Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De betekenis van de klassiek-gereformeerde theologie voor het huidige predikantschap1

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De betekenis van de klassiek-gereformeerde theologie voor het huidige predikantschap1

11 minuten leestijd

Abstract

This essay discusses the relevance of reformed scholastic theology for contemporary ministry. It argues that scholastic theology is not a philosophical or rationalist system, but a fruitful analytical method to reflect on the Christian faith. This method becomes sterile when it is not embedded in a hermeneutical reflection on the relation between Scripture and the cultural context of believers. Reformed scholastic theology is both a paradigm shift and a phase in the catholic tradition of the Fathers of the early church and the medieval doctors; it can be preserved or transformed in new contexts. In addition, this method of systematic reflection can help ministers to evaluate and improve their teaching and preaching. Finally, this methodology's three main concerns are: the Word of God in the Bible, God's covenantal relationship with people, and God as the infinite Creator of all finite beings.


De klassiek-gereformeerde theologie van de 16e en de 17e eeuw bestaat uit belijdenisgeschriften en academische werken. Dat zijn verschillende genres. O. Noordmans onderscheidde ze als pastorale dogmatiek en scholastieke dogmatiek. Pastorale dogmatiek omschrijft hij als de bezinning op het dogma door de gemeente, het geheel der gelovigen.2 Volgens Noordmans gingen in de scholastiek ‘wereldleer en kerkleer een innig verbond aan. Zij stonden tot elkaar in een verhouding van onder- en bovenbouw en – meer modern – ook van methode en stof.’3 Noordmans ziet een scherpe tegenstelling tussen deze genres en kiest resoluut voor de pastorale theologie. Hij is bang dat in een scholastieke dogmatiek de bijzondere inhoud van het christelijk geloof ondergesneeuwd raakt door algemene filosofie en wetenschap. De kerk, zegt Noordmans, ‘heeft in haar dogmatiek (ook) wetenschappelijke ascese te oefenen.’4 Van de pastorale dogmatiek heeft Noordmans hoge verwachtingen. Hij schrijft: ‘… omdat de gemeente het subject is van de belijdenis, kunnen de fouten der grote dogmatiek van de doctoren hier minder makkelijk insluipen.’5 Niet de academische theologen, maar de mondige gemeenteleden zijn het ware subject van de theologie. Hier beperk ik mij tot de gereformeerde scholastiek en de vraag wat deze betekent voor het predikantschap. Wat is eigenlijk scholastiek? Een begin van een antwoord is te vinden in de twee volgende citaten:

De uitspraken en sentensiën (sic) van concilies en kerkvaders worden uit de bedding van hun tijd en situatie gehaald en als ordelijk, logisch vlechtwerk in een theologische architectuur opgenomen. (…) Maar dit kan slechts geschieden als een spiegeling (…) van het concrete en door de tijd bepaalde geloofsleven der kerk in het reflecterend brein van mensen. (…) Het bijzondere van de bijbelse openbaring wordt maximaal algemeen geldig voor het bewustzijn. Scholastieke reflexie is een prismatisch breken van het éne licht in redelijke weerkaatsing en spiegeling. Het is echter de grootste ramp als deze spiegeling wordt aangezien voor de lichtbron zelf.6

Pas als wij oog hebben voor de interne verwantschap tussen kerkelijk scholastiek denken en het rationalisme, mogen wij voorzichtig zeggen dat de scholastische dogmatiek te eren is vanwege het door haar geschapen instrumentarium ten dienste van de mededeelbaarheid. Het gereflecteerde is – juist door de logische invoeging – mededeelbaar geworden. Er ligt in het wezen van de scholastiek voor en na de Reformatie derhalve ook een diepe en edele humaniteit. Daarom moet de moderne dogmaticus ook deze schola als een leerhuis erkennen, voorzover het daarin gaat om overdracht van begrépen kennis en mededeelbaarheid. 7

Dit zijn citaten van de dogmaticus onder wiens leiding ik in Utrecht kennismaakte met de gereformeerde scholastiek, de Noordmansleerling J.M. Hasselaar. Van Ruler had hem opgedragen om in speciale colleges een toelichting te geven op het leerboek van Heppe over de gereformeerde scholastieke theologie omdat studenten Heppe niet op eigen kracht konden verwerken. Heppe van de literatuurlijst afvoeren kwam bij niemand op. Veel studenten vroegen zich wel af wat het nut was van deze theologie in een tijd dat God door theologen dood werd verklaard. Ook in de Gereformeerde Bond waren er twijfels over de scholastieke theologie. Was deze wel bijbels? Was zij wel een legitieme voortzetting van Calvijn? Vragen die Woelderink en Graafland diep hebben bewogen.

Hasselaar begreep die kritiek maar al te goed, maar nam Heppe toch zeer serieus, zij het op zijn eigen wijze: polsend, peilend, mediterend. Vanuit zijn eigen perspectief en zijn eigen vragen. Niet analytisch, maar hermeneutisch. Mijn generatie werd ingeleid in de gereformeerde scholastiek door een uitgesproken niet-scholastiek denker. Maar juist zo maakte Hasselaar de scholastieke traditie vruchtbaar. Zijn colleges waren begonnen als louter toelichting en uitleg, maar namen steeds meer de vorm aan van een dialoog met de orthodox-gereformeerde theologie. Daardoor werd die traditie geactualiseerd en kreeg zij een stem in actuele theologische discussies rond Berkhof en Kuitert. In de inleiding van zijn studie over Barth en de gereformeerde orthodoxie heeft Rinse Reeling Brouwer gewezen op de betekenis van Hasselaars Heppecolleges en zijn Heppe-commentaar.8

Het onderzoek naar de gereformeerde scholastiek kwam pas na Hasselaar goed op gang. Willem van Asselt, Richard Muller en Antoon Vos hebben hun beste krachten eraan gegeven en wat bleek? Gereformeerde scholastiek is geen terugval achter Calvijn in de Middeleeuwen, maar de wetenschappelijke verwerking van reformatorische inzichten. Scholastiek is geen inhoudelijke filosofie, maar slechts een analytische methode met bepaalde conceptuele ‘tools’. Scholastiek is geen sluitend systeem, maar een verzameling losse loci, gezichtspunten, die in willekeurige volgorde geplaatst kunnen worden. Scholastiek is geen rationalisme, want uiteindelijk is niet de menselijke rede, maar de Schrift doorslaggevend.

Dus: Noordmans en Hasselaar zaten er helemaal naast. Of toch niet helemaal? Hasselaar meende dat de analytische denkmethode van de scholastiek de bijbelse waarheid behandelt als een tijdloze, algemene, objectieve, rationele waarheid en geen recht doet aan het tijdbetrokken, bijzondere, persoonlijke en historische karakter van de bijbelse openbaring. Heeft hij ongelijk? Leidt scholastiek zonder hermeneutiek niet tot een misverstaan van de openbaring? Ik ben wel benieuwd hoe prof. Gijsbert van den Brink daar op dit moment over denkt. Zijn dissertatie zag ik indertijd als een schoolvoorbeeld van de analytische werkwijze en ik was daar toen nogal kritisch over. Sindsdien heb ik bijgeleerd en ben ik de analytische aanpak beter gaan begrijpen en zelfs gaan gebruiken als mij dat van pas komt. Maar hoe zit dat bij Gijsbert? Soms krijg ik de indruk dat bij hem een omgekeerde beweging heeft plaatsgevonden. Nu de hoofdvraag: wat betekent de gereformeerde scholastieke theologie voor het huidige predikantschap? Ik vat deze vraag persoonlijk op: wat betekent zij voor mij als predikant? De klassiek-gereformeerde theologie is een traditie, een methode en een inhoud. Over elk van deze drie een enkel woord.

1. De traditie. De reformatoren ontdekten Gods vrije genade in Jezus Christus. Deze ontdekking leidde tot een theologische paradigmawisseling, een nieuw perspectief op alle onderdelen van de geloofsinhoud. Een nieuw theologisch paradigma is geen creatio ex nihilo. In de systematisch-theologische uitwerking van de reformatorische ontdekking bleven kerninzichten uit de patristische en middeleeuwse theologie meespreken. De reformatorische kerk staat niet alleen in continuïteit met de kerk van de patres, zoals Calvijn betoogde, maar ook in continuïteit met de doctores van de Middeleeuwen. Door haar te hervormen hebben de reformatoren de katholieke traditie voortgezet. Dit betekent: gereformeerde theologie is katholieke theologie.

De klassiek-gereformeerde theologie heeft niet alleen een voorgeschiedenis, maar ook een nageschiedenis. Of misschien beter: twee nageschiedenissen, een die haar voortzette door haar te bewaren als een geschikte denkvorm voor het geloof, en een die haar voortzette door haar te hervormen voor nieuwe generaties in veranderende contexten. In de eerste nageschiedenis zie ik de Gereformeerde Dogmatiek van Bavinck en de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek van Van Genderen en Velema. In de tweede nageschiedenis zie ik de ethische theologie van Chantepie de la Saussaye en Gunning en de theologie van Karl Barth. Zonder de Leidse Synopsis, zonder Polanus en zonder Heppe was er geen Kirchliche Dogmatik geweest. In deze tweede Wirkungsgeschichte is de klassiek-gereformeerde theologie van de 16e en 17e eeuw een belangrijke tussenstop, maar geen eindstation. De hervormende voortzetting van de gereformeerde traditie probeert bevriezing van het geloof in dogmatische begrippen tegen te gaan. Men zoekt naar ontdooiing: vloeibaar maken van de overlevering zodat deze gaat stromen en ons in aanraking brengt met de levende bron, Jezus Christus, en met zijn Geest die ons voortdrijft naar het Koninkrijk van God. Voorbeelden hiervan zijn Berkhofs Christelijk geloof en De stem van de Roepende van Dingemans. En de Christelijke dogmatiek van Gijsbert van den Brink en Kees van der Kooi? Waar moet ik die plaatsen? In de bewarende of in de hervormende nageschiedenis? Wie zal het zeggen? Gijsbert zelf misschien?

2. De klassiek-gereformeerde theologie is ook een methode. Door de studie van een scholastiek werk kan een student vaardigheden inoefenen die voor het werk van een predikant van grote waarde zijn. Ik noem enkele van die vaardigheden. De predikant kent een totaaloverzicht van de geloofsinhoud en kan dit hanteren. Dit helpt hem om eigen voorkeuren te herkennen en bij te stellen en lacunes te ontdekken en aan te vullen. Een predicator ontdekt bijvoorbeeld dat hij altijd met scheppingsleer en pneumatologie bezig is en nooit met soteriologie en eschatologie. De predikant begrijpt de systematische en logische samenhang van de deelinhouden van het geloof. Hij weet bijvoorbeeld dat je in de scheppingsleer niet heel iets anders over God kunt zeggen dan in de christologie. De Vader van Jezus en de Schepper van deze wereld zijn niet twee goden, maar één God. De predikant begrijpt wat hij gelooft door zijn geloofskennis in samenhang te plaatsen met zijn overige kennis en inzichten. Hierdoor blijft zijn geloof geen geïsoleerd Fremdkorper in zijn praktische en intellectuele leven. Dit begrip is weliswaar niet het hart van het geloof, dat is het vertrouwen op God, maar begrip is wel een manier om je het geloof eigen te maken. De predikant kan aan anderen in begrijpelijke en heldere termen uitleggen wat hij gelooft. De predikant kan een adequaat antwoord geven op de vraag waarom zij iets wel of niet gelooft. Zij kan haar geloof aan ieder die daarom vraagt verantwoorden vanuit de Schrift, de traditie, de geloofservaring en de geloofsdoordenking. Mijn ervaring is dat je deze vaardigheden heel goed kunt oefenen aan de hand van een tekst uit de Leidse Synopsis, Turrettini of Heppe.

3. Ten slotte de inhoud. Wat de gereformeerde theologie inhoudelijk voor mij als predikant betekent, vat ik in drie punten samen.

a. Gereformeerde theologie is theologie van de Bijbel. De Bijbel levert de belangrijkste stof voor de dogmatiek, omdat wij in de Bijbel het Woord van God horen. Het Woord van God is Gods levende aanspraak tot ons in zijn Zoon Jezus Christus. Jezus Christus spreekt tot ons hart door zijn Geest. In antwoord op Gods aanspraak worden wij participanten in de geschiedenis van God en de mensen, die begint met de schepping en eindigt in het Koninkrijk van God.

b. Gereformeerde theologie is theologie van het verbond. God kiest voor verbinding en verbondenheid met en tussen mensen. Dat is de genade waar wij uit leven. Dit verbond overdenken wij. In dit kader verstaan wij Jezus Christus. Hij heeft een taak, een functie, een ambt in de verbondsgeschiedenis. De Geest heeft Hem tot dit ambt gezalfd. Wij verstaan zijn persoon vanuit zijn ambt en vanuit de Geest, en zijn goddelijkheid vanuit zijn unieke relaties met God en met de mensen. Gereformeerde theologie is verbondstheologie en verbondstheologie is relationele theologie.

c. Gereformeerde theologie is theologie van de Schepper. Het ongeschapen leven van de Schepper is van een andere orde dan het geschapen leven van mens en wereld. Er is geen overgang van de ongeschapen goddelijke werkelijkheid naar de geschapen, niet-goddelijke werkelijkheid. Schepping is creatio ex nihilo. De geschapen werkelijkheid is contingent. Dit is een radicale breuk met het neoplatoonse emanatiedenken en met elke andere vorm van noodzakelijkheidsdenken en participatiedenken. Schepselen kunnen niet deelnemen aan de ongeschapen werkelijkheid van God. Mensen hoeven niet goddelijk te worden om in gemeenschap met God hun eeuwige zaligheid te vinden. Mensen zijn eindig, God is oneindig. Finitum non capax infiniti. Gereformeerde theologie kent haar eigen, intrinsieke beperktheid doordat zij God erkent als Schepper.

J. Muis is hoogleraar en leerstoelhouder dogmatiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (locatie Amsterdam).


1 Lezing bij het afscheid van prof.dr. Gijsbert van den Brink van de PThU Amsterdam, 2 juli 2015.

2 O. Noordmans, Herschepping. Beknopte dogmatische handleiding voor godsdienstige toespraken en besprekingen, in: J.M. Hasselaar, H. Bartels (red.), Verzamelde Werken II. Dogmatische peilingen. Rondom Schrift en Belijdenis, Kampen 1979 (19341), 236-237.

3 Ibidem, 233.

4 Ibidem, 234.

5 Ibidem, 237.

6 J.M. Hasselaar, Inleiding tot het denken van E. Rosenstock-Huessy, Baarn 1973, 231.

7 Ibidem, 232.

8 Rinse H. Reeling Brouwer, Karl Barth and Post-Reformation Orthodoxy, Barth Studies Series, Farnham 2015, 32.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 2016

Theologia Reformata | 98 Pagina's

De betekenis van de klassiek-gereformeerde theologie voor het huidige predikantschap1

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 2016

Theologia Reformata | 98 Pagina's

PDF Bekijken