid nodig tussen theologische vorming en educatie in de gemeenten en aan de theologische seminaries en faculteiten. Het gaat om één groot en coherent vormingsproces voor christenen, dat op verschillende niveaus tot theologische wijsheid leidt (zie bijv. zijn The Fragility of Knowledge. Theological Education in the Church and the University, Philadelphia 1988). We zouden hier kunnen spreken van de samengang van lay theology, ministerial theology, professional theology en academic theology (zo Stanley Grenz & Roger Olson, Who Needs Theology? An Invitation to the Study of God, Downers Grove 1996).

Wolken voor de zon
De Kruijf memoreerde hoe Berkhof zich keerde tegen empiristische verenging van het wetenschapsbegrip. Deze strijd is zeer actueel. Symptomatisch is het laatste boek van de emeritus hoogleraar Harry M. Kuitert, Alles behalve kennis − Afkicken van de Godgeleerdheid en opnieuw beginnen (Kampen 2011). Hij keert zich tegen de cognitieve pretenties van de theologie en betoogt (opnieuw) dat godskennis zoals kerk en theologie daarvan uitgaan, allesbehalve kennis is. Godgeleerdheid is vanouds verstaan als het verzamelen, uitbouwen en systematiseren van alles wat er te weten valt over God. Hiermee dient de theologie volgens Kuitert principieel afstand te nemen, omdat het van begin tot eind om verbeelding zou draaien. Theologie kan daarom niet anders zijn dan geesteswetenschap: nagaan hoe mensen voorheen zichzelf zagen, hoe ze door de veranderende wereld zichzelf anders gaan zien, hoe ze daarmee gebruikmaken van wat is overgeleverd om zich in een nieuwe wereld opnieuw te oriënteren. Al het spreken over God, geloof, hemel, hel en wat dies meer zij moet worden opgevat als uitingen van beneden over Boven, geheel volgens de regel: eerst waren er mensen, en toen religies en goden en God. Theologie als antropologie dus. Theologie is geen wetenschap van God, maar van wat christenen over God zeggen.
Kuitert markeert zijn positie ook dit keer door fundamentele kritiek op Karl Barth, die zich in overmoed onkwetsbaar zou proberen te maken met zijn openbaringsleer. Dat zou bij Barth uitlopen op God als product van het vrome denken. Kuiterts adagium is daarom: Weg met de dogmatiek als kennis van God, stoppen met geloven in een God die zich laat kennen. Dat is niet makkelijk, zoals de dichter Jan Eijkelboom zegt: ‘Ik trok geen jas uit, maar een huid.’ Wie stopt met geloven, moet afkicken als een drugsverslaafde. De kerk is dan niet overbodig geworden, maar zou moeten functioneren als een ontwenningskliniek: de plaats waar mensen kunnen leren hoe te leven met wat niet ‘van kennis’ bleek te zijn.
Kuitert kan op veler instemming rekenen. De hedendaagse maatschappij wordt gekenmerkt door globalisering, multiculturalisering en secularisering. Hoe kan in zo’n interdependente wereld een theologische faculteit zich nog langer blijven beperken tot de christelijke religie, of althans aan de christelijke religie de meest focale aandacht blijven besteden? Prof.dr. Marcel Sarot constateert in zijn Utrechtse inaugurele oratie in 2005 (De goddeloosheid van de wetenschap. Theologie, geloof en het gangbare wetenschapsideaal) dat theologische faculteiten niet meer het vanzelfsprekende bestaansrecht hebben dat zij vroeger hadden. Prof.dr. Luco van den Brom merkt zelfs op dat veel wetenschappers de theologie als ‘de risee van de wetenschap’ beschouwen. Voor zover zij zichzelf als interpretatie van de openbaring verstaat, vertoont zij een vorm van vluchtgedrag uit de werkelijkheid waarvan zij de waarheid niet onder ogen wil zien (‘Theologie als de risee van de wetenschap’, Kerk en Theologie 55 (2004), 73-77).
Het methodologisch atheïsme is voor vele hedendaagse theologen een vanzelfsprekend uitgangspunt geworden. Wetenschappelijke theologie zwijgt over God. Het persoonlijk geloof blijft buiten spel. Geloofsovertuigingen gelden niet als gronden, maar als object van onderzoek (zo bijvoorbeeld H.J. Adriaanse, H.A. Krop, L. Leertouwer, Het verschijnsel theologie. Over de wetenschappelijke status van de theologie, Amsterdam 1987). De keus die velen maken in theologenland is: om theologie te studeren maakt het niet uit óf je gelooft of wát je gelooft. Wanneer theologie niet langer de wetenschap van God is, maar van het verschijnsel godsdienst, is het inderdaad alleen maar consequent dat zij muteert tot een departement van de faculteit geesteswetenschappen. Naar mijn overtuiging is zij dan echter geen ‘theologie’ meer, maar godsdienstwetenschap die evenredige aandacht besteedt aan alle grote religies in hun verschillende tradities en contexten. Daarbij staat de bestudering van de interreligieuze dialoog centraal op mondiaal en lokaal niveau en nemen ook de niet-religieuze, immanente levensbeschouwingen, voortgekomen uit de toenemende secularisatie, hun geëigende plaats in.

Lichtpunten
Bij alle zorgen rond het domein van de theologie in Nederland mogen we de lichtpunten niet vergeten. Ruim een eeuw nadat Bavinck in Kampen inaugureerde is er in Nederland en Vlaanderen, om mij tot het Nederlandse taalgebied te beperken, nog altijd een divers landschap van theologiebeoefening op wetenschappelijk niveau. Ik noem Amsterdam (VU), Apeldoorn (TUA), Kampen-Broederweg (TU) en de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) te Amsterdam en Groningen, waar wordt gewerkt vanuit het ‘deelnemersperspectief’ van één of meer geloofstradities. Dat geldt ook over de grens voor de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid in Brussel en voor de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven. Ik zie bij deze instituten ruimte voor ‘verbindende theologie’, die zich kenmerkt door een participerende houding vanuit een geloofsgemeenschap (en dat is dus volgens Bavinck de enige bestaanbare theologie!) naast en in open dialoog met de benadering vanuit een seculiere beschouwing van religie.
Een lichtpunt acht ik de toenemende aandacht voor geestelijke vorming, voor oefening in spiritualiteit. ‘Age ut in spiritualitate proficias’, ‘Wees erop uit om vorderingen te maken in het leven volgens de Geest’, zo roept ons de 5de eeuwse pseudoHiëronymus op (Migne, PL 30, 114 D - 115 A, ep. 7). Theologie en spiritualiteit dienen elkaar te doordringen. Het hart van de theologie ligt in het gebed, zo wist Karl Barth (Kirchliche Dogmatik, I,1, 18 -23). God in de werkelijkheid van zijn openbaring is de ‘Gegenstand’ van de theologie. De levende kennis van Hem is ‘die Sache’ waar het om gaat. Er is groot verschil tussen veel praten over God enerzijds en anderzijds Hem kennen en vanuit die kennis tot spreken komen. Daarom is de geestelijke vorming en toerusting van de studenten van de grootste betekenis. Zij worden opgeleid tot mooie, maar ook veeleisende en verantwoordelijke taken. Het gaat om geestelijk leiderschap in een veelszins gedesoriënteerde cultuur. Bavinck kon wakker liggen om studenten die de beklagenswaardige slachtoffers waren van pseudotheologie. Ze kunnen niet meer spreken, omdat zij niet geloven. Ze missen voor de vervulling van hun dienst de nodige bezieling en kracht en staan aan ziek- en sterfbed verlegen. Typerend is wat hij schrijft in De zekerheid des geloofs: ‘Eene theologie moet haar recht en hare waarheid bewijzen, ja ook op het gebied der wetenschap, maar meer en krachtiger nog te midden van de ontzettende werkelijkheid van het leven, aan krank- en ziekbed, in ellende en smart, in nood en dood, aan het met schuld beladen geweten, aan het naar verzoening en vrede dorstende hart. Indien zij tegenover deze toestanden machteloos en troosteloos staat, is zij de plaats niet waard, welke zij in de kring der wetenschappen inneemt.’
Een ander lichtpunt is dat zich nieuwe mogelijkheden voordoen doordat gedurende het laatste decennium het verschijnsel hbo-theologie zich heeft geprofileerd (denk aan de opleidingen aan de CHE in Ede, in samenwerking met de THGB, en de GH in Zwolle). WO- theologie en hbo-theologie zijn geen concurrenten van elkaar en evenmin duplicaten. Er moet verder worden doorgedacht over de specifieke identiteit van beide vormen van theologisch onderwijs en onderzoek. Met name in de gerichtheid op het werkveld, dat wil zeggen de gemeente en heel de nationale en mondiale samenleving in het perspectief van het koninkrijk Gods, is het nuttig en nodig coalities te sluiten om elkaar te versterken in gemeenschappelijke diakonia. Binnen de hbo-theologie zal in de komende tijd meer en meer de nadruk liggen op een ‘research based curriculum’, om zo ‘reflective practitioners’ op te leiden, in nauwe samenwerking met het werkveld. Juist op het terrein van onderzoek zijn dwarsverbanden met de wetenschappelijke theologie onmisbaar en wederkerig verrijkend. Overigens mag deze nadruk op het praktische effect van de theologie de ruimte voor specialistisch onderzoek niet in gevaar brengen. Evenmin mag de verbondenheid met de kerk de vrijheid van de wetenschap aantasten op straffe van de veroordeling van de theologie tot onvruchtbaarheid, angstvalligheid en irrelevantie.
In verbindende theologie gaan het deelnemersperspectief (of binnenperspectief ) en het buitenperspectief vruchtbaar samen. Daarbij is ruimhartige aandacht op haar plaats voor de inbreng van godsdienstwetenschappers, filosofen, psychologen, sociologen en cultureel antropologen ten dienste van de theologische bezinning. Alleen zo wordt verbindende theologie ervoor bewaard gettotheologie te worden en daarmee haar karakter te verliezen. Zij kan wel in een isolement gedrongen worden, maar zij zoekt het isolement ten principale niet. Het deelnemersperspectief moet verder oecumenisch worden verwijd, in concentrische cirkels, gereformeerd, protestants, evangelicaal, voluit katholiek in de klassieke theologische traditie van het fides quaerens intellectum. De tijd dat het centrum van de christelijke godsdienst in Europa lag, is voorgoed voorbij. De consequenties van dit gegeven zijn nog lang niet doordacht. Alleen waar het eurocentrisme wordt overstegen, komt er een nieuwe creatieve fase in de christelijke theologie op gang. Internationalisering is geen luxe, maar onmisbaar voor de handhaving van wetenschappelijke kwaliteit. Tegelijkertijd ontmoeten we medegelovigen uit geheel andere culturen én mensen die andere religies aanhangen in onze eigen straat. We hebben letterlijk en figuurlijk een boodschap aan hen. Vandaag de dag moeten mondiale en multiculturele oriëntatie dan ook meer dan ooit aandacht krijgen.
Het buitenperspectief impliceert een intense luisterhouding ten opzichte van onze culturele context. We hebben daartoe als theologen de hulp vanuit andere disciplines nodig. De inbedding in een brede academische context kan de kruisbestuiving van theologie en andere wetenschappen sterk bevorderen. Waar deze inbedding ontbreekt, moet met te meer inzet gezocht worden naar alternatieve wegen om interdisciplinaire ontmoeting en samenwerking te bevorderen. Theologen moeten ‘te rade gaan bij academische denkers, kerkelijke denkers en de gewone mensen met hun prangende, fragmentarische vragen over gebrokenheid, pijn en lijden’ (E.R. Jonker), om zo te bemiddelen in theorie en praktijk tussen de ruige wereldlijke werkelijkheid en het mysterie van God. Op deze wijze wordt theologie verbonden met de eindeloos verschillende levensverhalen, de angsten, noden en dromen van de man in de straat in Kampen, in Amsterdam, in Soweto, Zuid-Afrika, in de favella’s van Peru enzovoorts. En zo is theologie verbonden met de worsteling van gemeenten van Jezus Christus in al die wisselende contexten in zes continenten. Om het nog eens met Herman Bavinck te zeggen: ‘Door de theologie blijft het religieuze leven zijn samenhang bewaren met de cultuur van zijn volk, blijft het positie nemen op de hoogte van zijn tijd, houdt het verband met land en volk, met wetenschap en kunst, met staat en maatschappij, met alle nationale en internationale bewegingen vast. Door de theologie als wetenschap worden voor de kerk des Heeren dienaren des Woords gekweekt, die als echte theologen kinderen zijn van hun geslacht en hun eeuw.’

Promoties en personalia
Zoals gebruikelijk sluiten de Reflexen af met de vermelding van een of meer promoties en deze keer voeg ik er nog iets anders aan toe. Hartelijke felicitaties komen toe aan drie jonge doctores. Willem Jan de Wit promoveerde op vrijdag 23 december aan de VU op het proefschrift On the Way to the Living God. A Cathartic Reading of Herman Bavinck and An Invitation to Overcome the Plausibility Crisis of Christianity. Rik Peels (inderdaad: zoon van) verwierf de doctorsgraad op 2 maart aan de faculteit geesteswetenschappen te Utrecht met zijn studie Believing responsibly. Intellectual obligations and doxastic excuses. Bart Wallet promoveerde eveneens op 2 maart en wel aan de UvA op zijn studie Links in a Chain, Early Modern Yiddish Historiography from the Northern Netherlands, 1743-1812. Het betreft een drietal hoogstaande publicaties op heel verschillende terreinen. We wensen deze wetenschappers een vruchtbare dienst toe voor kerk en koninkrijk Gods.
Onze oud- redactievoorzitter prof.dr. Wim Verboom presenteerde in de kerk van zijn eerste gemeente Benschop zijn nieuwe boek Vrees en vreugde. Ervaringen van een beginnend predikant. Benschop 1968-1973, waarin hij aan de hand van persoonlijke ervaringen beschrijft hoe in de context van de jaren zestig/zeventig van de vorige eeuw een jonge dominee in de volkskerk stond en in de leefwereld van een dorp zijn ambtelijk werk verrichtte. Over verbindende theologie gesproken!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2012

Theologia Reformata | 130 Pagina's

Reflexen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2012

Theologia Reformata | 130 Pagina's

PDF Bekijken