Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

CHRISTELIJKE ETHIEK

8 minuten leestijd

CHRISTELIJKE ETHIEK (43).
Het Orfisme geeft een beschouwing van den mensch, waarbij een klacht paste en een bede hoorde, zooals Paulus die doet vernemen : „ik ellendig mensch — wie zal mij verlossen van het lichaam des doods". Want het Orfisme weet van een tweemensch ; van men mensch met een boos beginsel, verwant aan booze machten (Titanen) en een goed beginsel, verwant aan God (Dionysus of Zagreus). En die tweemensch, waarbij de ziel zich voelt opgesloten in den kerker van het lichaam — geest staat tegenover  ziel —uit den weg van cultische plechtigheden en religieuse reinigingen en wasschingen, het onheilige en booze uit te zuiveren en te overwinnen en het goede te sterken en tot volmaking te brengen, om ten slotte — en dat geldt bij de Orfische Mysteriën voor „de ingewijden" — van mensch over te gaan tot God. (Denk in dit verband aan het Boeddhisme, Theosophie, Spiritisme enz.).
De beschouwing van den mensch (anthropologie) en de Godsbeschouwing (theologie) beheerschen hier dus ook weer de Ethiek of levensleer. De levensbeginselen en de levenshandelingen, met de wetten en voorschriften voor het zedelijk leven in doen en laten, worden aangegeven en beïnvloed door de religieuse wereld-en levensbeschouwing.
Die Hellenistische mystiek van het Orfisme, met de cultische handelingen bij den eeredienst en de reinigende plechtigheden bij de samenkomsten, waaruit de levensleer der oude Grieken — die deze verborgenheden of mysteriën zochten — werd opgebouwd, heeft men meenen terug te vinden bij Paulus, den grooten heidenapostel, van wien het woord afkomstig is „den Grieken ben ik een Griek geworden". Én men zag daarin dan een afwijking van 't oorspronkelijke Christendom. Men wijst dan op de beschouwing van Paulus aangaande den mensch — „ik ellendig mensch" —, in wien de zucht naar het kwade en de begeerte naar het goede is — „als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij" —, terwijl dan in den weg van Doop en Avondmaal — zegt men - -het middel wordt geboden om aan het kwade te sterven en tot het goede op te staan en zoo in den weg van heiligmaking één plant te worden met Christus, enz. Zóó zou Paulus — zegt men — de leeringen van het Grieksch-heidensch Orfisme, n.l. om door heliige handelingen en geheimzinnige, mysterieuse, reinigende plechtigheden van een boos mensch tot een goeden God te worden, overgebracht hebben op het terrein van de Christelijke Kerk. Grieksche filosofie in de plaats van het Christelijk geloof stellend !
Wanneer dr. P. Boenderman in zijn bovengenoemde studie (proefschrift): „Paulus en het Orfisme" dit probleem behandelt, wijst hij deze gewaagde conclusie ten opzichte van Paulus leer af. Het ligt voor de hand, dat Paulus van de Grieksche Wijsbegeerte, gelijk van het Grieksche leven, kennis droeg (hoewel Paulus volstrekt niet den indruk maakt van een Griekschfilosoof te zijn) en ook op de hoogte was van de populair-filosofische beschouwingen, welke Orfische gedachten bevat hebben, die zich in de ontwikkeling van 't Grieksche denken een eigen plaats hebben veroverd. Maar wat Paulus leert is zóó totaal, zóó beslist anders, dat er een radicaal onderscheid is tusschen het Orfisme met z'n anthropologie (leer aangaande den mensch) en theologie (leer aangaande God) en soteriologie (verlossingsleer) en het Christendom.
Dat het in diepsten grond over dezelfde problemen gaat: vleesch en geest, lichaam en ziel, zonde en onreinheid, verlossing en bevrijding, heden en toekomst, dood en eeuwigheid. God en mensch, enz. enz., mag ons niet verwonderen. Komen we niet allen voort uit de hand van onzen Schepper ? Zijn we niet allen geschapen goed en recht, naar Gods beeld en gelijkenis ? Hebben we niet allen, in het eerste menschenpaar begrepen, met God gewandeld, Hem kennende tot vreugde en vrede ? Zijn we niet allen eeuwigheidsmenschen ? Zijn we niet allen, in ons aller vader en moeder, Adam en Eva, in zonde gevallen en daardoor vervuld met erfzonde, erfschuld en erfsmet, wat ons diep ellendig doet zijn, gebroken en verloren, waarbij ons harte in ons onrustig is, zoekende God onzen Schepper weer terug te mogen vinden, terwijl we van nature allen overal mistasten met een verdwaasd en vijandig hart ?
Val en verlossing, zonde en verzoening, niet de filosofie, de wijsbegeerte, uitgedacht. Dat is er, krachtens de schepping en wat er verder is geschied. Maar de volkeren, die aan de bijzondere Godsopenbaring, In Zijn Woord en in Christus ons geschonken (Hebr. 1 vers 1) ontzonken zijn, en ver daarvan verwijderd leven, zoeken en tasten, met dezelfde dingen bezig zijnde, of zij het ook elders vinden mochten, doch bewijzen telkens, dat de mensch van nature het schepsel eere geeft boven den Schepper. Verdoezelen van het kwaad en veranderen van de verlossing — vindt men overal. En het radicale onderscheid tusschen het Orfisme met z'n anthropologie en theologie — en het Christendom met z'n zondeleer en verlossingsevangelie, springt in het oog. De Griek zoekt zelfverlossing en zaait in het vleesch, de Christen mag weten van de verlossing Gods in Christus Jezus, om te mogen leven door den Geest. Het een tot verderfenis, het ander tot zaligheid.
Het verhaal van Zagreus (of Dionysius) óf het verhaal van Christus ; het verhaal van de schepping van den mensch en zijn twee-slachtige natuur bij het Or f isme óf wat Gods Woord ons leert van schepping, val, erfzonde, enz.; de weg der reiniging en bevrijding in den weg van cultische handelingen en reinigende mysterieuse plechtigheden bij het Orfisme, óf wat het Christendom leert aangaande wedergeboorte, verzoening en verlossing door het geloof in Jezus Christus, met de leer van de Sacramenten van Doop en Avondmaal tot bevestiging van Gods genadeverbond en versterking des geloofs enz. in de reiniging des bloeds van Christus en des Geestes — wat is alles totaal anders! Zoodat het in beginsel zelfs niet met elkaar te - vergelijken is, al raakt het dezelfde geestelijke problemen.
Het heidensch ascetisme van het Orfisme, om in den weg van cultische handelingen en reinigende plechtigheden tot een soort extase of verrukking, tot een visionairen toestand, en daardoor tot onmiddellijk rapport met het hoogere en straks tot totale bevrijding te komen en op te gaan in het goddelijke — is gansch iets anders dan het geheiligd Christendom van Paulus, met de prediking van Hem, die gestorven is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
Wat is het Christelijk geloof met de leer der Sacramenten gansch andersoortig dan de geheimzirmige, mysterieuse, cultische leeringen en plechtigheden van 't Grieksch Orfisme !
Het Christelijk geloof is : niet alleen het voor waarachtig houden wat God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn harte werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit loutere genade, alleen om den wille van de verdienste van Christus. (Zondag 7).
Waarbij de leer van de Sacramenten komt, met de belijdenis des Christens, dat „niet het uiterlijk waterbad" (bij den Doop) „de afwassching der zonden zelve is", „want alleen het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonden". (Zondag 27).
Noemt dan de Heilige Geest den Doop „het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden", dan is dat zeer zeker met heilige en heerlijke bedoeling. Want de Heilige Geest wil ons daarmee dan leeren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water wordt weggenomen, alzoo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus weggenomen worden. Maar dat niet alleen. Door het Goddelijk pand en waarteeken wil de Heilige Geest ons veel meer nog verzekeren, dat wij zoo waarachtig van onze zonden gewasschen zijn, als wij uitwendig met het water gewasschen worden". (Zondag 27).
En wat van den Doop geldt, geldt eveneens het Avondmaal. Dat is een heilige plechtigheid in het midden van Gods gemeente en. Christus' Kerk, maar het heeft niets van de cultische handelingen en reinigende plechtigheden van de Orfische Mysteriën. Gelijk over den Doop gesproken is, wordt ook gesproken over het Avondmaal door den Catechismus. Het is alles in den Doop een afwijzen van het water naar het bloed van Christus, en eveneens bij het Avondmaal een afwijzen van het brood en van den wijn naar de verdienende oorzaak van het lijden en sterven van Slons Borg en Middelaar.
Zoo lezen we in Zondag 28 : „dat Christus mij en allen geloovigen tot Zijne gedachtenis van dit gebroken brood te eten en van dezen drinkbeker te drinken bevolen heeft. En daarbij ook beloofd heeft : eerstelijk, dat Zijn lichaam zóó zekerlijk voor mij aan het kruis geofferd en gebroken, en Zijn bloed voor mij vergoten is, als ik met de oogen zie, dat het brood des Heeren mij gebroken en de drinkbeker mij medegedeeld wordt. En ten andere, dat Hij Zelf mijne ziel met Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed zóó zekerlijk tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik het brood en den drinkbeker des Heeren (als zekere waarteekenen des lichaams en bloeds van Christus) uit des dienaars hand ontvang en met den mond geniet". (Zondag 28).
Bij het Christendom is alles begrepen in Jezus Christus en dien gekruisigd, als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker en Borg. Alles gaat in den weg des geloofs. Alles gaat in den weg des Geestes. En zoo is het voor een arm zondaarsvolk „uit God en door God en tot God" — Wien heerlijkheid en eere toekomt tot in eeuwigheid.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1931

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken