Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze Belijdenis.

10 minuten leestijd

Art. 20a. „Wij gelooven dat God, die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, Zijnen Zoon gezonden heeft om aan te nemen de natuur, in welke de ongehoorzaamheid was, om in dezelve te voldoen en te dragen de straffe der zonden door Zijn zeer bitter lijden en sterven."

De artikelen over „Onze Belijdenis", die eenigen tijd onderbroken zijn geweest, hopen wij thans weer voort te zetten. Terwille van het verband dacht het ons goed weer aan het begin van artikel 20 te beginnen.

LXXVIII.

Is in devoorgaande artikelen gehandeld Over den Persoon van den Middelaar, thans zijn we genaderd aan Zijn werk.

Over dat werk van Christus is het verschil van .gevoelen niet minder groot dan over Zijn Persoon. Sommigen hebben geleerd en leeren nóg dat het werk van Christus in den grond der zaak in niets anders bestaat, dan in het geven van een voorbeeld De eenige beteekenis en waaride van Zijn arbeid is volgens hen deze, dat Hij ons een exempel heeft nagelaten. Anderen hebben geleerd en leeren nog dat Christus het bewijs is dat God de menschen niet van Zich verwijderd wil houden. Was door de zonde de menschheid van God afgeweken, in Chris tus geeft God volgens hen, het bewijs dat Hij 'geen Rechter is die de zonde straft, maar wel een Vader, die niettegenstaande de menschen zich van Hem afkeerden, hen toch als Zijn kinderen blijft beschouwen. Weer anderen hebben geleerd en leeren nog dat in Christus God mensch is geworden, opdat nu ook de mensch weer goddelijk zou kunnen worden. Volgens hen is God tot den mensch gekomen, opdat de mensch nu weer tot God zou kunnen gaan, en alzoo wordt het middelpunt van Christus' werk niet gezocht in Zijn dood, maar wel in Zijn komst naar deze wereld, m.a.w. in de vleeschwording des Woords. Weer anderen hebben geleerd en leeren nog dat het werk van Christus wel een zekere betaling voor de zonde is geweest, zoodat Zijn dood wel de voorwaarde was, waarop God den mensch vergeving kon schenken, maar toch alleen in dien zin, dat Christus alléén de mogelijkheid der vergeving verwierf. Volgens hen is het dan ook niet waar, dat Christus alles geleden heeft wat de menschheid verdiend had te lijden, maar God zou met dat zware' lijden van Christus genoegen hebben genomen en zou, met eerbied gesproken, maar net gedaan hebben alsof het voor de zonde der wereld voldoende was. Terwijl nog weer anderen geleerd hebben en nog leeren dat juist omgekeerd Christus niet veel te weinig, maar veel te veel heeft geleden en dat één enkele droppel bloed genoegzaam zou geweest zijn om de zonden der gansche wereld weg te nemen.

Is het eerste gevoelen dat der Modernen, het tweededat der Socinianen, dat vrijwel overeenkomt met dat der z.g.n. Groninger School, het derde dat der Ethischen, het vierde dat der Oude Remonstranten, het vijfde is dat der Roomschen ; maar zoowel het een als 't ander is met de Gereformeerde opvatting van het werk van Christus in strijd. Het begrip toch dat in al deze opvattingen óf gemist wordt, óf op onschriftuurlijke gronden daarin voorkomt, is dat van verzoening door voldoening en dat juist is het dat in de Gereformeerde beschouwing op den voorgrond treedt. De Gereformeerden leiden dan ook de verzoening niet alleen af uit Gods liefde, maar wel uit Gods absolute souvereiniteit. In het werk van Christus hebben wij dan ook niet alleen te zien een openbaring van Gods barmhartigheid en genade, maar ook en evenzeer een openbaring van Gods heilig en onkreukbaar recht. Trouwens daar is, ook al treden bepaalde eigenschappen meer op den voorgrond, geen enkele deugd in het Goddelijk Wezen die in het werk van den Middelaar Gods en der mensohen geen afschijnsel heeft.

Dat dient dan ook bij de beschouwing van het werk van Christus op den voorgrond te staan dat de Zoon het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid is. Niemand, heeft ooit God gezien ; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard (1 Joh. 1 : 18). In het werk van Christus blinkt dus uit de gansche volheid Gods ; ook Zijne almacht; ook Zijn veelvuldige wijsheid, ook Zijn heiligheid en welke deugd van het Goddelijk Wezen gij verder ook nemen wilt. Maar de twee eigenschappen die in het werk van den Middelaar bijzonder naar voren treden, zijn eenerzijds Gods liefde en anderzijds Gods recht. En nu moeten we niet meenen dat die twee eigenschappen in het Goddelijk Wezen begrippen zijn die elkaar uitsluiten. Soms wordt dat zoo voorgesteld, dat de liefde Gods iets is dat strijdt met Z|ijn recht en dat het recht Gods iets is dat strijdt met Zijn liefde. Dat komt dan omdat men zich van de liefde Gods een voorstelling vormt op grond van onze menschelijke liefde en omdat men het recht des Heeren vaak afmeet naar het recht dat in onze menschelijke saamleving geldt. Maar we mogen nooit vergeten dat de liefde Gods oneindig ver verheven is boven de meest reine en onbaatzuchtige liefde die bij ons nietige schepselen en bovendien zondige menschenkinderen soms tot openbaring komt. En evenzoo moeten we bedenken dat het recht des Heeren veel meer onkreukbaar is dan het zuiverste recht dat hier op aarde, in deze zondige menschenwereld, gehandhaafd kan worden. Maar daarom mogen we ook zoo min de liefde als het recht des Heeren gronden op de gebrekkige begrippen die wij daarvan koesteren. Integendeel, niet Gods liefde op onze liefde gegrond en niet Gods recht op ons recht gefundeerd ; maar juist omgekeerd, ons recht moet aan Gods recht ontleend worden en onze liefde moet ten allen tijde aan Gods liefde worden getoetst. En dit doende zullen we op grond van het Woord waarin God Zich geopenbaard heeft, bevinden dat liefde en recht in God geen tegenstellingen zijn die elkaar uitsluiten, maar dat zij geheel op hetzelfde neerkomen en in den grond der zaak in God volmaakt het-7plfde zijn. Gods liefde is hetzelfde als Gods recht en Gods recht hetzelfde als Gods liefde. Daarom is Zijn recht een liefde-recht en Zijn liefde is een rechtvaardige liefde. Maar als Gods liefde een rechtvaardige liefde is, dan spreekt het ook wel vanzelf dat zij de zonde niet ongestraft kon laten, dat zij het niet gedoogen kon dat haar goddelijke souvereiniteit toch straffeloos geschonden werd.En toen door de zonde de majesteit van die goddelijke liefde toch geschonden was, toen kon het niet anders of daar moest voldoening, daar moest genoegdoening zijn.

In de H. Schrift wordt dan ook op zoo menige bladzijde onmiskenbaar geleerd dat de heilige liefde Gods, nadat zij door de zonde geschonden werd, zich openbaart als een strafeischende en wrekende gerechtigheid. Denk maar aan Psalm 7 : 12 : „God is een rechtvaardige Rechter en een God die ten allen dage toornt". Denk maar aan Habakuk 1 : 13 : „Gij zijt te rein van oogen dan dat Gij het kwade zoudt zien". Denk maar aan Nahum 1:2: Een ijverig God en een wreker is de Heere en zeer grimmig.Een wreker is de Heere aan Zijne wederpartijders en Hij behoudt den toorn Zijnen vijanden". Uit al deze uitspraken, die met vele te vermeerderen zijn, blijkt duidelijk dat de Heere der Heirscharen verhoogd zal worden door het recht en God, Die Heilige, geheiligd zal worden door gerechtigheid".

Daar blijkt dus genoegdoening noodig te zijn. Maar deze genoegdoening kon door den mensch zelf niet worden verstrekt. Immers wat zal de mensch geven tot lossing zijner ziel (Mattheus 16 : 26). Ja, als de Heere de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan ? (Ps. 130 : 3). Inplaats van minder, maken wij, zooals ook de Catechis mus het ons leert, de schuld nog dagelijks meerder. Trouwens indien wij onszelven konden behouden, de genade in Christus ware overbodig geweest. „Indien de rechtvaardigheid door de Wet is, zoo is dan Christus te vergeefs gestorven". (Gal. 2 : 21 En niet alleen dat de mensch zelf onmachtig is om den geëischten losprijs te voldoen, maar daar is ook niemand die het voor hem kan doen. Niemand van hen zal zijnen broeder immermeer kunnen verlossen ; hij zal Gode Zijn rantsoen niet kunnen geven ; want de verlossing hunner ziel is te kostelijk en zal in eeuwigheid ophouden (Ps.49 : 8 en 9). Geen mensch toch en zelfs geen engel uit den hemel zou voor Gods gramschap kunnen staan en zou voor de hittigheid Zijns toorns kunnen bestaan (Nah. 1 vers 6). Het is dan ook zoo naar waarheid geteekend in Openb. 5:3 dat niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, het boek dat zich in de rechterhand des Alnfachtigen bevindt, kan openen, noch hetzelve inzien.

Maar nu is dit het wonder van Gods recht vaardige liefde, dat toen er vam de zijde van het schepsel geen slachtoffer noch spijsoffer, geen brandoffer noch zondoffer te vinden was, waarin de Heere een welbehagen had, dat toen, naar de beschrijving van Ps.40, de Zoon zich heeft aangemeld met de bekende woorden : toen zeide Ik, zie Ik kom, in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God om Uw welbehagen te doen en Uwe wet is in het midden Mijns ingewands. Ja, toen er niemand was die met zijn hart borg kon worden om tot God te genaken (Jerem. 30:21), toen is daar een Heerscher uit het midden van Hem voortgekomen, toen heeft God als een vrucht van Zijn rechtvaardige liefde Zijnen Zoon gezonden om in dezelfde natuur waarin de ongehoorzaamheid begaan was, ook de straf dier ongehoorzaamheid te dragen.En zoo is Hij gekomen van wien Paulus in Rom. 3 : 25 getuigt : „welken God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed, tot een betooning van Zijne rechtvaardigheid door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods."

Daar ligt dan ook de eigenlijke beteekenis van 's Middelaars werk, dat Hij door Zijn lijden en sterven de straf der zonde heeft gedragen en bovendien door Zijn dadelijke gehoorzaamheid de Wet heeft vervuld en dat Hij alzoo een eeuwige gerechtigheid te weeg heeft gebracht. Vandaar dan ook dat juist op het lijden en sterven des Heeren alle nadruk moet gelegd worden. Neen, het was niet genoeg, dat Hij mensch was geworden zelfs niet dat Hij den menschen in alles, uitgenomen de zonde, gelijk was. Door de vleeschwording des Woords op zichzelf zou de verzoening en vereeniging tusschen God en den mensch nooit tot stand zijn gekomen.Integendeel, het betaamde Hem alle gerechtigheid der Wet te vervullen (Matth. 3 vers 15) en zelf door lijden geheiligd te worden (Hebr. 2 vers 10), Vandaar dat terwijl in de Evangeliën het leven van Jezus betrekkelijk kort wordt geschetst, ons juist van Zijn lijden en sterven een zeer breede beschrijving wordt gegeven. En vandaar dat ook de Apostolische prediking juist op het kruis, op den dood en op het bloed van Christus allen nadruk legt. Denk maar aar.Philip. 2 vers 8, waar Paulus er op wijst hoe Christus Zichzelven juist daardoor heeft vernederd dat Hij de gestaltenis van een dienstknecht heeft aangenomen en dat Hij gehoorzaam geworden is tot den dood, ja, tot den dood des kruises. Het is dan ook niet door de geboorte of door het leven, maar, volgens Rom. 5 vers 10, door den dood Zijns Zoons, dat Gods gemeente met Hem is verzoend.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1921

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken