Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Staat en Maatschappij.

6 minuten leestijd

Het 7e leerjaar.

Alvorens enkele bepalingen van het nieuwe leerplicht-ontwerp meer van nabij onder de oogen te zien, zal het voor de lezers van ons blad van belang zijn, iets over het voorstel zelve te vernemen, te meer nu het in de bedoeling van den voorzitter der Tweede Kamer ligt, om gelijk hij dit de vorige week aangekondigde, binnenkort het wetsontwerp in openbare behandeling te brengen.

Er moge dan aan herinnerd worden, dat het initiatief om de leerplichtwet gedeeltelijk te herzien, uitging van Minister Heemskerk. Deze Minister stelde het thans aanhangige voorstel samen en diende het op 6 Februari 1912 bij de Staten-Generaal in.

De bedoeling van de herziening was om verschillende leemten, die in den loop der jaren gebleken waren, uit de wet weg te nemen. Wat mr. Heemskerk wilde was dus niet anders dan eene technische herziening van de bestaande wet. Aan eenige uitbreiding of verscherping der voorschriften dacht hij niet. De toenmalige Minister wenschte in den weg, die in 1900 ingeslagen werd, niet verder te gaan.

Van eene behandeling van het voorstel kwam intusschen onder het kabinet Heemskerk niets. Zijn opvolger mr. Cort v. d. Linden, die bij zijn optreden het wetsontwerp bij de Kamer aanhangig vond, nam de voorstellen van zijn ambtsvoorganger over. Hij ging echter verder door n.l. bij nota van wijziging de regeling met eenige bepalingen aan te vullen, welke op verscherping van de leerverplichting gericht waren.

Deze aanvulling vond de Kamer van '13 niet voldoende.

Verscheidene leden verklaarden, blijkens het Voorloopig Verslag, dat op 22 December 1914 uitkwam, het te betreuren, dat de regeering zich tot eene technische herziening der leerplichwet bepaalde. Zij wenschten, dat het terrein van werking der wet zou worden uitgebreid, wat destijds Minister Heemskerk niet wensclite. Zelfs waren vele leden van oordeel, dat verlenging van den leerplichtigen leeftijd noodzakelijk was.

Het Voorloopig Verslag bleef intusschen tijdens het ministerschap van den heer Cort van der Linden onbeantwoord.

Zoo stonden de zaken toen dr. De Visser met het beheer van het departement van Onderwijs belast werd.

Van zijn hand kwam op 15 November van het vorig jaar de Memorie van Antwoord. Bij die memorie werd een gewijzigd ontwerp gevoegd, waarin, behalve dat enkele bepalingen uit het oorspronkelijk wetsvoorstel herzien werden, ook de uitbreiding met den 7-jarigen verplichten schooltijd werd opgenomen.

En zoo werd de voordracht-Heemskerk van 1912 herzien en gewijzigd in den geest zooals het 10-tal punten in ons vorig artikel aangeeft.

Onder deze nieuw ontworpen voorschriften is ongetwijfeld het cardinale punt de 7-jarige leerverplichting.

Het is te verwachten, dat op deze verlenging van den schooltijd, de debatten bij de openbare behandeling van het wetsontwerp voor een groot gedeelte zullen worden geconcentreerd.

De vraag zal weder aan de orde zijn te stellen, of de ouders de plicht en het recht hebben voor de opvoeding der kinderen te zorgen, dan wel of die opvoeding tot de taak van de Overheid behoort.

Het kan niet twijfelachtig zijn of de rechterzijde der Kamer zal zich in eerstgenoemden zin uitspreken, want al staat het ook vast, dat het lager onderwijs in het belang van het kind is, dat geeft de Overheid toch nog niet het recht regelend op té treden.

Zal dan bij het innemen van dit standpunt het uitgesproken zijn, dat het 7de schooljaar zal moeten afgewezen worden ?

Zoo zouden wij de vraag niet willen stellen.

­ Wij zijn voorstanders van een 7de leerjaar voor de kinderen, temeer waar de arbeidswet het verrichten van arbeid vóór het 14e levensjaar verbiedt. En zoo de kinderen dan niet zullen kunnen schoolgaan, zullen zij hun tijd op de straat doorbrengen.

Maar daarnaast zijn wij tegenstanders van den dwang. Wij zijn tegen eene verscherping van de leerplichtwet op dit punt.

Van dit gezichtspunt de zaak beziende, behoort de invoering van het 7de leerjaar en wellicht ook van het 8ste leerjaar niet in de leerplichtwet thuis, maar in de onderwijswet.

Hoe dr. De Visser zijne verscherping van de leerplicht in de Kamer zal verdedigen, zal ons benieuwen. Hij toch was de man, die bij de behandeling der leerplichtwet in 1899 bij het uiteenzetten zijner bezwaren tegen die wet, dacht aan den machtigen greep van Staatswege in het huisgezin (!) en „aan de bedenkelijke inbreuk op de vrijheid der ouders." Dan liever, zoo zeide de tegenwoordige Minister van Onderwijs, 'n uitweg gezocht in de ontzetting der ouderlijke macht. „Dat is de weg, zoo sprak hij, dien mijn Christelijk Historisch beginsel mij aanwijst, en die strookt met den geest van het Nederlandsche volk."

De leerverpliching tot het 7de schooljaar behoort afgewezen te worden.

Opent de onderwijswet den weg om de kinderen een jaar langer van 't onderwijs te doen genieten, dan zal het overgroote deel van de ouders daarvan voor hunne kinderen zeker gebruik maken.

De Overheid mag niet het absolute schoolverzuim regelen, wel het relatieve. Wat dit laatste betreft heeft de Overheid het recht en den plicht om, wanneer zij zich op verzoek der ouders de kosten getroost om inrichtingen van onderwijs hetzij zelf op te richten, hetzij door het geven van het volle pond te doen oprichten, te eischen dat het geld, dat zij uitgeeft, op nuttige wijze wordt 'besteed. Daarom éénmaal de kinderen op school, heeft zij de taak met alle middelen het schoolverzuim te keeren.

Maar dit relatieve schoolverzuim is geheel iets anders als het absolute.

Het bezwaar onzerzijds gaat tegen het regelen van het laatste.

Uitbreiding met een 7de leerjaar vormt een nieuw element in het leerplichtig onderwijs.

Het is uitstekend, dat de Overheid gelegenheid geeft voor het bijwonen van een 7de, desnoods van een 8ste leerjaar, dat zij zorgt voor herhalingsonderwijs, al dit onderwijs goed ingericht, maar zij heeft zich te spenen van allen dwang.

De Staat heeft haar eigen rechten, maar zij heeft ook te erkennen het vrije leven der burgerij onder de Staatsmacht.

Zoo te handelen is antirevolutionair.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1920

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken