Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE NEDERLANDSCHE GELOOFSBELIJDENIS.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE NEDERLANDSCHE GELOOFSBELIJDENIS.

7 minuten leestijd

1. Vraag : Wie is de opsteller van de Ned. Geloofsbelijdenis en uit welken tijd dateert zij ?
Antwoord : De Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 37 artikelen (korte verhandelingen), sedert de Synode van Dordt 1618— '19 de belijdenis onzer Geref. Kerk, is opgesteld door Guido de Brés (1522—1567), een Waalsch predikant uit de Zuidelijke-Nederlanden.

2. Vraag : Kunt ge eenige bizonderheden uit het leven van Guido de Brés (ook wel de Bray geheeten) noemen ?
Antwoord : In 1522 in Bergen in Henegouwen (Zuidelijke-Nederlanden) geboren uit Roomsche ouders is hij ruim 20 jaar oud zijnde tot de Gereformeerde Kerk overgegaan en heeft een zeer zwervend leven gehad, waardoor hij met andere Gereformeerde Kerken in aanraking gekomen is en met vele voormannen der: Reformatie in aanraking is gekomen.

3. Vraag : Waar is het verblijf van Guido de Brés zoo al geweest, nadat hij met „de nieuwe leer" in aanraking was gekomen?
Antwoord : In Londen (1547—'52) heeft hij o.a. Johannes a Lasco, Utenhove en Petrus Datheen ontmoet. Hier kon hij kennis maken met een geregeld kerkelijk leven, met een geordende Kerkinrichting door a Lasco ingevoerd. Hij heeft hier ook waarschijnlijk de in 1551 gedrukte Londensche Belijdenis leeren kennen.

4. Vraag : Waarom gaat Guido de Brés van Londen weer naar 't vaste land en wel naar de Zuidelijke-Nederlanden (België) ? Antwoord. Vóór dat de Roomsche Maria (1553—1558) haar bloedige regeering over Engeland aanvaardde, keerde Guido de Brés naar zijn vaderland terug, gehoord hebbende, dat men meer en meer in Zuid-Nederland naar het Evangelie begon te vragen. Te Rijssel (België) vertoefde hij (1552—'56), waar hij een heftigen strijd te voeren kreeg met de wilde, onbesuisde en onschriftuurlijke Wederdoopers, die de wereld aan haar lot wilden overlaten (Doopersche mijding) en een aardsch paradijs (Rijk van Sion) zich droomden; die de aardsche Overheden en Machten verwierpen en een soort christelijk (? ) Communisme leerden (gemeenschap van goederen, gemeenschap van vrouwen ; de Naaktloopers later enz.). De ervaringen met de Wederdoopers (Anabaptisten) vormde hem meer en meer voor zijn lateren arbeid.

5. Vraag : Hoe zijn de zwerftochten van Guido de Brés verder ?
Antwoord. Door een vervolging, die over Rijssel losbarstte, moest hij vluchten en hij gaat dan waarschijnlijk naar Frankfort a.M. Daar (in Duitschland) krijgt hij a Lasco weer te ontmoeten en mag daar óók kennis maken met den grooten Hervormer Calvijn. Ook hier krijgt hij te doen met geestdrijvers, die den Bijbel een „afschuwelijken afgod" noemden en leerden, dat zij het Woord Gods in hun hart hadden (inwendig licht). In 1557 gaat hij naar Zwitserland en zal te Geneve wel als 35jarige student aan de voeten van Calvijn hebben gezeten.

Te Doornik (1559—'61) en Valenciennes ('61—'67), in 't landschap Vlaanderen, is hij ons 't laatst bekend, in welke tweede stad hij dan in 't jaar 1567 ter galg wordt verwezen, een getrouw getuige geweest zijnde van de Waarheid die naar het Evangelie is, onmisbaar ter zaligheid. (In zijn laatsten brief aan zijn moeder, 19 Mei 1567, noemt hij zichzelf : „gevangen om Jezus Christus, den Zone Gods").

6. Vraag : Wanneer heeft Guido de Brés de Ned. Gel. bel. opgesteld ?
Antwoord : De jaren van de Brés' verblijf te Doornik (1559—'61) zijn de jaren, waarin de Belijdenis vervaardigd werd. Eerst is zij in de Fransche taal opgesteld (Zuidelijke Nederlanden) en in 1561 in het Nederlandsch overgezet en publiek gemaakt.

7. Vraag : Wat was het naaste doel bij de opstelling ?
Antwoord : De Overheden, door de alleen zaligmakende Kerk van Rome opgestookt, vervolgden de Gereformeerden. Gansch de Reformatie werd als een Doopersche uitspatting beschouwd. En omdat de snel hier opkomende Doopersche beweging (vooral na 1530) in ongebondenheid uitsloeg, met verzet tegen de Overheid, had Rome vrij spel om van de Reformatie allerlei kwaads te vertellen. De oproerige nieuwlichters moesten met vuur en zwaard worden vervolgd en uitgeroeid !
En daarom spreekt dan Guido de Brés, wiens ziele met de Gereformeerde Kerk leed, mede uit naam van vele duizenden en tienduizenden, tot den Koning en de Overheden : Gij vergist U in ons — met de Dooperschen hebben wij niets gemeen — wilt Gij weten wie wij zijn en wat wij willen : ziet hier onze Geloofsbelijdenis — leest !

8. Vraag : Aan wien werd de Ned. Gel. bel. toegezonden ?
Antwoord : Aan den „onverwinnelicken Koninck Philippus", zijnde „de overste Heere", opdat hij zoude weten wat men geloofde ; en opdat de „Rechters" een gegrond oordeel over de Gereformeerden zouden kunnen vellen.

9. Vraag : Aan wie is de Ned. Gel. bel. nog meer voorgelegd ?
Antwoord : In den nacht van 1 op 2 November 1561 is een gedrukt exemplaar, met een begeleidend schrijven van de hand van Guido de Brés, in den tuin van de Landvoogdes geworpen. Mee uit dezen brief blijkt, dat Guido de Brés de eigenlijke opsteller van de Belijdenis is. Ook werden 20 Januari '62 op zijn studeerkamer 200 ex. van de gedrukte Belijdenis door den vijand gevonden.

10. Vraag : Welke woorden kwamen voor in het begeleidend schrijven van Guido de Brés, dat bij de Belijdenis gevoegd was ?
Antwoord : „Vóór men tegen ons woedt, behoort men aan te toonen hoe wij ketters zijn, of hoe wij dwalen in het geloof — en ons door teksten uit den Bijbel te overtuigen". En verder : „Wij verzekeren U, Sire ! dat in Uwe Nederlanden méér dan 100.000 man zijn, houdende en volgende den godsdienst, waarvan wij U de Belijdenis aanbieden die slechts begeeren aan te toonen dat hun leer is gefondeerd op den eenigen rotssteen, welke is Jezus Christus".

11. Vraag : Waarom ging men niet persoonlijk tot den Koning om zich te verantwoorden ?
Antwoord : In het begeleidend schrijven van Guido de Brés lezen we o.a. dit: „Ware het ons gegund, o Sire, ons voor Uwe Majesteit te stellen, ten einde ons te verdedigen in zake de misdaden, waarmede men ons bezwaart — en de billijkheid onzer zaak te toonen, wij zouden dit geheime middel niet zoeken om U de zuchting van Uw volk te doen hooren door een stemmeloos request of geschreven Confessie. Maar wijl onze vijanden U de ooren hebben vervuld met zooveel valsche berichten, dat wij niet alleen belet worden voor Uw aangezicht te komen, maar ook verjaagd worden uit Uwe landen, vermoord en verbrand aan iedere plaats, waar men ons vindt — verleen ons daarom, o Sire! in 's Heeren Naam — wat geen mensch aan de beesten kan weigeren — : ons klagelijk geroep als zéér uit de verte te hooren, opdat, wanneer Uwe Majesteit ons gehoord heeft en ons schuldig bevindt, de vuren worden verdubbeld in Uw Koninkrijk, de helsche pijnen en folteringen vermenigvuldigd. — Maar daarentegen, wanneer onze onschuld U openbaar is, wij U ten steun en toevlucht hebben tegen het geweld onzer vijanden".

12. Vraag : Wat wilde men dus duidelijk maken in de Ned. Gel. bel. ?
Antwoord : Tegenover de Overheden en de buitenwereld wilde men zich verdedigen tegen valsche beschuldigingen. Men wilde kort, krachtig, duidelijk in 37 Artikelen of Verhandelingen, welke tot één geheel waren saamgevoegd, verklaren en uitspreken : wij willen den Heere dienen naar Zijn Woord. Waarbij men wilde doen uitkomen : wij hebben niets gemeen met de muitende en oproerige Wederdoopers, die vooral sinds 1530 met hun revolutionair bedrijf zijn opgetreden, verwerpende de Overheid en predikende een gemeenschap van goederen. (Zie b.v. Art. 36). De Ned. Gel. bel. is een Verweerschrift.

Vraag : Wat bedoelde men nog méér dan een Verweerschrift tegenover de buitenwereld te geven ?
Antwoord : De Gereformeerden wilden onder elkander zeggen : laat ons in deze dingen één zijn, want aan deze dingen is de eere Gods, de zaligheid onzer zielen en de welstand van Christus' Kerk verbonden. Zoo is de Ned. Gel. bel. naast een Verweerschrift, een formulier van eenigheid in het geloof.
Naar buiten staat de Nederlandsche Geloofsbelijdenis gekeerd in helder betoog en krachtig verweer — en naar binnen streng afteekenend wat de Schriftuurlijke Waarheid is voor de Kerk van Christus in leer en leven.
De Nederlandsche Geloofsbelijdenis is de geboorteacte der Hervormde religie en is de eerste authenthieke oorkonde van de beginselen en het karakter der Nederlandsche Hervormde Kerk, die als Gereformeerde, d.i. van Rome's dwalingen gezuiverde Kerk, naar uitwijzen van Gods Woord wenschte te leven, „gefondeerd op den eenigen rotssteen, welke is Jezus Christus".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 14 April 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

DE NEDERLANDSCHE GELOOFSBELIJDENIS.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 14 April 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken