Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS.

11 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden).
IV.

Van oude tijden af werd het in de kerk reeds verkondigd, zooals het ook in artikel 2 onzer Belijdenis geschreven staat, dat God gekend wordt uit de Natuur en uit de Schriftuur. De Vaderen, met name Calvijn, hadden een diepen indruk van de majesteit en de heerlijkheid Gods, zooals zij zich in de natuur voor ons ontvouwt. Zoo spreekt ook onze Belijdenis van haar als van „een schoon boek, waarin alle schepselen, groote en kleine, als letters zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen". Doch zooals wij in het natuurlijke leven om een boek te lezen niet alleen een boek behoeven, maar ook oogen om te zien en eene rede om het geziene in zulk een verband te stellen, dat het vereenigd wordt tot het woord te midden der woorden, die den zin vormen en er dus voor deze redewerkzaamheid eene rede onmisbaar is, die tot lezen in staat stelt, zoo is het nu ook met den mensch, wanneer hij staat te midden der natuur. De dieren zien deze natuur ook, hebben met hun dier bewustzijn ook oogen, maar zij lezen die natuur niet zooals de mensch deze leest, omdat zij de rede derven. Daarom heeft de apostel Johannes dan ook van de menschen gezegd in hunne verhouding tot het eeuwig Woord, dat was bij God en God was : in hetzelve was het leven en het leven was het licht der menschen. In den mensch klimt dat leven tot dat wondere licht, dat in ons is en schijnt in ons bewustzijn als een levenslicht, zooals dit bij geen ander schepsel aangetroffen wordt. Vanwege die hooge en edele gaven, die de mensch deelachtig is, omdat hij, in onderscheiding der dieren, naar Gods beeld geschapen werd, kan hij eene Godskennis verwerven en bij zijne aanschouwiiig der natuur indrukken deelachtig worden, die hem in staat stellen den Schepper te onderkennen in de werken Zijner handen. Van een kennis Gods uit het boek der Natuur kan er dus daarom slechts sprake zijn, omdat in de menschenziel zelve, die ook Gods schepsel is, een onmiddellijk door God zelf daarin gelegd vervlogen tot Zijne kennis leeft. In den mensch van nature is er eene openbaring werkzaam, waardoor hij een zaad der religie in zich draagt, een gevoel, dat getuigt van het goddelijk Wezen, een Godsbesef, dat hem in de schepselen Gods werkzaamheid doet speuren.
Onze Vaderen legden er bovendien nadruk op, dat ook de mensch naar zijn lichamelijk wezen daarop was aangelegd. De Mensch alleen is naar zijn lichaam zóó gebouwd, dat hij zijn aangezicht opheft naar den hemel. Hij gaat rechtop, het gelaat als gewend naar de bronnen van alle licht en leven. Zijne koninklijke heerlijkheid openbaart hij in de formatie zijner gestalte, die Afwijst van deze aarde en hem voorbestemt tot een welbewust zoeken van het goddelijk aangezicht. Heel ons lichamelijk verschijnen wijst ons hemelwaarts, verkon­digt ons den adellijken oorsprong van ons geslacht, onze heilige roeping te wandelen in een eeuwigheidslicht, onze schoone eindbestemming in eeuwige heerlijkheid.
Zoo is er dus van nature bij de menschen eene rijkere of armere kennis Gods, maar toch altijd een lichtend spoor, dat getuigt van hetgeen wij waren en genoten in den staat der rechtheid en dat een heimwee oproept naar een steeds grooter en dieper genieten van Zijne gemeenschap, naar een steeds klaarder, zelfbewuster lezen van Zijn Naam. Maar als zulks van nature reeds zóó is, hoeveel volkomener, rijker, hooger opklimmend en dieper afdalend, zal dan deze kennis zijn, zoodra des menschen hart wordt herboren uit den Heiligen Geest, zooals de koninklijke zanger van dezen psalm. Hij ging uit in de stilte van den nacht, schouwde het ontroerend schoone firmament, dat zich boven hem welfde met zijn ster-tapijt en zijne ziel aanbad Gods heerlijkheid, die daarboven hem geschreven stond met onuitwischbaar vlammend schrift. Ook de psalmdichter had alzoo in de natuur een Woord van God, dat in de hemelen boven hem ontsloten was, een Woord, welks sprake tot hem uitging in de duisternis der nachten, zoowel als in de lichtzee des daags, wanneer het richtsnoer uitging over de gansche aarde en hunne redenen beluisterd werden aan het einde der wereld. En zoo neemt de door Gods Geest verlichte zanger ons mede naar de vlakte des velds, hij vat ons als bij de hand en leidt ons uit buiten het gewoel der menschen en brengt ons tot onszelven te midden dezer eenzaamheid der natuur en daarin tot de gemeenschap met God. En alzoo roept hij ons op tot een beluisteren der stemme des Heeren, zooals zij weerklinkt in de hoogste hemelen en zooals zij ruischt met macht, wanneer de stormwinden bulderen of de zachte koelte ritselt door de blaren.
„De hemelen", zoo zegt hij, „vertellen Gods eer". En dan denkt hij allereerst aan den dampkring, aan de lucht, waarin wij ademen en die wij aanschouwen met ons oog, als het diepe, reine blauw zich welft daarboven ons op den wolkenloozen middag, of ook wanneer dreigend het zwerk op ons neerziet, wanneer donkere luchten zelfs de vogels verschrikken en doen zwijgen, of de wolken zich optorenen als verhieven zich berggevaarten boven ons. Ja, in dat alles beluisterde de heilige zanger het Woord, dat in de schepping uitgaat over Gods lippen, dat de hemelen gemaakt heeft of hun heir heeft geroepen door den Geest Zijns monds.
Zoo aanschouwden de mannen Gods met hunne oogen, zoo beluisterden zij met hunne ooren het Woord des Almachtigen in de luchten daarboven en aanbaden zij en riepen zij op tot aanbidding. Denk slechts, hoe diezelfde profetische zanger „de kinderen der machtigen" gebiedt den Heere te geven eere en sterkte, de eere ook Zijns Naams, hoe hij ons wenkt om te luisteren naar de stem des Heeren, die op de wateren is als de God der eere dondert en verschijnt op de groote wateren. Of ook herinner u, hoe Nahum zegt: des Heeren weg is in wervelwind en in storm en de wolken zijn het stof Zijner voeten. Den Heere zelven zag hij in deze scheppingen der luchten boven hem. Hij bleef niet staan bij die vervenpraal van den hemel, bij het bulderen van den wind, bij de fijne dropjes, die als stof ter aarde vallen, maar hij kende dit alles, waardeerde het alles als schepselen, waarin Gods eigen hand zich openbaren kwam. En Mozes, de man Gods, heeft hij niet onder den druk van Gods heerlijkheid gezongen : Niemand is er gelijk God, o Jeschurun ! die op den hemel vaart tot uwe hulp en met Zijne hoogheid op de bovenste wolken ?
Zoo hebben dus Gods profeten de hemelen aanschouwd en beluisterd en daarin gelezen en gehoord de stemme des Heeren, wiens heerlijkheid verkondigd werd. En zij hebben, door zyne grootheid overweldigd, hunne knieën gebogen geheel anders dan de heidenen, die de machten der natuur zelve aanbaden. Gods zieners en zangers, zij bleven niet staan bij de schepselen, hoe groot ook en schoon, hoe vreeselijk ook en dreigend, maar zy kwamen door al deze natuurverschijnselen heen tot den levenden God zelven, die er Zich door openbaart. Zij kenden deze alle als schepselen, die Zijne nabijheid aankondigden, die Hem voorafgingen en volgden. En als dan ook Mozes een diep gevoelde behoefte kent aan de leidende nabijheid Gods, als hij met Hem worstelt om Gods weg te mogen weten en smeekt „doe ons van hier niet optrekken", indien uw aangezicht niet zal medegaan, en hij wil een teeken, dan krijgt hij een teeken, want hij had genade gevonden in Gods oogen. En dan vraagt hij : Toon mij nu Uwe heerlijkheid. Doch het antwoord luidde : Ik zal al mijne goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan en den Naam des Heeren uitroepen voor uw aangezicht. Hij mag dan hooren van Gods souvereine genade, dewijl Hij Zich zal ontfermen over wien Hij Zich ontfermen zal, maar hij moet ook hooren : Gij zoudt mijn aangezicht niet kunnen zien, want Mij zal geen mensch zien en leven. En dan wordt Mozes op de steenrots geplaatst en als des Heeren heerlijkheid voorbijgaat, wordt hij gezet in een kloof der steenrots en als de Heere zal voorbijgaan, wordt hij door die wondere hand overdekt en als die hand is weggenomen, „zoo zult gij mijn achterste deelen zien ; maar mijn aangezicht zal niet gezien worden". De Heere God laat slechts van Zijne heerlijkheid uitstralen, maar zijn Wezen zelf kan geen mensch zien, omdat er tusschen God en het schepsel een oneindige afstand is. De Heere wil Zich, om van Zijn Wezen iets te openbaren, aanpassen bij onze schepselmatige eindigheid. Hij geeft Zich aan ons te vermoeden, laat Zich benaderen door beseffen, door het tasten der ziel, door haar opstreven tot Hem, dewijl wij schepsel zijn. En zoo is ook de gansche natuur en elk natuurwezen, groot .en klein, als de albasten schaal, waardoor het licht schijnt, waardoor het zijn glans laat uitstroomen, zonder dat toch het licht zelf wordt ontdekt. Maar Zijne openbaring In de natuur, zooals zij daar staat voor den natuurlijken mensch, is toch zoo duidelijk, dat nergens ter wereld de menschenziel zich er voor heeft kunnen sluiten. Zij moet Gods sprake beluisteren, de indrukken ondergaan van Zijne majesteit en heerlijkheid reeds in hetgeen de hemelen ons te aanschouwen geven in den dampkring, waarin wij ademen.
En in nog veel hoogere mate wordt die openbaring van Gods scheppend vermogen ons voorgesteld in het firmament, in de oneindigheid der spheren, die zich ontsluit voor ons oog. En toch, al kunnen wij menschen het ons nimmer anders denken dan dat buiten die wondere mysterieuse ruimten weder andere ruimten zijn, de ervaringswetenschap leert, dat ook dat firmament zijne schepselmatige grenzen heeft. Voor ons oog en voor ons voorstellingsvermogen moge het onmetelijk zijn en de sterrekundigen mogen om zich afstanden in den hemel denkbaar te maken, wondere maten bedenken, zij mogen spreken van lichtjaren, die tot honderden millioenen worden opgevoerd om de onvoorstelbare afstanden onder een schijnsel van maat te brengen; myriaden zonnen mogen het sterren-heelal doorwandelen, milliarden hemellichamen zich in onzen tijd voor den mensch hebben ontdekt, toch zijn zij niet oneindig in getal. Een Abraham, door den Heere zelven uitgeleid naar buiten op de vlakte des velds onder den nachtelijken hemel, moest wel opzien en de sterren tellen, indien hij ze tellen kon, moest wel zijn onvermogen belijden en onder God buigen en in den Heere gelooven met een geloof, dat hem tot gerechtigheid gerekend werd. Doch de sterren zijn niet ontelbaar, omdat zij oneindig in aantal zijn, maar slechts omdat zij ons telvermogen te boven gaan. Van den Heere staat immers geschreven : Hij telt het getal der sterren ; Hij noemt ze allen bij namen (Psalm 147 : 3) en Jesaja roept ons toe : Heft uwe oogen op omhoog en ziet wie deze dingen geschapen heeft; die in getal hun heir voortbrengt, die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van ver­ mogen is, er wordt er niet één gemist. Voor den Heere zijn zij dus niet oneindig In aantal, zijn de hemelen niet onmetelijk, maar slechts Zijne schepselen en daarom eindig. Hoe wonderbaar groot ook de oneindige ruimten des hemels zijn voor ons eindig menschenverstand, hoe ver ook te boven gaand zelfs de vlucht van ons denken en alle hulpmiddelen, waarover de mensch beschikt, zij zijn in de oogen des Heeren als de stofkens, die zweven door de lichtbanen der zon.
nu is dit juist zoo opmerkenswaardig, dat de moderne wetenschap ons een inzicht ontsloten heeft in den bouw en de samenstelling van het heelal, zooals voorbijgegane eeuwen dit niet hebben gekend. En diezelfde moderne wetenschap heeft ook een inzicht ontsloten in den bouw en de samenstelling der wereld van het oneindig kleine, van de stofkens der wereld van welker aanvang de Spreukendichter getuigt (Spr. 8 VS. 26). En de moderne wetenschap leert, dat in de wereld van het oneindig groote zoowel als in die van het oneindig kleine het alles geformeerd werd naar ééne zelfde vaste wet. Daarom kon de door Gods Geest verlichte Salomo buiten heel deze moderne wetenschap om reeds van de Wijsheid des Almachtigen getuigen : „de Heere bezat mij in het beginsel Zijns wegs, vóór Zijne werken, van toen aan. Ik was geboren, toen Hij de aarde nog niet gemaakt had, noch de velden, noch den ''aanvang'' van de stofkens der wereld". In al Gods scheppingswerk was die Wijsheid de voedsterling Gods en Zijne vermakingen te aller tijd spelende voor Zijn aangezicht.
En daarom kon de gewijde zanger niet ongeroerd opzien naar de hemelen, maar schouwde hij in het nachtelijk firmament de wondere wijsheid Gods, de oneindige grootheid van Zijn scheppend vermogen en beluisterde hij ook den jubel, die ruischte door de spheren en hem deed grijpen naar de harp om aan Gods gemeente de eeuwen door op de lippen te leggen : de hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken