Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

10 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden).
XIII.

De Heere Jezus zeide tot de Samaritaansche, toen zij Hem vroeg over de plaats der aanbidding, dat de dag zou komen, waarop de vraag naar die plaats geheel ondergeschikt zou zijn aan de waarachtigheid der aanbidding. De ware aanbidders zullen den Vader aanbidden in geest en waarheid. Zulke aanbidders zoekt de Vader. En daarbij was de plaats, die de menschen destijds en ook nu nog dikwijls van zoo groot belang achten, van volkomen ondergeschikte beteekenis. Om dit te verklaren zegt de Heere Jezus: „God is een Geest, die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid". Hij is de eeuwige Geest, die aan geene schepselmatige beperktheid onderworpen is en die dus als het geestelijk Wezen ook voor de aanbidding aan geene plaats kan worden gebonden, daar Hij als de alomtegenwoordige kan worden gezocht en gevonden overal, waar een arm schepsel tot Hem roept. Hij neigt Zijne ooren zelfs tot de jonge raven, als zij roepen, want Hij is aan alle plaats, nabij elk schepsel, want in Hem leven en bewegen zij zich allen zonder onderscheid.
Het is merkwaardig, dat het geest-zijn van het goddelijke Wezen aan de wijsgeeren der Oudheid nauwlijks in den volstrekten zin, zooals de Heere Jezus het ons leert, is bekend geweest. De meeste oude philosophen verstonden onder „geest" een zeer fijne stof, een wezen dus, dat niet volstrekt immaterieel was. Van zijne onbegrensdheid, van zijn eigen karakter in onderscheiding van alle andere dingen, ook van zijne redelijkheid als beginsel van wereldordening, waren zij overtuigd. Ook wisten zij van hem als oorzaak en grond der beweging, die in de natuur wordt waargenomen, zy kenden hem zelfs alwetendheid en almacht toe. Plato erkende hem als eene wereldrede en voor Aristoteles was hij de hoogste energie, het denkprincipe en als zoodanig onvergankelijk en goddelijk. Maar tot de kennis van het waarachtig goddelijk Wezen als den eeuwigen Geest kwamen zij niet. Het wezen des geestes bleef voor verreweg de meesten gebonden aan een stoffelijken grond. Zoozeer was het menschelijk bewustzijn in dat stoffelijk zijn van den geest bevangen, dat zelfs een zoo beroemd Christen-denker als Tertullianus nog sprak over den geest als over een lichamelijk wezen van eigen orde, als een fijne stof. Alleen de Heere Jezus Christus heeft ons het goddelijke Wezen in Zijn volstrekt geestelijk, absoluut onstoffelijk, karakter geopenbaard. Hij heeft het in Zijn gesprek met de Samaritaansche duidelijk aangewezen, om deze vrouw en daarmede Zijne gansche gemeente te bevrijden van al die ongoddelijke, creatuurlijke voorstellingen, die de wenschen de eeuwen door zich van het Goddelijk Wezen hebben geformeerd in hun afgodendiensten, waarin het schepsel geëerd en gediend werd boven den Schepper, die alleen te prijzen is in der eeuwigheid.
In Gods Woord echter wordt reeds in het Oude Verbond de geestelijke Wezenheid Gods gekend. Daarom vroeg reeds de psalmdichter : Waar zou ik heengaan voor Uwen Geest ? en waar zoude ik heenvlieden voor Uw aangezicht ? Zoo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar ; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar ! Reeds tot Mozes werd gezegd: Gij zoudt mijn aangezicht niet kunnen zien ; want Mij zal geen mensch zien en leven. Dat geestelijk zijn van Gods Wezen heeft de Heere dus diep in de ziel van Zijn Kerk ingegrift, opdat zij niet aardschelijk en ook niet schepselmatig dus van Hem zou denken. Maar dat heeft niet verhinderd, dat de Heere zelve om Zijne kinderen te onderwijzen, maar al te dikwijls Zich in Zijne ontfermende liefde zoo diep tot ons heeft nedergebogen, dat Hij in onze eindige schepselmatigheid afgedaald is en Zich als het ware heeft aangepast bij ons menschelijk bewustzijn, opdat wij Zijne woorden zouden kunnen verstaan. Zonder deze nederbuigende liefde Gods was er van geene openbaring sprake. Indien de Heere niet in menschelijke vormen tot de menschheid had gesproken, geen mensch zou ooit in staat zijn geweest van Zijne woorden iets te verstaan. En zoo wordt dan ook door den psalmdichter, als hij in het uitspansel en zijne schoonheid het werk van den eeuwigen Schepper ontdekt, daarin een gewrocht onderkend van Gods hand. De hand van den eeuwigen Kunstenaar had het voortgebracht niet alleen, maar droeg het van oogenblik tot oogenblik. En die hand Gods dient hem als een beeld om deze kunstwerkzaamheid ons te verkondigen, die ook elders in het Oude Testament als een bijzondere arbeid van God den Heiligen Geest wordt aangewezen. Zoo heeft Job reeds dat zelfde werk, dat hier de psalmist ons aanschouwen laat als kunstgewrocht Gods, op een geheel andere wijze ons verklaard, toen hij zeide : „Door zijnen Geest heeft Hij de hemelen versierd". Daar is het dus de Heilige Geest, die hetzelfde tot stand brengt, dat hier aan Gods hand wordt toegeschreven. En in aansluiting daarbij zeide Elihu tot hem, met betrekking tot het ontstaan van het menschelijke leven, Job 33 vers 4, : „de Geest heeft mij gemaakt". In Psalm 33 vers 6 worden Woord en Geest tezamen aangewezen als die in het voortbrengen van het heir des hemels, dus van   firmament, ook tezamen eene scheppende werkzaamheid vervullen. En in Ps. 104 wordt de oorsprong van alle levende schepselen op deze aarde toegeschreven aan den Heiligen Geest. „Zendt Gij", zoo zegt de dichter „, uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen". En de heerlijkheid der lente noemt de zanger „eene vernieuwing van het gelaat des aardrijks". Ja, zoozeer is hij ontroerd door de schoonheid van hetgeen hij in de schepping zag geschieden, dat hij moest uitroepen : „De heerlijkheid des Heeren zij tot in der eeuwigheid, de Heere verblijde zich in Zijne werken". En deze werken kende hij als door Gods Geest in het aanzijn geroepen.
Zoo is dus reeds onder het Oude Verbond het oog van Gods Kerk open voor de persoonlijkheid en bijzondere werkzaamheid van den Heiligen Geest in de scheppende daden Gods. En daar nu in het Nieuwe Testament deze Heilige Geest veel meer op den voorgrond treedt in de werken der genade en der verlossing, die in den Heere Jezus Christus zijn, en dus in hetgeen door wederbaring en het toedeelen van geestelijke gaven in de harten van Gods kinderen geschiedt, opdat de Kerk tot hare volmaking zal gebracht worden, is het dan ook merkwaardig, hoe de werkzaamheid van den Heiligen Geest in de scheppende en in de herscheppende daden Gods op eene treffende wijze wordt belicht in hare eenheid. Reeds in Genesis 1 vers 2 wordt de Geest Gods ons voorgesteld als „broedende", „zwevende" op de wateren. Hij verschijnt daar als de levenwekkende en daarna spreekt God het scheppende woord : „Daar zij licht". En de Heere Jezus, die het vleeschgeworden Woord van God is, zegt van den Heiligen Geest, die komen zal, van den Geest der waarheid, dat Hij in de waarheid leiden zal en Hij spreekt niet van Zichzelven, maar zoo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken. En het werk van dien Heiligen Geest in de zaligmaking van Gods kinderen bestaat in eene verheerlijking van den Christus, „want", zoo wordt er aan toegevoegd, „Hij zal het uit het mijne nemen en zal het u verkondigen". In het genadewerk is er dus tusschen den Heiligen Geest en het vleeschgeworden Woord Gods dit verband gelegd : het is alles in Hem, die het vleeschgeworden Woord is. Hij is het leven van Gods volk en heeft alle levensgaven voor dat volk, maar zij kunnen het alleen ontvangen door den Heiligen Geest, die het neemt uit de volheid van den Middelaar en toebedeelt aan Gods kinderen. Daarom wordt dan ook in de 8ste Zondagsafdeeling van onzen Heidelbergschen Catechismus het werk des Heiligen Geestes een werk der heiligmaking genoemd. Hij is het toch, die het werk, door den Heere Jezus volbracht, toepast aan de zielen der uitverkorenen Gods, opdat zij in den Heere Jezus Christus zullen vinden wat zij behoeven en ook in Hem gevonden zullen worden. De verhouding tusschen het vleeschgeworden Woord Gods en den Heiligen Geest in de bedeeling der genade is dus deze, dat al wat in dat Woord is weggelegd, door den Heiligen Geest daaruit wordt genomen en toegepast in de beleving door Gods kinderen. De Heilige Geest doet het dus niet zoo maar, niet als geheel op zichzelven werkende, maar als waarachtig en eeuwig God met den Vader en den Zoon werkt Hij uit den Raad der genade Gods.
En wat er nu geschiedt in de herschepping van Gods volk, in de wederbaring Zijner Kerk, dat leert ons nu tevens, hoe de Heilige Geest Gods wei kt in de schepping zelve. Ik wees er reeds op, hoe in het Oude Verbond de mannen Gods een oog hebben gehad zoowel voor het eeuwige Woord in God als voor den Heiligen Geest, en hoe de schepping met het Woord en met den Geest beide in verband wordt gebracht. Ook hier is het eeuwige Woord als de bron, waaruit genomen wordt door den Heiligen Geest. De Geest is het, die al het creatuurlijke oproept en bij die oproeping niet op zichzelven werkt buiten elk verband met Vader en Zoon. Ook hier werkt Hij uit hetgeen Hij heeft gezien in de gemeenschap met den Vader en den Zoon, dus als het ware gelezen heeft in het eeuwig Woord, dat bij God en God is. Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, door Hem, die het beeld is des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creaturen, want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn. En deze schepping heeft Hij volbracht ook door den Heiligen Geest, die uit het Woord heeft genomen om het alzoo in onderscheiding van het goddelijk Wezen als een schepsel te doen zijn. Die Heilige Geest is dus als de hand des Almachtigen, die Zijnen eeuwigen Raad verwerkelijkt in het leven der schepping, zooals Hij het is, die Gods genaderaad werkelijkheid doet worden in de zaligmaking Zijner kinderen. En het is dus die Heilige Geest, die, zooals het Pinksterfeest leert, inwonende is in het lichaam des Heeren, die ook inwoont in elk van Gods kinderen, die de Trooster is, die bij hen blijft in der eeuwigheid en hen dus voorbereidt en straks ook inleidt in het Jeruzalem van Gods heerlijkheid, dat Hij bouwt tot eene woonstede Gods in den Geest. Maar het is ook diezelfde Heilige Geest, die in het natuurlijke leven en zijn der schepping, in hemel en op aarde inwoont in de schepselen, die ze alle doet zijn en die aller ontwikkeling, van hun eerste worden tot hun jongsten dag draagt en leidt, die er de stuwkracht in doet uitgaan en alzoo de natuurlijke voorwaarden biedt, noodig voor de komst van Gods Koninkrijk, dat geboren wordt uit den levensgang der tijden.
Als dus de psalmdichter zijn oog liet weiden over dat schoone firmament, dat zich bij dagen en nachten v/elfde boven zijn hoofd en de schoonheid openbaart van den goddelijken, eeuwigen Kunstenaar, dan verkondigde hem dat uitspansel Zijner handen werk en las hij in den hemel boven hem de wondere daden van Gods Heiligen Geest.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken