Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze Belijdenis.

8 minuten leestijd

Art. 12c. en zijn daarom door hunne eigene boosheid veroordeeld tot de eeuwige verdoemenis, dagelijks verwachtende hunne schrikkelijke pijnigingen. Zoo verwerpen en verfoeien wij dan hierover de dwaling der Sadduceën, welke loochenen dat er geesten en engelen zijn, en ook de dwaling der Manicheën, die zeggen, dat de duivelen hunnen oorsprong uit zichzelven hebben, zijnde uit hunne eigene natuur kwaad, zonder dat zij verdorven zijn geworden.

Op de zonde der engelen is hunne rechtvaardige straf niet achterwege gebleven. De Heere immers is een God die den schuldige geenszins onschuldig houdt. Evenals straks de zonde voor den naar Gods beeld geschapen mensch onmiddellijk door den vloek getroffen en door den dood gevolgd zou worden, zoo was het ook toen de engelen, die hun beginsel niet bewaard maar hunne eigene woonstede verlaten hebben. Zij worden, zegt de apostel Judas in het 6e vers van zijn zendbrief, tot het oordeel des grooten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.

De ellende nu waarin Satan zich met zijne trawanten gestort heeft, wordt ons in de H. Schrift als onherstelbaar voorgesteld. Voor het gevallen menschenkind zou de mogelijkheid ontsloten worden van verlossing, zou er dus nog hope zijn op herstel, maar voor de gevallen engelen was er geen middel tot verlossing uitgedacht, — Hebr. 2:16: Hij neemt de engelen niet aan" — en is er dus ook geen weg om behouden te worden. De ketenen waarmee Satan en zijn-gansche rijk gebonden is, zijn eeuwige ketenen, die voor verbreking, door wien ook, niet vatbaar zijn.

Wel kan, zoolang het oordeel van den grooten dag aan het rijk der duisternis niet voltrokken zal zijn. Satan aan den keten, waarmee de Heere hem bond, nog rinkelen en ontzettend is de macht die hij zelfs in zijn boeien nog oefenen kan, ja de Schrift leert ons, dat in den laatsten tijd voor de wederkomst des Heeren, wanneer „de duizend jaren geëindigd zullen zijn", de duivel nog „een kleinen tijd ontbonden zal worden", Openb. 20 : 3, en wanneer de macht van den gebonden Satan reeds zoo gruwelijk is, wat zal het dan wezen wanneer hij eenmaal ontbonden in de gedaante van den Anti-Christ in zijn volle gestalte tegenover de gemeente des Heeren zal staan, maar als Satan dan ook het toppunt van zijn macht zal hebben bereikt, als hij zal „uitgegaan zijn om de volken te verleiden die in de vier hoeken der aarde zijn, Gog en Magog om hen te verzamelen tot den krijg", Openb. 20 : 8, dan is zijn einde nabij, dan zal zijn nederlaag weldra volkomen zijn; immers dan zal er vuur van God uit den hemel nederkomen en zal ze verslinden en dan zal de duivel geworpen worden in den poel van vuur en sulfer, alwaar het beest en de valsche profeet wezen zal en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid, Openb. 20:9—10.

Eenmaal zal de vorst der duisternis dan van al zijne macht beroofd zijn. Wat hij nu in beginsel reeds is, zal dan ook te dien opzichte , volkomen wezen. En de ellende en verwoesting, waarin Satan dan met al zijne trawanten en met zijn gansche rijk zichzelf gestort zal blijken te hebben, daaraan zal in eeuwigheid geen herstel meer mogelijk zijn. De plaats waar Gods oordeel aan hem en aan al wat hem toebehoort, voltrokken zal worden, zal immers wezen de put des afgronds, de poel des vuurs, de groote wijnpersbak van den toorn Gods, de plaats der buitenste duisternis, waar weening en knersing der tanden zal zijn.

Satan en zijn dienaren onherstelbaar verloren, zonder hope op verlossing onderworpen aan het eeuwig verderf! En als gij dan vraagt: waarom ? wat toch wel de oorzaak mag wezen dat ook voor de gevallen engelen niet even goed als voor het gevallen Adamskind een weg ter verlossing ontsloten werd ? dan zouden daarvoor velerlei redenen kunnen bijgebracht worden, zoo uit de natuur der engelen als uit de hoedanigheid van hun val. Als voornaamste oorzaak kan zeker wel deze genoemd, dat de engelen niet evenals de menschen een organisch geheel vormen, zoodat voor lederen gevallen engel een aparte verlosser ware noodig geweest. Maar ten slotte moeten we toch ook met dit antwoord eindigen in het vrije welbehagen Gods. Waarom 'voor den gevallen mensch wel een middel tot verlossing beschikt en voor de gevallen engelen niet? Omdat de Heere het in Zijn vrijmacht aldus heeft gewild. Ook in deze geldt het woord des apostels: Zoo ontfermt Hij Zich dien Hij wil en verhardt dien Hij wil.

Deze leer nu van het bestaan van engelen en duivelen, moet volgens onze Belijdenis gehandhaafd worden tegen tweeërlei dwaling. In de eerste plaals tegen de dwaling der Sadduceën en in de tweede plaats tegen de dwaling der Manicheën.

Wat de Sadduceën betreft, het is van algemeene bekendheid dat zij een secte vormden onder het Joodsche volk, die voornamelijk in de dagen van Jezus' omwandeling op deze aarde en in den eersten tijd der Christelijke Kerk van zich spreken deed. Hun naam ontleenden zij aan een zekeren Sadok, den stichter dezer secte, die omstreeks het jaar 280 vóór Christus heeft geleefd. Hun voornaamste dwaling bestond volgens Hand. 23 : 8 hierin, dat zij leerden dat er geen opstanding was, noch engel, noch Geest. Wanneer er in de H. Schrift van engelen gesproken wordt, meenden zij dat dit slechts figuurlijke of zinnebeeldige uitdrukkingen waren voor lichamelijke en dikwijls onzichtbare oorzaken, die aan het bestaan der dingen ten grondslag lagen. Bovendien loochenden zij de onsterfelijkheid der ziel en de opstanding der dooden, want de zielen der menschen beschouwden zij slechts als lichamelijke krachten, die met den dood der' lichamen ophielden te bestaan. De Sadduceën waren dus niet ongelijk aan de materialisten onzer dagen, die alles afleiden uit stoffelijke oorzaken en vertoonden niet weinig overeenkomst met de Rationalisten van onzen tijd, die meenen dat alles door 's menschen rede kan verklaard en opgelost worden.

Tegenover deze Sadduceën nu hebben wij in de eerste plaats het bestaan van engelen en duivelen te handhaven.

Maar hebben we eenerzijds tegen alle Sadduceesche dwaalleer te waken, anderzijds hebben we op onze hoede te zijn tegen alle Manicheesche insluipsels, die telkens weer opduiken onder de Christenheid. De Manicheën - toch leerden juist, in tegenstelling met de Sadduceën, dat het kwaad een eigen wezenheid bezit, en dat de macht der zonde uitgaat van een boos wezen dat, als Gode evengelijk, tegen God over staat. Volgens de Manicheesche opvatting is de duivel dus geen van God afgevallen engel, maar een wezen, dat evenzeer als God, van eeuwigheid heeft bestaan. Tegenover den goeden God met zijne aëonen staat volgens de leer van Mani een booze god met zijne daemon en. Beide machten voeren onafhankelijk van elkander, met elkaar een onverzoenlijken strijd.

Ook deze Manicheesche dwaling is door de Christelijke Kerk steeds verworpen en het is met name de Gereformeerde leer die zich steeds beijverd heeft om ook in dezen het rechte licht te ontsteken. Volgens haar toch is de zonde niet een positieve, maar wel een negatieve macht. De zonde is niet anders dan een gemis van iets goeds, of liever een omslaan van iets, dat God goed heeft geschapen, in zijn tegendeel. Om dit met een voorbeeld duidelijk te maken: de warmte is op zichzelf een koesterend goed, maar wordt, doordat gij er te veel van krijgt en doordat zij in haar tegendeel omslaat, een verschroeiend kwaad. Welnu, zoo is ook de zonde niet anders dan een kracht, die oorspronkelijk goed is geschapen, maar die door omzetting in haar tegendeel van goed kwaad is geworden. Zoo is het met de zonde van den mensch en zoo was het ook met de zonde waartoe Satan verviel. Satan had zijn zonde nooit kunnen begaan, indien God hem geen kracht had verleend, goede kracht, maar die door Satan in het tegendeel werd omgezet.

Maar nu gevoelt gij wel, hoe deze opvatting geheel in strijd is met de leer der Manicheën, dat de duivelen hun oorsprong uit zichzelven zouden hebben en uit hun eigen natuur kwaad zouden zijn. Neen, Satan is ten slotte met al zijne trawanten niet anders dan een instrument in Gods hand tot voldoening van Gods eeuwigen raad. Vandaar dat het ook niet twijfelachtig is, wie in den geweldigen strijd, die daar tusschen God en Satan, tusschen Christus en Belial, tusschen het vrouwenzaad en het slangenzaad gestreden wordt, overwinnaar zal zijn. Zeker, soms schijnt het alsof Satan de palm der overwinning zal wegdragen, want hoe kleiner de tijd wordt waarover Satan nog te beschikken heeft, hoe grooter de macht die door hem in het midden der wereld wordt uitgeoefend, maar straks zal het blijken dat al zijn macht slechts schijn en geen werkelijkheid was, en zoo zal het woord vervuld worden dat de apostel Paulus in Rom. 16:20 gesproken heeft: de God des vredes zal den Satan haast onder uwe voeten verpletteren."

(Wordt vervolgd).


1) Blz. 45.

2) Blz. 46.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 27 December 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van Friday 27 December 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken