Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geestelijke opbouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geestelijke opbouw

De Christelijke Ethiek

7 minuten leestijd

De modernist wil zoo graag de dingen, buiten de Heilige Schrift om, weten en bewijzen. Men noemt dat dan het positieve. De positivistische school weet alles. Met den microscoop heeft men alles nagespeurd, in het laboratorium heeft men alles onderzocht ; en nu weet men alles. Men kan ook alles bewijzen. En dan spreekt men van eeuwige stof en kracht ; dan vertelt men u, dat alles in den weg der evolutie, der ontwikkeling, is geworden. En triumfantelijk legt men u de wording en ontwikkeling van den mensch voor en bewijst u, dat de mensch vroeger een aap of zooiets geweest is, en dat hij nu een mensch — een ontwikkeld dier dus — is geworden. En de godsdienst van den mensch is een ontwikkelde vorm van het kwispelstaarten van den hond ; zooals dat beest gaat opzitten en pootjes geven voor 't oog van den meester, zoo knielt de mensch voor God en aanbidt een hooger Wezen.
De mensch heeft het dus wel vér gebracht. Het ontwikkeld dier-mensch mag wel trotsch zijn op z'n vorderingen. En 't is nog een dierlijke trek in z'n karakter, dat hij denkt dat er iemand boven hem is, voor wien hij zou moeten knielen en wien hij zou moeten vragen : wat moet ik doen ? Dat moet er bij den modernen mensch óók nog uit. Want een God is er niet. De mensch heeft niemand dankbaar te zijn dan zichzelf. Wanneer hij een tempel bouwt, dan moet hij een tempel bouwen voor zichzelf. Wanneer hij wierook wil branden, dan moet hij 't plengen voor zijns zelfs aangezicht.
Willem Kloos heeft indertijd zoo echt modernistisch gezegd :
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachte. En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon.
De mensch, die vroeger als een aap in 't bosch rondsprong en aan een tak van een boom hing, of ergens in een hol woonde, heeft het toch maar vér gebracht. En dat alles door de eeuwige stof en door de kracht, die in die eeuwige stof zat en zit. Zoo zijn we vooruit gegaan in de miljoenen jaren. En we vorderen nog op dien weg der ontwikkeling, van jaar tot jaar, van eeuw tot eeuw. Wel komen er van die schokkende gebeurtenissen tusschen, die alles dreigen te verwoesten, zooals bijv. de jaren van den wereldoorlog. Maar dat zijn de stuiptrekken van den mensch, die vroeger een tijger was, en soms nog van die rare sprongen kan maken. Doch dat komen we óók wel te boven, als we maar tijd van leven hebben. Dan geen haat en nijd meer, geen bloeddorst, geen oorlog. Dan een beschaafde mensdhheid op een vredige aarde. Het morgenlicht van den nieuwen, grooten dag breekt door. Wacht maar. Hebt nog maar wat geduld, 't Komt wel !
Dat weet de mensch nu allemaal. Dat kan de mensch nu allemaal bewijzen. Met den microscoop heeft hij het gezien, in het laboratorium heeft hij het alles onderzocht. Nergens heeft hij God gevonden.
Dat is de Dogmatiek van den Materialist. En z'n Ethiek is dies overeenkomstig ingericht.
God is er niet. Wetten, ordeningen Gods zijn er dus ook niet. De mensch is zelf God.
Natuurlijk weet de Materialist deze dingen niet. Natuurlijk kan de Evolutionist deze dingen niet bewijzen. Zijn microscoop en zijn laboratorium hebben hem in den steek gelaten. En zoo is het van den Materialist tenslotte net zoo goed gelooven, buiten bewijzen om, als bij den Christen.
De Materialist heeft óók z'n geloof, z'n dogma's, z'n Dogmatiek. En daar zweert hij bij.
Dat er een eeuwige stof is, ja dat gelooft hij ; dat neemt hij maar aan. Dat er eeuwige kracht is, ja dat gelooft hij ; dat neemt hij maar aan. Dat veronderstelt hij. Want wat eeuwig is, laat zich niet onder den microscoop nemen en laat zich in het laboratorium niet onderzoeken. Men heeft een en ander en dat „gegevene" onderzoekt men verder, filosofeert men wat. En die filosofische dogmatiek van den Materialist heeft heel wat dogma's, die men maar „gelooven" moet ; die men maar „onbegrepen" moet „aannemen". 'En het groote dogma is : er is geen God". Waarnaast het volgende dogma komt : „Groot is de stof en groot is de mensch".
Tegenover den mensch die alles weet — n.l. dat er geen God is, dat de stof eeuwig is, enz. — staat de Christen met z'n Bijbel en leest van het heilige blad : In den beginne schiep God den hemel en de aarde".
Dat gelooft hij.
Er is een persoonlijk God. Er is een openbaring Gods. En de Christen zegt, dat er geen stelsel der wetenschap is, dat meer bevrediging geeft voor het denken en meer vastigheid geeft aan het gelooven, dan hetgeen die eeuwige God in Zijn Woord ons geopenbaard heeft aangaande den oorsprong der dingen en bovenal van den oorsprong van den mensch.
Naast hetgeen de Materialist gelooft, zet de Christen hetgeen hij gelooft. En gaarne belijdt de Christen met de Kerk van alle eeuwen : „ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des he­mels en der aarde". De oorsprong van den mensch ligt voor den Christen in het Paradijs. Van Adam, den eersten mensch, leest hij in z'n Bijbel deze merkwaardige woorden : „Adam, de zoon van God". En dat zet voor hem den mensch in het rechte licht, wat z'n oorsprong en begin betreft ; ook wat z'n natuur en wezen aangaat; ook wat betreft z'n einde en eeuwige bestemming. En lezende in z'n Bijbel gaat voor den Christen het rechte licht op over het lichaam en over de ziel des menschen, over zijn tijdelijk bestaan hier op aarde en zijn eeuwig leven hiernamaals.
Bij 't licht der Schrift wordt den mensch de juiste plaats aangewezen. We komen dan niet tot menschverachting, want hij is een schepsel Gods. We komen dan niet tot menschvergoding, want de Heere is God en niemand meer. ?
Als Gods schepsel komt de mensch dan te staan, door God geroepen tot een taak, hem in Zijne bizondere genade toegeschikt.
Of verhaalt onze Bijbel ons niet, dat de mensch op een gansch bizondere wijze door God is geschapen ? Dat Hij, de Almachtige, bizondere zorg heeft besteed aan de schepping van den mensch, zoowel wat het lichaam als wat de ziel aangaat, zoowel wat den man als wat de vrouw betreft?
Een bizonder keurstempel ontvangt de mensch van zijn Schepper. God brengt in den mensch Zijn beelddrager, in de wereld. En voor altijd zal gelden : wie 's menschen bloed vergiet, diens bloed zal vergoten worden, want God heeft den mensch naar Zijn beeld gemaakt".
De mensch is Gods beelddrager. Dat is het wezen van den mensch. De aarde heeft den mensch niet voortgebracht. Hij is niet opgekomen uit de dierenwereld. God heeft hem geschapen. „Laat Ons menschen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis".
De mensch heeft deel aan het leven des Scheppers, is drager van een hooger leven, is onsterfelijk.
Laat het waar zijn, dat er verband is tusschen den mensch en het dier. Het verschil springt aanstonds in 't oog.
De overeenkomst, het verband stelt de Heilige Schrift met name. Alles is uit de hand van den éénen Schepper te voorschijn gekomen en de Heere schikt het zóó, daf mensch en dier op denzelfden dag zijn geschapen, dat beiden geformeerd zijn uit het stof der aarde ; ja, gaat zelfs nog veel verder en leert, dat niet alleen de mensch, maar ook het dier een ziel heeft. Een schoone opklimming zien we in de Schrift van het plantenleven tot het dierenleven, van het dierenleven tot het menschenleven. Dat er 'n gang is in 't wordingsproces aller dingen leert Gods Woord ons duidelijk. Het gaat van het lagere tot het hoogere, van het anorganische tot het organische, van hel ontzielde tot het bezielde. Maar de Heilige Schrift leert ons, dat de hand des Almachtigen dit alles formeert en dat Hij hef doet met bewustheid, naar Zijn raad en welbehagen, als de souvereine God, Die van niemand afhankelijk is en 't niet-bestaande roept en het op 't zelfde oogenblik tot het aanzijn brengt. (Wordt voortgezet)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Geestelijke opbouw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken