Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit het kerkelijk leven.

11 minuten leestijd

Artikel 36 Ned. Geloofsbelijdenis De ordinantie Gods inzake de Overheid en de taak en roeping van de Overheid inzake religie en Kerk.
V.
De Overheid mag niet, naar revolutionair beginsel, gemaakt worden tot zetbaas van de volksmassa, die met de helft plus één .................................. dat is de verderfelijke leer der volkssouvereinlteit, waarbij de machten die er zijn, bestaan bij de gratie van den mensch.
De Overheid mag ook niet optreden als een despoot, alsof het volk er is om de Overheid, waarbij de Overheid met rechten en privilegiën des volks niet rekent. Als Gods dienaresse is zij door God voor het volk gegeven en zal er een goede, parlementaire verhouding en samenwerking moeten gevonden worden tusschen het volk en de Overheid, waarbij de Overheid de macht is en blijft, welke God gesteld heeft om te regeeren.
In naam dus van ons Schriftuurlijk beginsel moeten wij blijven voorop stellen, dat de Overheid is Gods dienaresse, die haar gezag ontleent aan den Heere, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, den Souvereinen God, Wien het behaagt in Zijn algemeene goedheid de volkeren te zegenen door de ordinantie van de Overheid. Tegenover de Revolutie zeggen we daarom: de Overheid, Gods dienaresse!
Tegenover Rome zeggen we: de Overheid direct onder God — niet onder de Kerk.
„Onder God — met directe verantwoordelijkheid aan God!" dat is onze Reformatorische leuze inzake de Overheid.
Zoo zal dan de Overheid, waar men volkeren vindt, bij de regeering van het volk en het bestuur des lands, bij de organisatie van het maatschappelijk leven en het stellen van hare ordonnantiën, zich dienaresse Gods moeten weten en dus zal „de rijksstaf" in hoogste instantie Gods wil, Gods wet, Gods Woord moeten zijn, in alles bedoelende de eere Gods en het welzijn der natie.
Calvijn schreef daarover ook aan den „allerchristelijksten" Koning der Franschen in zijn Institutie, waar hij zegt: „En deze zaak gaat U aan, o Koning, waarbij Gij te weten hebt in het bestuur van het rijk een dienaar Gods te zijn; want hij, die niet regeert met het oogmerk om aan Gods eer dienstbaar te zijn, regeert niet over een Koninkrijk, maar over een rooversbende. Voorts dwaalt hij zeer, die eene langdurige welvaart zijns rijks verwacht, dat door den rijksstaf Gods, dat is, door Zijn heilig Woord, niet geregeerd wordt".
Dat is anders dan Rousseau leerde, die geen hooger gezag erkende dan den wil der meerderheid; waarbij liberalist en socialist eenstemmig zijn in het stellen van de rede des menschen boven de openbaring Gods, ons in des Heeren Woord gegeven.
„De christenen in Nederland, van welke gezindheid ook" (zooals Groenvan Prinsterer de christenen in Nederland typeert b.v. in zijn Narede van vijfjarigen strijd, 1855, blz. 18) zijn het hierin niet met de mannen van de Revolutie van 1789, maar wèl met Calvijn eens. Bilderdijk, Groen van Prinsterer, Da Costa, Kuyper, Lohman, Colijn, de Visser en zoovele christenen in Nederland, „van welke gezindheid ook", hebben hier in één geluid doen hooren en spreken nóg zoo; al verschilt men soms „naar de gezindheid" wel in een en ander van elkaar; echter nooit zóó, of het ideaal is: geen andere, dan christelijke staatkunde mag gevoerd worden, zoowel hier als elders!
Op het voetspoor van Groen van Prinsterer heeft de Antirevolutionaire Staats partij in 1878 in haar Program verklaard: dat God Nederland als een Protestantsche natie heeft doen geboren worden onder invloed der Hervorming, omstreeks 1572; en waar Nederland dit volkskarakter, onder Oranje geleid, onder invloed der Hervorming ontving, wenscht de Antirevolutionaire of Christelijk Historische Partij, overeenkomstig den gewijzigden volkstoestand, dit volkskarakter in een vorm, die aan de behoeften van onzen tijd voldoet, te ontwikkelen. (Zie Artikel 1 van „Ons Program"):
„Noch in den volkswil, noch in de wet, maar alleen in God vindt zij de bron van het souvereine gezag en verwerpt mitsdien eenerzijds het beginsel van volkssouvereiniteit; terwijl zij anderzijds de souvereiniteit van Oranje eert, als onder de leiding Gods in onze geschiedenis geworden; door de mannen van 1813 in den Nederlandschen Staat tot ontwikkeling gebracht; en door de grondwet als zoodanig bevestigd". (Artikel 2 van „Ons Program").
„Ook op staatkundig terrein belijdt zij de eeuwige beginselen van Gods Woord, zóó evenwel, dat het staatsgezag noch rechtstreeks noch door de uitspraak van eenige Kerk, maar alleen in de consciëntie der overheidspersonen, aan de ordinantiën Gods gebonden zij". (Artikel 3 van „Ons Program").
Dit is duidelijke taal. De Overheid „als Gods dienaresse" (zoo staat nadrukkelijk in Artikel 4 van „Ons Program") is gebonden aan Gods Woord. Want overal is duisternis en gebrokenheid door de zonde, en zoo is de mensch onbekwaam om de rechte beginselen te vinden, dan alleen in Gods Woord.
„Het noodwendig gevolg", zegt dr. A. Kuyper in de toelichting van „Ons Program", „van onzen zondigen toestand is dat we telkens verkeerd waarnemen en onjuiste gevolgtrekkingen maken en ondanks de beste bedoelingen, afdolen op het spoor der gerechtigheid. Ook zóó blijft er dan onder de volken en vorsten nog wel een natuurlijke Godskennis werken, en een zedewet in de consciëntiën spreken, en een algemeen besef van wat schandelijk is blijft de deugd beveiligen, maar hoe hoog ook deze steunsels der gerechtigheid te waardeeren zijn, tot de juiste kennis van Gods hoogere ordinantiën voeren ze niet. Dit blijkt genoegzaam uit de geschiedenis der uitnemendste onder de volken der oudheid en nog uit den diep ellendigen toestand van 't menschelijk leven in China enz." (Blz. 49 ; 4de druk).
Dus onze natuurlijke Godskennis kan ons niet helpen in deze.
Maar wat dan ?
„Maar zie, nu is het immers juist", zoo vervolgt dr. Kuyper, „onze belijdenis als Christenen, dat God Almachtig op bijzondere wijs en in velerlei tijden aan ons geopenbaard heeft en dat er alzoo een „Woord Gods" aanwezig en onder ons bereik is. En nu zijn er, die dat Woord Gods wel aanvaarden in zijn hoogheilige beteekenis, maar die desniettemin landsbestuur en wetgeving en rechtspleging buiten de in dat Woord Gods geopenbaarde ordinantiën wil laten omgaan. Maar dit is erger dan inconsequentie. Wij, Antirevolutionairen, althans wenschen aan zoo halfslachtig bedrijf niet medeplichtig te worden en stellen er deswege onze eere in, tegenover de heerschende begrippen, onze overtuiging steeds scherper in de richting van deze stellingen te ontwikkelen: 1. Alle recht, dat op aarde gelden zal, moet getoetst aan het recht; 2. Het recht bepaalt God alleen naar den aard van Zijn heilig Wezen; 3. Voor zooveel het menschelijk leven betreft, is de zuivere kennis en vastheid van deze ordinantiën door de zonde te loor gegaan; 4. De natuurlijke Godskennis en het natuurlijk rechtsbesef, hoe hoog ook te waardeeren, zijn dientengevolge onvoldoende om ons de eeuwige beginselen te doen kennen; 5. Door de bijzondere, bovennatuurlijke openbaring van Gods Woord is op belangrijke wijze licht over die beginselen verspreid, óók wat het burgerlijk leven aangaat en deswege is het onze roeping, om óók op staatkundig terrein de eeuwige beginselen van dat Godswoord te belijden", (blz. 49—50).
God, die de Overheden bekleedt met macht, wil dus niet, dat zij naar luim of willekeur regeeren, maar overeenkomstig Zijn wil en Zijn Woord.
Was er nu maar geen zonde — dan zou alles „van zelf" loopen. Dan ging het naar de ordeningen door den Heere gesteld en ingeschapen en de Overheid kon worden gemist. De volkeren zouden den Heere loven, al te zaam. Maar nu de zonde in de wereld gekomen is gaat de neiging der volkeren tegen God in en is de Overheid, als Gods dienaresse, geroepen om naar Gods wil en wet alles te richten tot welzijn van het volk en het land.
Den natuurlijken wetten, door God gegeven, mag daarbij geen geweld worden aangedaan. Ieder ding heeft God naar z'n aard geschapen en de Heere heeft elk ding z'n eigen plaats en werking gewezen. Daar zal de Overheid mee moeten rekenen en zij mag dus niet alles willekeurig door elkaar halen. Neen, zij zal de ordeningen Gods, in het leven gegeven, bij het licht van Gods Woord moeten naspeuren, om dan alles recht te leiden, zooals God het wil, dat het in het burgerlijk leven onderscheidenlijk geordend, gericht en geleid zal worden, tot Zijn eer en tot des menschen heil.
Dat is niet zoo gemakkelijk. voor de Overheid! De natuurlijke wetten moet zij eerbiedigen, als van God gegeven. En het licht van Qods Woord moet zij opvangen, zoo als, dat uitstraalt over héél het samenleven.
Die met de Revolutie-mannen van 1789 meegaat, spreekt hier van 's menschen verstand als hoogste autoriteit. De liberalist wil van een openbaring Gods in deze niet weten en spreekt slechts van hetgeen den mensch past en tot nut van het algemeen is. Maar de christen is in deze anti-revolutionair en vraagt naar Gods Woord, om daar op te sporen de eeuwige, normatieve beginselen, waarnaar alles, ook het burgerlijk leven, moet worden gericht, opdat het strekke tot Gods eer en des menschen heil.
Maar dat opsporen der eeuwige beginselen is niet zoo héél gemakkelijk. Want de Heilige Schrift is geen wetboek, met verschillende titels en artikelen, dat maar op te slaan is, om dan allerlei bepalingen voor alles gereed te vinden. Zóó heeft de Souvereine God ons Zijn wil en waarheid in deze niet bekend gemaakt. De Heilige Schrift — geen enkel christen, van welke gezindheid ook, belijdt dat anders — is „geen repertorium van wetsbepalingen, maar de gewaarmerkte oorkonde van ééne machtige levensopenbaring, die een geschiedenis van eeuwen omvat en waar de ordinantiën Gods, d.i. Zijn eeuwige en onveranderlijke beginselen wel in zijn, wilt ge, als gouderts verscholen in de mijn". („Ons Program", blz. 51).
Dit moet ernstig in 't oog gevat.
In het vierde gebod, om één ding te noemen, zat voor Israël de zevende dag als rustdag, door God geheiligd; voor den christen, ten spijt van den Sabbathist, de eerste dag der week, de dag van de opstanding van Jezus Christus!
In de besnijdenis zit de doop. Van het pascha is het Avondmaal de voortzetting en volle ontplooiing. En de theocratie van Oud-lsraël is onder de Nieuw-Testamentische bedeeling in alles anders, gelijk de particularistische Kerk der Oude bedeeling, nu een universalistisch karakter heeft, voor alle creaturen bestemd, enz.
Op welke wijze zal nu de Overheid te weten komen, welke die eeuwige en onveranderlijke beginselen zijn, die Gods Woord ons voorlegt? Liberalist en socialist zijn spoedig klaar. Gods Woord moet buiten beschouwing blijven! Weg met de openbaring Gods, leve des menschen verstand!
Rome is ook spoedig klaar. Want Rome zegt: de Kerk zal het zeggen; de Paus; de Encycliek van den Stedehouder van Christus is de uitlegger met de eenige en de hoogste autoriteit; en de Overheid zal 't gewillig linstrument zijn in de hand van de Kerk, welke immers twee zwaarden ontving — volgens Rome —om en de Kerk en den Staat te regeeren, zij 't dan dat in den Staat de Overheid als dienaresse door de Kerk gebruikt wordt!
Ook zijn er, die meenen: de theocratie is de oplossing; God regeert rechtstreeks!
Maar de Antirevolutionairen zeggen: dat de Overheid Gods dienaresse is in het eigen werk, haar van den Almachtige toebetrouwd; en als Gods dienaresse is zij alleen en rechtstreeks Gode gehoorzaamheid verschuldigd en zal zij zelve ook hebben uit te maken, wat Gods Woord haar voor haar taak heeft te zeggen. Dat zal zij hier in Nederland; dat zal zij overal hebben te doen. Want nergens is de Overheid, of zij is van God gesteld, om als Gods dienaresse te handelen; en als Gods dienaresse zal zij moeten rekening houden met Gods wil en woord, zal zij te leven hebben tot Gods eer en in Gods wegen het goede hebben te zoeken voor het volk.
Dat zeggen niet de revolutionairen, maar wel de anti-revolutionairen, die negatief staan tegenover de beginselen van het ongeloof, die verwerpend, om positief te bevorderen dat in de lijn der historie land en volk christelijk wordt geregeerd en bestuurd; waarom de naam van de Antirevolutionaire Staatspartij ook een dubbele naam is en wij in „Ons Program"' dan ook altijd spreken van „De Antirevolutionaire of Christelijk-historische richting" (zoo luiden de eerste woorden van het eerste artikel van „Ons Prograrn" van 1878).
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1925

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken