Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit den Schat des Bijbels.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit den Schat des Bijbels.

12 minuten leestijd

1. De Schepping.

In de Schrift gaat het niet om het werk dea menschen, maar, om het werk Gods; en daarom vangt de Schrift ook aan dé, ar waar de mensch nog niet is, om te doen gevoelen dat alles wat geworden is, uit God is. Hierin moet de christen al dadelijk belijdenis afleggen van 'tgeen hij gelooft, als de Apostolische belijdenis komt met haar eerste artikel: „ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde" Hierin gaat het om gelooven.

En die geloofsbelijdenis aangaande de Schepping moet voorop gaan, want juist in het stuk van de Schepping komt het uit of men het goede onderscheid maakt tusschen God en het schepsel; of men God als Ood en het schepsel als schepsel beschouwt en wil handhaven. Velen hebben over het probleem der Schepping gedacht. „Wat is onze oorsprong, waar komen we vandaan; hoe is de wereld, ja hoe is gansch het heelal geworden? " is door zoo menigeen gevraagd en zoo inenige verklaring is sinds gegeven.

De onderscheidene verhalen en beschouwingen, die we bij de oudste volkeren vinden, bewijzen dat het probleem der Schepping van den beginne de geesten heeft in beslag genomen. Maar we voelen het aanstonds: de heidenen--die o5k menschen zijn, ook van Gods geslacht, ook uit Adam gesproten, o5k uit Noach's familie voortgekomen! - 7-hebben het bij hun tasten en hun zoeken niet gevonden wat de juiste verklaring in deze is. Afgezakt in een weg der zonde en het schepsel eere gevend boven den Schepper, | komt ook in hun mythologieën een eeuwige stof en goden die daarna geworden zijn. '

En ook de oudere en nieuwere wijs-' geeren hebben hun verstand gepijnigd om den weg te mogen vinden naar het onbekende land, dat achter den aanvang der wereldgeschiedenis ligt; waarbij de natuuronderzoekers zeer zeker een verrassend licht deden opgaan over de bestanddeelen, waaruit de aarde thans bestaat, maar waarbij .het begin aller dingen steeds voor de wijzen en verstandigen verborgen bleef, als zij in hun fijn en kunstig gedachtenspinsel geen plaats wilden gunnen aan de beschrjijving van Mozes, waar hij zegt: „in den beginne schiep God hemel en aarde."

Achter de zienlijke dingen staat de Onzienlgke; achter de tijdelijke dingen de Eeuwige; achter de stoffelijke dingen God, die een Geest is. Niet uit het stof, niet uit den mensch zijn de dingen opgebouwd - maar uit God zijn ze geworden. Niemand is bij die geboorte des hemels en der aarde tegenoordig geweest dan God alléén, zooals Hij zelf Job voelen laat, wanneer Hij zegt: waar waart gij, toen Ik de aarde rondde ? geef het te kennen, indien Gij kloek van verstand zijt" (Job 38 : 4).

Heel het scheppingsproces is een geheim. Roept David uit, dat de Heere den mensch toebereidt in de verborgenheid, waar geen oog dat werk begluren kan, véél meer geldt ten opzichte van de: chepping, dat het een verborgenheid is, waarbij dan ook ons geloof beproefd wordt, naar het woord van den Apostel: door het geloof verstaan we, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit de dingen die gezien worden" (Hebr. 11:3).

God, de Eeuwige, staat achter al 't geschapene. .'

En niemand dan Hij zelf kan ons derhalve zeggen, hoe alles in het werk^egaan s; en Zijn getuigenis, ons door Mozes bewaard, hebben we dan geloovig te aanvaarden, belijdende: uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen!" (Rom. 11:36) Of zooals Nehemia uitroept: Gij zijt die Heere alleen; Gij hebt gemaakt den hemel^ den hemel der hemelen en al hun heir'; de aarde en al wat er op is" (9:6).

Wij kennen allen het scheppingsverhaal. Van der jeugd af aan hebben we die bekende woorden nagezegd: „Inden beginne schiep God den hemel en de aarde; de aarde nu was woest en ledig en duisternis was op den afgrond en de Geest Gods zweefde op de wateren." En neen! dan kunnen we geen verklaring geven van alles voor de rechtbank van het-menschelijk verstand. Doch dan staat het voor ons vast, dat de wereld niet eeuwig is, maar een begin heeft gehad; dat zij niet toevalligfisgevvorden, maar de verwerkelijking van Gods raad; dat zij niet ontsprong uit God, als een deel van Hem, gelijk een vonk springt uit het vuur; dat het heelal niet door zelfwerkende en zelfsturende oerkrachten zich heeft gevormd -^ maar door het scheppend roepen Gods is te voorschijn gekomen.

't Is God, die alles te voorschijn heeft geroepen door het enkele woord van Zijn almachtigen wil; en Hij heeft alles geordend naar Zijn wijs beleid. Wat Genesis 1:1 ons voorlegt: in den beginne schiep God hemel en aarde; de aarde nu was woest en ledig en duisternis was op den afgrond en de Geest Gods zweefde op de wateren", staat als eén feit op zichzelf. Dat is het begin dei Schepping. Dat is het scheppen van hemel en aarde in één oogenblik, in den toestand van chaos; terwijl dan op die eerste schepping een tweede^, schepping volgt, voortdurende zes achtereenvolgende dagen, waarvan ons de bizonder heden ook in Gods Woord zijn beschreven, beginnende bij Gen. 1:3.

Eerst formeert de Heere de stof. Eerst komt de ongevormde klomp der aarde. Eerst de chaos. En dan ordent de Heere alle dingen en roept met het woord Zijner almacht de dingeh die niet zijn te voorschijn, om zoo een wonderschoon geheel te formeeren. Voor woestheid komt op 'sHeeren woord orde in de plaats; het ledige wordt vervuld; tegenover de duisternis, welke over den afgrond \^as, komt het licht; aan de wateren wordt een plaats gewezen iu onderscheiding van het droge. De zon wordt geformeerd tot een licht des daags, de maan wordt gesteld tot verlichting des nachts. Boomen en planten versieren de aarde, vogels vervullen de lucht, visschen de zee - en in de schepping van den 'mensch vindt het werk des Scheppers de afsluiting en kroon, op den zesden dag.

Zoo is alles uit God.. Waarbij we met Openb. 4 : 11 belijden: Gij hebt alle dingen geschapen en dpor Uwen wil zijn zij en zijn ze geschapen." En we gelooven, dat de Schepping is als een ? .aad, dat de Heere, die alles wrocht om Zijns zelfs wil (Spr. 16:4), heeft uitgestrooid, om voor dè eeuwigheid 'vrucht voort te rengen tot 's Heeren lof en Sion tot, S zaligheid. .^; i^^S> ' i ' Hoe vér staan de natuurvolken nu af van deze eenvoudige, wonderschoone Bijbelsche beschouwing, waarmee héél de Christelijke Kerk instemt!

Wel toonen de overleveringen en de scheppingsverhalen bij Chineezen, Indiërs enz. sporen van het Mozaïsch verhaal - ze stammen ook met de andere volkeren uit één familie! - maar wat wordt het goddelijk bericht, dat ons geworden is, erbarmelijk verknoeid, om het schepsel, om de stof, eere te geven boven den, chepper. De goden der Babyloniërs komen b.v. uit den chaos - net omgekeerd als de Schrift ons verhaalt! Wat óns betreft, wij beamen hartelijk Gods getuigenis in deze. En dan hebben' we geen bezwaar om aan te nemen, dat de Schepping in 6 dagen is geschied, deze dagen dan nemend als gewone agen, waarvan getuigd wordt: „en 't was avond geweest en 't was morgen geweest", dé eerste dag en de tweede dag, tot den zesden dag toe, terwijl de eere den zevenden dag ophield van het werk der schepping en rustte van Zijnen arbeid, ,

Het bezwaar, dat een dag zoo kort is voor zooveel arbeids, voelen wij niet, waar we te doen hebben met een almachtig God en het werk der schepping, in 12 of 24 uren verricht, even groot en goddelijk en wonderlijk blijft dan of 't in 12 of 24 maanden of jaren was geschied. Ben wonder is 't en blijft het; waarom we ook niet veel voelen voor de redeneeringen van de moderne wetenschap, die beweert dat de aarde veel langer dan 6000 jaren moet hebben bestaan. Waarom, moet men alles kunnen verklaren? Dat gaat immers toch niet! We hebben hier te doen met een wonderwerk des Heeren, waarbij we 't veiligst gaan door ons te houden aan 't geen de Heere ons in Zijn Woord heeft geopenbaard, geloovig belijdend: Hij spreekt en het is er; Hij gebiedt en het staat er"^ (Ps. 33 : 9). In beginsel gaat het hier om de vraag of we in God gelooven ja of neen; of we ons aan Gods Woord wenschen te houden of niet.

Zoo schiep God dan op den Isten dag den hemel der hemelen en de engelen (Job 38 : 6, 7); de ongefatsoeneerde klomp der aarde, de chaos; en het eerste licht. Op den 2den dag breidt God het uitspansel uit, den wolkenhemel, de ruimte die scheiding maakt tusschen de watéren beneden en de wateren boven. Op den 3den dag wordt hier beneden het droge van de wateren gescheiden en ontstaat! land en zee, terwijl boomen en kruiden op het droge worden geschapen. Op «den 4den dag schiep God zon, maan en sterren, als lichten aan het uitspansel boven, om te schijnen des daags en - des. nachts, ieder naar zijne orde, terwijl God allen bij name kent. Op den 5den dag schiep God de vogelen des hemels en de visschen der zee; om eindelijk op den 6den dag de aarde te bevolken met viervoetige en kruipende dieren. En nadat alles volbracht was en alles schoon gemaakt, maakte God den mensch, man en vrouw-schiep Hij hen.

Terwijl alles dus vóór gaat, komt de mensch het laatst. En terwijl alles bevolen wordt te komen, wordt de mensch geschapen, nadat God Drieëenig met Zjchzelf raad heeft gehouden. Of lezen we niet: „En God zeide: laat ons menschen maken, naar ons beeld, naar onze gelijkenis. En God schiep den mensch naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de zesde dag."

De oorsprong vanden mensch wordt dus niet gelegd in de stoffelijke wereld; niet in de dierenwereld; maar verklaard uit eene afzonderlgke scheppingsdaad Gods. En is hij al genomen uit de aarde, daar de Heere uit-het stof een lichaam opbouwde, héél de schepping van den mensch is toch op geheel éénige wijze toegegaan, zoodat het duidelijk is, , dat de mensch van meet af een eigen wortel en stam krijgt, wat de Apostel uitdrukt met déze woorden: , wij zijn van Gods geslacht" — een woord, ook zelfs bij de oude heidenen bekend.

Door dit alles staat dan óok de Schriftuurlijke beschouwing aangaande den oorsprong 4es menschen principieel tegenover'die van de wijsbegeerte der evolutie Deze veronderstelt op grond van den bouw van het menschelijk lichaam niet slechts een nauwen samenhang tusschen mensch en dier, maar verwerpt elke afzonderlijke wording des menschen. De mensch is, volgens de evolutieleer, saapigeknoopt aan en ten nauwste vereenigd met ddt deel der natuur, waartoe de mensch anatomisch, volgens den bouw van zijn lichaam, behoort. Hij is wezenlijk van hetzelfde soort als het dier. En de Darwinist wijst de aap aan als de moeder van den mensch. Mensch en aap behooren tot de elkander nabestaande bloedver-, wanten en er is een tijd geweest, zegt men, in den beginne, dat zij bij elkander hoorden en uit elkaar zijn voortgekomen, waarna de mensch een ander ontwikkelingsproces heeft doorgemaakt dan de aap.

Dan is dus de mensch niet afzonderlijk geschapen. Dan is de mensch eenvoudig uit iets é, nders voortgekomen. Dan is er ook geen principieel verschil tusschen mensch en~dier De mensch is eenvoudig een ander exemplaar — mis-, schien een pracht-exemplaar! — uit de familie der apen. Deze theorieën kunnen, mogen en willen we niet aanvaarden. De oorsprong van den mensch ligt niet in het stof, niet in de oercel, niet in het dierenrijk. Zooals Evolutionist en Darwinist leeren, die daarom ook weigeren hun knieën te buigen met de gemeente van Christus voor den God des hemels en der aarde die alles schiep en sinds bewaarde.

Wij weten beter, gelijk Gods Woord ons waarschuwend toeroept geen genoegen te nemen met allerlei dwaze theorieën en allerlei vage aanduidingen aangaande de schepping en 's menschen afkomst. En neen! we nemen er geen genoegen mee, dat de mensch tot een vondeling gemaakt wordt, die niet zeggen kan vanwaar hij gekomen is of die zich heeft te schamen voor de moeder-aap. De Schrift leert ons zoo geheel iets anders, waarop het geloof van harte „amen" zegtl

De mensch is van Gods geslacht, door God geschapen, een beelddrager Gods. Door het inblazen van Gods Geest werd de mensch tot een levende ziel, voor een eeuwigheid geschapen, dragende het beeld Gods in kennisy gerechtigheid en heiligheid. Geen ruw of onbeholpen wezen was dus de eerste mensch; geen onbeholpen natuurproduct, waarvan door invloeden van buiten nog iets gemaakt moest worden; ook geen onnoozele, kinderlijk onschuldige, die van niets weet droeg.

Neen ! zóó heeft de Heere den mensch, Adam en Eva, niet gemaakt. Want God schiep den mensch met een rijk leven; een verstandelijk leven met ingeschapen wijsheid; een zedelijk leven met ingeschapen heiligheid; een godsdienstig leven met ingeschapen gerechtigheid. En zóó zijn £ille menschen geschapen, om den Heere met hart en mond te loven hier op aarde en daarna eeuwig met Hern te. leven in den hemel hier boven. Om hier in alles Zijnen Naam te belijden, in Zijne wegen te wandelen en Hem lief te hebben met alle krachten — na dit leven ingaande in de eeuwige heerlijkheid, die bq God is, in den hemel der heerlijkheid.

We zijn Koningskinderen. , We zijn van Gods geslacht. Maar .... gevallen. -

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit den Schat des Bijbels.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1916

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken