Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

En Pilatus schreef ook een opschrift en zette dat op het kruis en daar was geschreven: Jezus de Nazarener, de Koning der Joden. Joh. 19:19.

De Koning der Joden.

Wanneer het oude volk van Israel een koning kreeg, dan werd hij met vele plechtig­heden tot zijn ambt ingehuldigd, en een dier plechtigheden was deze dat men luidkeels voor zijn aangezicht riep: de koning leve. Zulk een koning werd dus voor aller oor tot koning uitgeroepen, gelijk we dat b.v. lezen bij de inhuldiging van Salomo, toen deze de opvolger van zijn vader David werd.

Zulk een algemeenen uitroep dat Hij waarlijk de Koning was heeft men ook doen uitgaan van den Heere Jezus Christus, den meerderen Salomo.

Ja, Christus was Koning en Hij was dat ook toen Hij daar hing op Golgotha. Zijn troon was het kruis; Zijn kroon waren de doornen; Zijn scepter waren de nagels waarmee Zijne handen waren doorboord, en ook voor de bekendmaking dat Hij een Koning was, had Pilatus, neen, had de Heere zelf gezorgd en wel door het opschrift dat boven het kruis werd aangebracht.

Jezus de Nazarener, de Koning der Joden. Zoo luidde het opschrift dat in de Hebreeuwsche en in de Grieksche en in de Latijnsche taal door Pilatus boven het kruis was gezet.

Waarom Pilatua dat eigenlijk deed? Wel, de gewoonte van dien tijd bracht mede dat r­men op een wit bordje met zwarte letters de hoofdzaak der beschuldiging plaatste en dit aan­ den top van den kruispaal vastmaakte, opdat ieder toeschouwer zou weten om wat een reden zulk een persoon de kruisstraf onder­ging.

Nu kunnen wij ons voorstellen dat Pilatus over het opschrift dat hij boven Jezus zou plaatsen, een oogenblik verlegen heeft gestaan. Zou hij er boven zetten: moordenaar, oproermaker, godslasteraar? Maar hij was zelf te zeer overtuigd dat Jezus zich aan die zonden, in die namen opgesloten, niet had schuldig gemaakt. Er bleef dus niets anders over dan eenvoudig de waarheid te schrijven en datgene te plaatsen waarvan de Joden Hem hadden aangeklaagd.

Jezus de Nazarener, de koning der Joden! dat was, meende Pilatus, een reden te meer om de gehate Joden te grieven, want dan konden zij daaruit eens zien hoe machteloos zij stonden tegenover de Romeinsche oppermacht dat dat nu het einde hunner koningen was. De Joden hebben blijkbaar den smaad, dien Pilatus hun hiermede aandeed, ook wel gevoeld. Vandaar dat zij straks naar den Landvoogd zijn gegaan met het verzoek het opschrift dermate te wijzigen dat er niet zou staan: „de koning der Joden", maar „dat hij gezegd had: ik ben de koning der Joden."

Maar we gevoelen waarom Pilatus toen standvastig gebleven is, zeggende: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.

Immers ook aan het kruis moest de Waarheid zegevieren. Daartoe was Christus in de wereld gekomen om der Waarheid getuigenis te geven. En die Waarheid heeft juist in dat opschrift boven het kruis zoo heerlijk geschitterd.

Ja, Hij die daar hing was Jezus. Hij was dezelfde van wien de engel van Zijn geboorte reeds getuigd had: gij zult Zijn Naam heeten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden. Jezus, Zaligmaker ! Waar kon Hij als zoodanig beter voorgesteld worden dan hier aan het kruis? Hier immers was het dat hij den losprijs betaalde die er noodig was om Zijn volk te redden uit de kaken der hel. Hier was het dat Hij Zijn bloed liet vloeien, waarin alleen al de aangeborene en werkelijke zouden van Zijn volk konden worden gedelgd. Hier was het dat Hij de straf droeg, waardoor ons de vrede zou aangebracht worden.

De naam Jezus en het kruis van Golgotha passen dus bij. elkaar. Zonder kruis toch zou er nooit een Jezus, zou er nooit een Zaligmaker zijn geweest en daarom gevoelt gij waarom Pilatus juist dien naam Jezus boven het kruis heeft gezet.

Maar niet alleen als Jezus, Hij hing daar ook als Jezus de Nazarener. Nazarener immers was de naam waarin uitkwam dat Hij was een voorwerp van verachting en smaad.' Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Welnu, is deze verachte naam van Nazarener ergens gepast voor den Heere Jezus geweest, dan was het zeker wel hier aan Golgotha's kruis. Immers hier was hij meer dan ooit de onwaardigste onder de menschen, een smaad en verachting van het volk. Hier kon het meer dan ergens van Hem getuigd worden, dat Hij was een worm, en geen man. Ja, hier waar Zijn vrienden waren gevlucht, waar Hij door Zijne vijanden werd bespot en waar Hij door Zijn Vader was verlaten, kon het meer dan ooit van Hem gezegd worden, dat een ieder was als verbergende het aangezicht voor Hem? Ook die naam „Nazarener" is dus aan het kruis een zeer gepaste naam voor den Heiland geweest.

En zoo was het zeker niet het minst met dien naam „Koning der Joden", welken Pilatus aan het verachtelijke „Nazarener" heeft toegevoegd.

Immers een Koning was de Heere! Als zoodanig was Hij in den ouden dag reeds beloofd. Als zoodanig had de dichter van Psalm 2 van Hem gezongen: „Ik toch heb Mijnen Koning gezalfd over Zion, den berg Mijner heiligheid." Als zoodanig had Jeremia van Hem geprofeteerd: „Ik zal David een rechtvaardigen Spruite verwekken, die zal, Koning zijnde, regeeren." Als zoodanig had Zacharia Hem aangekondigd: „ Zegt der dochter Zions: ziet, uw Koning komt, rechtvaardig en Hij is een Heiland."

Met koningsmacht zou Hij dus bekleed en met koningseere zou Hij toegerust zijn. Maar ook dat koningsambt zou Hij nooit in Zijn volle glorie kunnen doen schitteren, dan langs den weg van het kruis. — Immers we moeten niet voorbijzien, dat Hij was de Koning der Joden, d. w. z. de Koning van een volk, dat door de wereld wordt veracht en gesmaad. Wanneer de Heere Jezus hier dus een Koning wordt genoemd, dan moeten we niet meenen dat hier bedoeld wordt die macht en die eere, die Hij krachtens Zijn Wezen, als tweede Persoon in het Goddelijk Wezen, bezat, maar dan moeten we bedenken, dat hier bedoeld is dat koningsambt waartoe de Heere was verordineerd en bekwaam gemaakt. En nu weten we dat Gods gemeente, over welke de Heiland dat Koningsambt bekleedt, in menig opzicht met de Joden van die dagen te vergelijken is. De naam Jood toch was en is nog de verachtelijke naam van Israëliet. De Joden waren dus, als Israëlieten, van aanzienlijke afkomst, maar in het oog van de wereld waren zij een oproerige en verachte hoop. Welnu, datzelfde kan immers van het geestelijk Israel, van de Kerk des Heeren ook onder de nieuwe bedeeling gezegd! Ook zij is in het oog van de wereld veracht. De wereld ziet ook in onze dagen met minachting neer op een iegelijk die den Heere vreest. Maar niettemin zijn dezulken toch van aanzienlijke, ja van koninklijke afkomst. Immers zij zijn geboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad.

Koning der Joden wil dus zeggen: Koning van een machtig, een heilig, een heerlijk volk, maar een volk, met hetwelk het hier door lijden tot heerlijkheid gaat. En gelijk het nu gaat met het volk des Heeren, zoo is het in de eerste plaats met hunnen Koning gegaan. Om Koning van zulk een volk te wezen, moest Hij eerst in al hunne benauwdheden worden benauwd, moest Hij Zich eerst al hun smaad en al hunne verachting laten welgevallen. Vandaar dat aan Zijn Koningschap ook het kruis onafscheidelijk verbonden was en dat Pilatus ook dat „Koning der Joden" in het opschrift liet opnemen.

Koning der Joden! beteekende dus in den diepsten grond: Koning van het ware Israel, Koning van de gemeente Gods, die niet anders dan met Zijn eigen bloed kon gekocht worden.

Zonder kruis zou Hij dan ook een Koning , zonder onderdanen gebleven zijn. En nu gevoelt gij wel, hoe niet alleen de naam Jezus en niet slechts de naam Nazarener, maar ook de naam Koning der Joden zoo volkomen past bij het kruis. Maar ook dat Pilatus dit opschrift er In drie talen boven liet schrijven, heeft zijn beteekenis gehad. Immers het was geschreven in het Hebreeuwsch en in het Grieksch en in het Latijn.

De Hebreeuwsche taal nu was de taal van den godsdienst. In dié taal hadden Israels profeten gesproken en hadden Israels zangers gezongen van den lijdenden Knecht des Heeren, die een Verlosser van Zijn volk zou zijn. Dat het opschrift in het Hebreeuwsch stond, beteekende dus dat Jezus de Nazarener Koning zou zijn in het rijk van den godsdienst. Hij zou Koning wezen over Zijn Kerk. Ja, daar zou in de eerste plaats alles voor Hem zich moeten nederbuigen en daar zou boven alles Zijn wil wet moeten zijn.

Maar het opschrift stond ook in het Grieksch. De Grieksche taal nu was in die dagen de taal der wereldontwikkeling, de taal van kennis en beschaving, van wetenschap en kunst. Zou dus het Grieksche opschrift niet deze beteekenis hebben, dat ook al deze dingen aan de voeten des Heeren moeten worden nedergelegd? Zou in het Grieksche opschrift dit niet liggen opgesloten, dat Jezus Koning is op het terrein van wetenschap en kunst, dat Hij ook over de schatten van ontwikkeling en beschaving regeert en dat ook het rijke cultuurleven onzer dagen voor Hem moet opgeëischt worden?

Maar het opschrift stond bovendien ook nog in het Latijn. Nu was de Latijnsche taal, vooral in die dagen, de taal van het recht. Het Latijn werd gesproken door de mannen van de politiek, die met het uitvaardigen van wetten en met het regeeren waren belast. En zou nu in het Latijnsche opschrift boven het kruis niet deze beteekenis liggen, dat de gekruiste Jezus ook te dien opzichte de Koning der koningen en de Heere der heeren is, dat dus ook alle machtsontwikkeling der menschen en alle rechtsverhouding in het midden dezer wereld Hem als zoodanig heeft te erkennen ?

Zoo roept dus het opschrift, dat in drie talen boven het kruis was aangebracht, den Heere Jezus uit als Koning over alle terreinen van ons menschelijk samenleven. Zoo worden wij door dat opschrift boven het kruis herinnerd, dat niets aan Zijn Koninklijke heerschappij onttrokken mag worden. Jezus de Nazarener, de Koning der Joden. Zietdaar het opschrift, dat boven het kruis van Christus geschreven stond. Maar nu komt het er op aan, hoe dat opschrift door ons gelezen wordt.

Leest gij het nog als de vijanden des Heeren het lazen, die in hun verkropte woede dat opschrift wel van het kruis hadden willen afrukken en die dan ook straks naar Pilatus zijn gegaan om het te wijzigen? O laat dan het voorbeeld van die Joden u leeren, dat al het woelen tegen dezen Koning niet baat, omdat er in het opschrift, dat God in Zijn eeuwigen Raad had uitgedacht, geen verandering kan aangebracht worden.

Of leest gij het als zulk een, die door genade van dezen Koning der eere een onderdaan werd, o vergeet dan niet dat het opschrift in drie talen boven het kruis heeft gestaan, en dat gij dan de roeping hebt om op ieder levensterrein de eer te zoeken van dien Koning, Wiens lof eenmaal door al de werken Zijner handen bezongen zal worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1913

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken