Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige.1 Joh. 2 vers Ib.

EEN VOORSPRAAK BIJ DEN VADER.

Het was een aangrijpende plechtigheid onder het Oude Verbond, als op den Grooten Verzoendag de hoogepriester met offerbloed en wierookschaal het heilige der heilige betrad, om daar in het binnenste heiligdom verzoening te doen over de zonden des volks. Als middelaar tusschen God en zijn volk deed de hoogepriester verzoening ; en het volk wist, 't ging hun aan, wat daar in het heiligdom plaats greep. Onder ademlooze stilte van het saamvergaderde volk ging de hoogepriester binnen ; zij gevoelden, dat vanwege hunne zonden de gemeenschap met God was afgesneden ; alleen zoo het bloed der verzoening wlerd aangenomen dan was er leven in Gods goedgunstigheid. Naar recht moest een heilige gloed dien vertegenwoordiger van het zondig volk verteren. Maar wie schetst dan ook de blijdschap der saamvergaderden, als de hoogepriester ongedeerd uit het heiligdom te voorschijn trad, ten teeken, dat de verzoening was bewerkt en Jehova weer de God van Zijn volk wilde zijn. Hierin zien wij typische heenduiding naar den dag, waarop de groote Hoogepriester der toekomende goederen in het binnenste Heiligdom der hemelen is ingegaan, een eeuwige verzoening aangebracht hebbende. Maar zoover de stralende zon in luister de eerste flauwe lichtstreepen aan de oosterkim te boven gaat, zoover overtreft hier de werkelijkheid de profetische schaduw. Dit zij gelijk, dat ook nu de gemeente des Heeren moge verstaan, dat deze dingen haar aangaan. Wierd het beter verstaan, opdat er meer geheiligde aandacht voor, meer gewijde zielevreugd over het feit van des Heeren hemelvaart mocht zijn.

In Christus' Hemelvaart werd de ware ladder Jacobs opgericht, welks opperste reikt in het Vaderhuis en waar langs uit diepe afgronden arme zondaren mogen opklimmen naar de eeuwige heuvelen. Een hellevaart verdiend te hebben en dan in Christus in den hemel gezet te worden, is het niet groot ?

't Gaat hier niet maar over een heerlijke verhooging, die eens uw Heiland te beurte viel, maar gij zelf, volk des Heeren, zijt hierbij ten hoogste geïnteresseerd, want nooit laat zich de Borg meer scheiden van het volk, dat Hij kocht met Zijn bloed ; alle heerlijkheid die Hem gewerd, straalt haar afglans ook uit over de Kerk. Zoo wordt ook Hemelvaart een heilsfontein, die nimmer uitgeput raakt, waaruit de wateren der zielsverkwikking immer weer opwellen. Het schoon van Gods heildaden is onvergankelijk ; gelijk de diamant bij elke wenteling nieuwe glansen uitstraalt, zoo doet ook Gods Waarheid bij elke nieuwe aandachtige beschouwing, nieuwe troost opwellen in het verslagen gemoed.

Het is u nut, dat Ik heenga, zoo heeft de Heiland troostend tot Zijne jongeren gezegd ; als het zielsoog open gaat voor de heerlijkheid van Hemelvaart, wordt de waai heid van dit woord ervaren. Van de vele zegenrijke vruchten van 's Heilands Hemelvaart wordt er in bovenstaand Schriftwoord één genoemd ; ontegenzeggelijk een parel van groote waarde !

Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader ! Ook hier weer blijkt, dat Christus een rijke Helper van arme zondaren is ; dat door het donkere dal van Achor heen de weg leidt naar den heuvel der verlossing. Als zondebesef de ziel doorvlijmt, dan wordt voor haar het troostend uitzicht geopend op den hemelschen Voorspreker, Die met Zijne vol-: komene gerechtigheid al de schuld der Zijnen bedekt.

Indien iemand gezondigd heeft, 't lijkt óns bijna een overtollige onderstelling ; gezondigd, maar dat heeft toch ieder menschenkind, daaraan ontkom, t niemand ; ook in Johannes' dagen zal dat wel niet anders geweest zijn. Gewis, lezer, maar het maakt zulk een diepgaand onderscheid, of zulk belijden bij u niet anders is dan lippentaai dan wel dieper voortkomt, opwelt uit een schuld bezwaard gemoed, neergedrukt door de overtuiging : ik heb gezondigd, doende wat kwaad is in Gods heilig oog. Is dit belijden van zonde harttaal geworden, dan is de valsche gerustheid weg, dan woelt de angst door de ziel, diep berouw en bange verslagenheid wonen dan in ons. Met vlammend schrift wordt dan ons bedreven kwaad ons voor oogen gesteld, en op de wanden onzer ziel schrijft de vinger van Gods heilige wet: geteld, gewogen, maar te licht bevonden.

Dan legeren donkere wolken van gramschap zich rond den troon des Eeuwigen, en de verzuchting gaat op : door Uwen toorn vergaat ons kwijnend leven ! In dien diepen zin van zielsontroerend schuldbesef moet gij de woorden des apostels verstaan, en nu wil hij zeggen : als er nu iemand is, die zoo gezondigd heeft, dat zijne zonden hem binden met banden des doods en verstrikken in de angsten der hel, laat zulk een dan het smeekend oog hulpzoekend opslaan naar de eeuwige bergen, waar des Middelaars genadetroon werd opgebouwd op den grondslag Zijner volmaakte gerechtigheid ; laat zulk een dan bedenken, dat Gods strijdende Kerk een Voorspraak heeft in den hemel, in de glinsterende woning der eeuwige heiligheden, en dat deze Voorspraak daar omhoog hem, den armen, verloren, rouwdragenden zondaar niet vergat, maai met den naam van dien doemwaardige op Zijne heilige lippen den Vader wijst op den losprijs, die ook voor dezen gevangene wierd betaald.

Een Voorspraak bij den Vader ! is dat niet wat gij, worstelende, struikelende ziele, allermeest behoeft ?

Een Voorspraak, dat is de persoon, die uw zaak bepleit, voor u tusschentreedt, uw belang voordraagt en behartigt, gunst voor u zoekt daar waar er u alles aan gelegen is, in gunste te worden aangenomen. Een Voorspraak pleit voor u, niet daar, waai men u niet deren kan, maar daar waar de rechter over uw staat, de vorst over uw lol beschikt. En hoe hooger de waarde dei gunst van hen, voor wien een voorspraak pleitend zich stelde, hoe grooter de beteekenis van het werk van dien Voorspreker voor u.

Welnu, hooger kan 't niet dan hier, een Voorspraak b ij den V a d e r ; bij den Drieëenigen God, Dieheei uw lot voor eeuwig beslist; van Wien ge op het allerdiepst afhankelijk zijt; aan Wiens gunst en genade u alles gelegen is ; Die niet alleen uw Koning en Rechter, maar ook uw Schutsheer en Vader moet zijn. Hoe Hij over u denkt, dat is alles ! Belieft het Hem, u tot Zijne liefderijke, volheerlijke gemeenschap toe te laten, u met Zijne gunst te dekken en te omringen, dan zijt ge gered niet slechts, maar voor eeuwig zalig ; verstoot Hij u echter, dan zijt ge van nu voortaan en tot in alle eeuwigheid nameloos-ellendig.

Nu kan het voor u geen twijfel lijden, of ge zijt in uzelf gezien volstrekt verwerpelijk voor dien hoogen God, want gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons ; Hem omgeeft een wereld van vlekkelooze heiligheid, van reinen luister; Hij houdt den schuldige niet onschuldig.

Gij kunt niet tot Hem naderen, of de gloed Zijner Majesteitelijke Heiligheid zou u van voor Zijne oogen verzengen, en toch, gij kunt niet buiten Hem ; in den verborgen om gang met den Rechtvaardige is het leven uwer ziel. Gij moet getuigen dat Zijne gunst meer sterkt dan de uitgezochtste spijzen, en gij hebt Zijn gramschap verdiend, want gij hebt gezondigd.

Zoo wordt het u duidelijk, wat waarde voor u zou hebben een Voorspraak bij dien God ; een Voorspraak, in Wien de zoete, zalige Gunst van dien Eeuwige op u zou kunnen rusten. Luistert nu, door nood geperste zielen, naar het woord des apostels : zulk een Voorspraak is er bij den Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige. Daarboven voor den stoel des Vaders, draagt Hij alle ellendigen op Zijn Middelaarshart; en dat Zijn Voorspraak afdoende is, en u zonder twijfel legt onder den milden glans van 's Vaders genade. Hij getuigt het Zelf: de Vader hoort Mij altijd. Hoor maar, met welken klem en nadruk Hij de namen der Zijnen den Vader voordraagt: Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.

Hem kan de Vader niet afw'ijzen, en Hij wil het ook niet, en zal het ook niet doen, want zelf heeft Hij daartoe Zijnen Zoon overgegeven in den dood, en het is de weelde van Zijn Vaderhart, dat Hij in de gerechtigheid Zijns Zoons verslagen zondaren als Zijne wellieve kinderen aannemen kan.

En dit is 's Heilands voof, spraak, dat Hij zonder ophouden met den arbeid Zijner verzoening voor het aangezicht des Vaders verschijnt, om de kracht van Zijn Middelaarswerk geldend te maken voor God, tot volkomen vergeving van alle de zonden dergen^ wier zaak Hij tot de Zijne maakt.

Onverpoosd gaat Zijne voorbede voor hen uit; ook dan als zij dit niet zoeken, op zelfgekozen wegen door Satans macht als tarwe worden gezift, ja, dan allermeest, opdat hun geloof niet ophoude. De heerlijke, reddende, bewarende kracht dier bede wordt dan gesmaakt en ervaren, als zij, in diepe smart van hartverteederend berouw, opnieuw mogen beluisteren het woord, dat hun 's Vaders gunst vertolkt: al waren uwe monden als scharlaken. Ik maak ze wit als de wol.

Klaar als de dag wordt ons nu de zin van 's Apostels woorden, waarmede hij schuldbezwaarde, naar God dorstende zielen troostend en bemoedigend wijst op de heilige gestalte van den Hemelschen Voorbidder.

En dit is zeker niet de minstbeteekenende vrucht van 's Heilands hemelvaart voor Zijn strijdende Kerk, dat Hij haar ten goede daar is, als haar Voorspraak bij den Vader, Die Hem altijd, hoort.

Voor wie, vraagt ge nu nog, voor wie voert Hij daar Zijn onweerstaanbaar pleit ?

Zelf antwoordt Hij u : Vader, Ik wil, dat diegenen bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt.

Voor de gegevenen des Vaders dus is deze wondere weldaad, die hen bij Gods trouwe gunst bewaart.

Zoo is het, lezer. Maar daar is nog iets meer van te zeggen I Johannes richt dit troostend vermaan tot degenen, die gezondigd hebben ; dat is — wij verstaan het nu •— tot hen, die van zondeschuld wierden overtuigd, en leed dragen voor God over hun bedreven kwaad ; laten wij het zoo dus zeggen : deze genade-weldaad is, als alle andere, voor wie haar noodig hebben ! Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest en die voor Mijn Woord beeft. Maak u op, word verlicht, gij die in duisternis neerzit, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op. Zalig zijn die hongeren, want zij zullen verzadigd worden .

Nooddruftigen zal Hij versohoonen Aan armen uit gena Zijn hulpe ter verlossing toonen Hij slaat hun zielen ga !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken