Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geestelijke opbouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geestelijke opbouw

De Christelijke Ethiek

8 minuten leestijd

Te midden van de zeden en gewoonten der menschen komen als vanzelf allerlei vragen op. En als de Ethiek zich dan inlaat met de levensontplooiing des menschen, om na te gaan hoe de mensch zich in al z'n levensfuncties en bij al z'n levenshandelingen te gedragen .heeft, in betrekking tot de onderscheidene levensterreinen", dan mag de Ethiek zich van de vele vragen, welke zich daarbij voordoen, niet afmaken. Indifferentisme (een toestand van geen-beslissing-nemen en zich onzijdig-onverschillig-houden) kan op het terrein van de Ethiek niet bestaan. Men moet hier kiezen voor een bepaald beginsel. Men moet weten wie en wat de mensch is en naar welke beginselen, wetten en ordeningen zijn levensopenbaring naar alle kanten moet worden ingericht ; men moet weten waar de kracht te zoeken is om te slagen in het leven, hoe onze gedragingen moeten zijn tegenover God en tegenover onzen naaste en wat er in den gang des levens van terecht komt.
Indifferentisme (onverschilligheid, geen-partij-kiezen) is hier niet mogelijk. Want het gaat over den mensch, z'n aard, z'n wezen, z'n levensplicht, z'n levenskeus ; over z'n wil en de motieven bij de wilskeuze ; over z'n levensbestemming en z'n levenskracht. En wie op dat terrein komt en de levensbestemming en levensontplooiing van den mensch wil naspeuren en beschrijven, moet weten van welke beginselen hij moet uitgaan. Is de mensch een schepsel Gods of niet ; is de mensch krachtig en machtig in zichzelf of met heeft de mensch dus een wetgever boven zich, of is hij zichzelf tot een wet ? Is de mensch een gevallen schepsel, of gaaf en ongeschonden ; moet de mensch wedergeboren worden en Christus ingelijfd, of is de mensch zichzelf en móet en kan hij zichzelf helpen, — dat alles maakt natuurlijk groot verschil en de Ethiek kan en mag zich hier­ van niet afmaken met een onverschillig schouderophalen. Deze dingen zijn voor al onze redeneeringen en beschouwingen, voor al onze lessen en conclusies, allesbeslissend ; en het hangt ten nauwste samen met onze levens-en wereldbeschouwing.
De Ethiek kan voor ons niet indifferent (onverschillig, beginselloos, neutraal) zijn. Voor ons moet de Ethiek van een bepaald beginsel uitgaan ; ze moet voor ons Christelijke Ethiek zijn, om dan al deze vragen aangaande den mensch en zijn levensbestemming en levens ontplooiing te benaderen bij het licht van Gods Woord. Het geloofs-(of ongeloofs-) standpunt is voor den beoefenaar van d e Ethiek van de grootste beteekenis.
En als hij zich dan als Christen zet tot onze wetenschap aangaande het zedelijk leven des menschen, naspeurend zijn zedelijk handelen in al zijn doen en laten (want ook het „laten" moet een zedelijke, welbewuste handeling bij den mensch zijn, als. hij niet gedachteloos leeft en werktuiglijk of uit gewoonte handelt), om te beschouwen den mensch als individu in zijn persoonlijk leven en als lid der gemeenschap, bij al de sociale verhoudingen waarin we staan in het midden van de maatschappij enz. — dan zal de Christen-ethicus hier moeten beginnen met het constateeren van het geweldige feit (door anderen genegeerd of bedenkelijk verzwakt), dat de mensch door God goed geschapen is, naar Zijn beeld en gelijkenis, in ware kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid, om God recht te kennen, te dienen en lief te hebben en ook z'n naaste lief te hebben als zich zelf, maar dat de zonde tusschenbeide gekomen is en in alles de banden heeft losgescheurd, zoowel ten opzichte van God als van den naaste en in alles radicale omkeering gebracht heeft ten kwade, den mensch achterlatend : onbekwaam tot eenig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad.
In een toestand van ongehoorzaamheid, met overtreding van Gods wetten, heeft de zonde den mensch gebracht, hem opstandig makend ten opzichte van God, God en zijn naaste nu hatend. Waarbij wel door Gods algemeene gratie de doorwerking der zonde overal gestuit wordt en vele algemeene gaven Gods den mensch zijn blijven sieren, maar waarbij de zedelijke toestand des menschen toch geworden is voor hem en al zijn nakomelingen : God en zijn naaste te haten, de kiem van alle zonden in zich dragend.
Hier moet de Ethiek kiezen of deelen en een beslissing nemen, of zij den mensch en z'n levensbeginselen en levensplichten neemt als een zelfstandig, onafhankelijk wezen (autonoom), dat uit en van zichzelf is, met zelfbeschikkingsrecht in alles, of dat de mensch een schepsel Gods is en in alles van zijn Schepper en Maker afhankelijk en nu helaas ! een zondig, een gevallen schepsel geworden. God en z'n naaste hatende.
Voor ons kan de keus niet moeilijk zijn.
Wij kunnen en mogen en willen niet over den mensch en, over zijn leven, met levensplichten, levensbeginselen en levensgewoonten spreken, alsof de mensch onafhankelijk van God staat en in geen ding gebonden is aan zijn Schepper en Maker, in Wiens .hand z'n adem en alle dingen zijn. De mensch is toch of een product van de materie, van de stof — of hij is een schepsel Gods. De mensch is of z'n eigen wetgever óf God is z'n Koning en Wetgever en Rechter. De mensch is of een stofproduct voor den tijd, of een schepsel Gods met de eeuwigheid in z'n hart.
Voor ons is de keus niet moeilijk. En daarom spreken we ook van Christelijke Ethiek, waarbij de mensch genomen wordt als schepsel Gods en God als hoogste Wetgever wordt geacht, aanWiens goddelijke ordeningen de mensch in alles gebonden is en van Wiens goddelijke kracht hij in alles afhankelijk is voor lichaam en ziel, voor stoffelijke en geestelijke, voor tijdelijke en eeuwige dingen. En de Christelijke Ethiek heeft een zoodanige mensch-beschouwing en psychologischen inslag, dat de mensch. altijd genomen wordt als gevallen wezen, onbekwaam tot het vervullen van zijn levensroeping, onwillig tot het houden van Gods ordeningen, daarbij schuldig in z'n ongehoorzaamheid en vijandschap voor tijd en eeuwigheid. Zoodat het dan ook noodig is, dat de mensch wordt wedergeboren door Gods Geest en Christus wordt ingelijfd, om, gemaakt tot een nieuw schepsel, als wedergeboren mensch Gods goede werken te doen en vruchten der dankbaarheid voort te brengen.
Den wedergeboren mensch, als een nieuw schepsel Gods, ingelijfd in Christus, door God herschapen tot goede werken, neemt de Christelijke Ethiek als voorwerp van beschouwing en het leven van dien nieuwen mensch (van den Christen) behandelt zij.
En zoo krijgen we als definitie: dat de Christelijke Ethiek de wetenschap is van het zedelijk leven van den Christen, dien Christen beschouwend in z'n levensroeping, levensplichten en levenshandelingen, waarbij Gods Woord steeds de norm en de maatstaf is voor alle doen en laten.
De Christelijke Ethiek houdt zich bezig met het leven van den Christen, om daarvan een beschrijving te geven, zooals het in geheel z'n omvang tegenover God en tegen den menschde, in-'t persoonlijk leven zoowel als in 't gemeenschapsleven, volgens Gods Woord, moet worden ingericht.
We moeten dan bij de Christelijke Ethiek krijgen een stelselmatige uiteenzetting van den ons geopenbaarden wil Gods, als norm en wet des levens, en een systematische uiteenzetting van 's menschen levensroeping naar alle kanten uitgaande en liggend op onderscheiden terrein voor een iegelijk onzer. Een levensleer voor den Christen.
We moeten van de Christelijke Ethiek krijgen een tot een stelsel verwerkte levensleer, waarnaar de Christen zich heeft te voegen. We moeten weten, hoe we als Christen ons leven, met al de zedelijke handelingen bij doen en laten, hebben in te richten. En we hebben er dan behoefte aan om bij de innerlijke gangen des levens, die leiden tot de daden, die naar buiten treden, telkens stil te staan. En als Christen moeten we weten en bespreken waar onze kracht ligt om den levensstrijd te strijden en onze zedelijke roeping te vervullen. Waarbij we als Christen belijden, dat we uit en van onszelf tot geen goed ding bekwaam zijn. Die ons bekwaam en gewillig maakt is God, Die gezegd heeft : „Zonder Mij kunt gij niets doen" en : „Mijne genade is u genoeg, mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht".
Het leven mag voor ons niet opgaan in allerlei leeringen van plichten of gestalten, waarbij niét tot haar recht komt de leer der Heilige Schrift, dat het onmogelijk is voor den mensch, om het goede te doen tot eere Gods, tot zegen voor zichzelf en voor z'n naaste, indien de vernieuwing des harten en de godzaligheid ontbreekt. Maar ook mag niet vergeten worden dan, dat het onmogelijk is, dat zoo wie Christus door een oprecht geloof is ingelijfd, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid en niet met lust en liefde zou wandelen naar Gods geboden, bezig zijnde in den weg van goede werken, met de belijdenis door Christus bekwaam te zijn tot alles.
We moeten geen leer huldigen, waarbij de mensch op den troon wordt gezet en 't vleesch wordt geëerd en de werkheiligheid wordt gehandhaafd. Maar we mogen ook niet leven bij allerlei leeringen, waarbij den Christen valsche lijdelijkheid zou worden aangeprezen en Gods kinderen zouden gemaakt worden tot zorgelooze en goddelooze menschen.
Is de natuurlijke mensch dood in zonden en misdaden, de nieuwe mensch is in Christus levend gemaakt en het geloof des Christens beheerscht dan het geheel onzer levens-en wereldbeschouwing, welk geloof werkzaam zal zijn in de liefde. Bij het geloof behoort de practijk der godzaligheid. Het geloof zonder de werken is een dood geloof. 2 Petrus 1 vers 8 : „Want zoo deze dingen bij u zijn en in u overvloedig, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jezus Christus". Matth. 7 vers 16, 18 : „Aan hunne vruchten zult gij hen kennen". „Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten".

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Geestelijke opbouw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken