Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GEESTELIJKE OPBOUW

De christelijke ethiek

6 minuten leestijd

Oorsprong, wezen, levensbestemming van den mensch zijn voor hen, die aan Ethiek doen, zaken van het eerste en het grootste belang.
Wie is de mensch? vanwaar komt hij ? waar gaat hij heen ? — zijn vragen, die zeker niet achteraan komen.
En zegt de Materialist, met z'n Evolutiedogmatiek, dat de mensch is voortgekomen uit de dierenwereld en tot de familie van de apen behoort, met een toekomst als Ueber-mensch, als Koningsmensch, die als een god zal zitten op een troon in 't midden van een wereld, die langs den weg der evolutie tot de paradijsheerlijkheid zal komen — de Christen belijdt zulke héél andere dingen en leest in de Heilige Schrift van een gansch andere geschiedenis.
„In den beginne schiep God den hemel en de aarde" — is het eerste woord van den Bijbel. En in dat teeken staat nu alles.
„Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde", belijdt de Kerk van Christus in alle landen, in alle talen, door alle tijden. En van de onbewuste natuur gaat een sprake uit om hetzelfde te verkondigen, dag en nacht. „De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk ; de dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap" (Psalm 19).
Overal ziet de Christen het werk Gods. Overal staan de voetstappen des Heeren. De natuur is er vol van. De geschiedenis is er vol van. „O HEERE, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam over de gansche aarde ; Gij, die Uwe majesteit gesteld hebt boven de hemelen" (Psalm 8). Dat schept verhoudingen tusschen den mensch en God.
En de Christen zegt: „Komt, laat ons den HEERE vroolijk zingen, laat ons juichen den rotssteen onzes heils. Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof, laat ons Hem juichen met psalmen. Want de HEERE is een groot God, ja, een groot Koning boven alle goden. In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn en de hoogten der bergen zijn Zijne. Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijne handen hebben het droge geformeerd.
Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor den HEERE, die ons gemaakt heeft. Want Hij is onze God en wij zijn het volk Zijner weide en de schapen Zijner handen" (Psalm 95).
Dat is iets anders dan de Materialisten zeggen. Die zweren bij hun dogmatiek, zijnde de leer van het Evolutionisme. En naarmate hun Dogmatiek is, is ook hun Ethiek of levensleer.
Voor God is in de schepping geen plaats, voor den dienst des Héeren is dan ook geen plaats in het leven. En de moderne maatschappij zal het dan ook niet dulden straks, dat er nog kerken staan in de steden en op het platteland. De uit-de-stof voortgekomen wereld kent geen God. De uit een dier geëvolutioneerde mensch kent geen God. Hij is zichzelf tot god en tot wetgever.
In de moderne maatschappij der toekomst waar de Ueber-mensch — de boven-menschelijk ontwikkelde mensch der toekomst — den scepter zwaaien zal, zal nooit het lied gehoord worden : „Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijne goedertierenheid is in eeuwigheid. Looft den God der goden, looft den Heere der heeren. Dien die alléén groote wonderen doet ; Dien, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; Dien, die de aarde op het water uitgespannen heeft; Dien, die de groote lichten heeft gemaakt: de zon tot heerschappij op den dag, de maan en de sterren tot heerschappij in den nacht ; Dien, die de Egyptenarén geslagen heeft in hunne eerstgeborenen, en Israël uit het midden van hen met eene sterke hand en met een uitgestrekten arm uitgeleid ; Dien, die de Schelfzee in deelen deelde en Israël door het midden van dezelve voerde ; Dien, die Farao met zijn heir in de Schelfzee gestort heeft en Zijn volk door de woestijn geleid heeft. Die groote koningen geslagen heeft en heerlijke koningen gedood : Sihon, den Amoritischen koning, en Og, den koning van Basan ; Die hun land ten erve heeft gegeven, ten erve aan Zijn knecht Israël ; Die onzer gedachtig is geweest in onze vernedering en ons aan onze tegenpartijders heeft ontrukt; Die aan alle vleesch spijze geeft.
Looft den God des hemels, want Zijne goedertierenheid is in eeuwigheid" (Psalm 136).
Van zulke verhoudingen weet de Materi­alist niet. Als die wil knielen, knielt hij voor zichzelf, den konings-mensch ; en als die er nog een eeredienst op na houdt, zal het zijn om zichzelf eere te geven en te zitten op den troon Gods.
In de moderne maatschappij zal dan ook niet gehoord worden : „Heere, maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend", want de konings-mensch zal geen God boven zich dulden en naar wetten van anderen zal niet gevraagd worden ; de moderne mensch zal zichzelf tot God, tot wet­gever en Rechter zijn. In ons scheppings-geloof ligt ook ons geloof inzake onze verhouding tot God, gelijk alles wat rondom ons is van karakter verandert, wanneer wij gaan looc'henen, dat alles door God is gemaakt en door Hem wordt onderhouden en geregeerd tot op den huldigen dag. Alles verandert dan in aard en wezen. En ook de bestemming van alles, het levensdoel der dingen, bizonder van den mensch, krijgt een geheel ander karakter. Naast ons scheppingsgeloof staat onze beschouwing aangaande de verhouding van den mensch tot God, rakende het gansche leven des menschen. Hier loopen de wegen van den niet-Christen met zijn anti-christelijke geloofsovertuiging, en den Christen met zijn bijbelsch geloof uiteen. De levens- en wereldbeschouwing des menschen beslist hier. En de een wandelt in wegen, waar de mensch wetgever, rechter, koning, god is — terwijl de ander belijdt dat de Heere onze Schepper en Maker is. Die waardig is dat allen Hem dienen en liefhebben met geheel het verstand en met het gansche hart en met alle krachten.
De Heere heeft dat bedoeld in Zijn schepping, dat alles naar Zijn wetten zou luisteren, om dan in blijdschap te leven, de onbewuste en de bewuste schepping, allereerst en allermeest de mensch, dien de Heere met zoo bizondere zorg heeft geformeerd, zeggende : „Laat Ons menschen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis".
Ziet dan ook maar eens, hoe bizondere zorge de Heere besteedt aan de schepping van den mensch, zoowel wat zijn lichaam als zijn ziel aangaat
De Heilige Schrift verhaalt het ons nadrukkelijk, opdat wij er acht op zouden geven !
Of zegt Gods Woord ons niet, dat alles in de schepping heerlijk, majesteitelijk, wonderlijk is ? De Heere spreekt maar één woord en het licht is er en vindt een weg door de ruimte ; de zeeën golven met hare baren en het droge wordt gezien in de landen, die bedekt worden met een groen tapijt, terwïjl zee en aarde bevolkt wordt met allerlei gedierte, visschen, vogelen, kruipend-en viervoetig gedierte, elk naar zijn aard
Maar, daarna geschiedt er iets in het werk der schepping dat een zeldzaam keurstempel van den Schepper zal ontvangen. God zal Zijn beelddrager in de wereld inbrengen. En de mensch zal de kroon der schepping wezen, de koning der aarde, door den souvereinen God daar gesteld naar Zijn welbehagen. (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken