Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

13 minuten leestijd

En zie, een melaatsche kwam, en aanbad Hem, zeggende : „Heere ! indien GIJ wilt. Gy kunt my reinigen." En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende : „Ik wil, word gereinigd !" En terstond werd hy van zyne melaatschheid gereinigd. Mattheüs 8 vers 2 en 3.

DE GENEZING VAN EEN MELAATSCHE.
„En zie, " zegt Mattheüs, „een melaatsche kwam". Dat woord : „En zie" wil zeggen, dat, wat nu volgt, alle aandacht en verwondering uitlokt en waardig is. Weiaan, laat dit ook tot u zyn gezegd : „Komt, en ziet !"
„Een melaatsche kwam." Lukas zegt : „Een man vol melaatschheid." Hy verkeerde in een beklagenswaardigen toestand.
De melaatschheid was een ziekte, die uit het bloed opkwam en het lichaam in zoo hoogen graad aantastte, dat het afzichtelyk werd. De haren vielen uit of werden wit, de nagels lieten los, soms verkankerden zelfs de ledematen; doorgaans werd een deel van het aangezicht weggevreten, — daarom droegen zy een witten lap om de kin en bewimpelden de lippen. De ziekte, die ongeneeslijk geacht werd, maakte hen levietisch onrein; de lijders werden buiten de gemeente van Israël gestooten en woonden afgezonderd by elkaar. Als iemand hen naderde, moesten zy hem waarschuwen, zy riepen dan: „Onrein, onrein, " want de minste aanraking zou ook den reinen Israëliet naar de wet bezoedeld hebben.
De evangelist stelt ons nu zulk een melaatsche voor. Zyn naam wordt er niet by vermeld. Maar ieder onzer kan er zyn eigen naam voor invullen. Immers is de melaatschheid wegens haar verontreinigend karakter in de Heilige Schrift 'n beeld van de zonde, en aan die melaatschheid lijden wy allen.
Daardoor zyn wy toch ook van de volzalige gemeenschap met den Heere uitgesloten, wiens leven alleen het leven onzer ziele kan zijn. En indien er geene genezing is, ook van die geestehjke zielemelaatschheid, zegt ons Gods Woord, dat zy eindigt in den dood. Hoe diep is de mensch gevallen! Jesaja, de profeet, getuigt er ook van : „Melaatsch van den hoofdschedel af tot de voetzool toe !"
De zonde is evenals de melaatschheid, ja nog veel meer, walgelyk en afschuwelyk in geestelijken zin. In zielemelaatschheid is de mensch reeds ontvangen en geboren. Hy is ongeneeslijk melaatsch, aUeen door een wonder van genade te genezen. En evenals by de natuurlyke melaatschheid wordt ook de geestelijk melaatsche ongevoelig. Wat is dat vreeselijk ! Hij gaat dan, als de Heere het niet verhoedt, van den geestelyken dood den eeuwigen dood tegemoet in den weg der verharding.
Melaatschen moesten met gescheurde kleederen, blootshoofds, buiten het leger en de bemuurde steden blyven en zy moesten van verre dien hartdoorborenden kreet uitstooten: „Onrein, onrein". En als de Heere ons de walgelykheid en de gruwelykheid onzer ongerechtigheid doet zien, dan mogen wy wel met een gescheurd harte treuren en klagen van wege onze zonden.
Deze melaatsche kwam dan tot Jezus, met den bovenlip dus bemanteld, met het woord : „Onrein, onrein", nog op de lippen, opdat de schare door zyne aanraking niet zou worden besmet. Ach, ach, wat een ellendig gezicht! 't Is waar, hy mocht niet naderen ; de rabbynen zeggen, dat de melaatschen zich minstens op vier ellen afstand van de gezonde menschen moesten houden. Maar door van verre te blijven was hy niet genezen geworden. Hy naderde tot Jezus, zonder zich vooraf te laten aandienen en dat was iets groots van dezen man. Menschen konden hem niet helpen, die hem verfoeiden en voor hem vluchten moesten. Tot allerlei middelen nam hy tevergeefs de toevlucht. Overal heeft hy genezing gezocht, maar nergens gevonden.
Daar is er maar Eén, die raad weet, Jezus, de Heelmeester Israels. Hy kan redden en genezen. By Hem zyn uitkomsten ook tegen den dood ! Juist zulken, die vermoeid en belast zyn, kan Hij ruste geven, en reinigen van de melaatschheid. Maar vanwaar zou die begeerte by dien deerniswaardige gevonden zyn geworden ? Het is ons niet bekend. Zou hy van verre hebben staan luisteren naar de bergrede ? wy weten het niet. Maar hoe dan ook de uitwendige weg is geweest, dien de Heere met dezen melaatschen man gehouden heeft. Eén ding staat vast, hij kwam, getrokken door de almachtige ontferming Gods. Het was die ontfermende barmhartigheid, die den ongelukkigen man naar den Heiland dreef, om by Hem ontlediging van zyn melaatschheid te zoeken. Er is geen twyfel aan : zyn harte trekt naar Jezus toe, hy moet Hem zien, hy moet Hem naderen, hij moet een bede voor Hem neerleggen, hy kan in zyn ellende niet buiten Hem.
Het was anders niet gemakkeüjk Hem te bereiken. Er waren scharen van menschen by Jezus. Hij kan echter niet op een afstand büjven : hy zal het waagstuk dan maar ondernemen en dringt met zyn afzichtelyk lichaam naar voren. Maakt plaats voor een ellendige ! Ach, hy behoeft het niet eens te zeggen, want zy stuiven al verschrikt uiteen, om niet besmet te worden en hem niet aan te raken.
„Hy kwam en aanbad Hem", zegt Mattheüs. En Markus zegt, „biddende Hem en vallende op de knieën". En Lukas verhaalt: „Jezus ziende, viel hij op het aangezicht en bad Hem."
Hy aanbad Hem. Bidden is vragen, met aandrang verzoeken, maar aanbidden is den Heere de eere toebrengen ; voor Zyne hooge Majesteit in den geest neerliggen. Hem erkennen en groot maken in den luister van zyne deugden. De Heere is daarby oneindig groot voor ons in alles, en wy zyn daarby niets beteekenend in eigen oog. En in de aanbidding wordt het ondervonden en gezien, dat genade klein maakt.
En ziet nu eens, ofschoon het op de uitwendige gebaren zoo zeer niet aankomt in het bidden, dat er echter ook een gepastheid in is, dat het uitdrukkingen zijn van den ernst en van de nederigheid van den aanbidder. Wat zal dit een wonderlijk gezicht geweest zyn voor de schare ! Wat zal dat een oogenblik van stilte voor de menigte zyn geweest, die grooten indruk maakte. Daar ligt een onreine melaatsche voor de voeten van zulk een heiligen Jezus, als een worm neergebogen in het stof. Geen verootmoediging is groot genoeg in zyne oogen vóór zulk een grooten Meester. Hij zinkt by zichzelven weg en Jezus wordt zoo hoog by hem, hy verliest zichzelven, hy beeft, hy is verlegen over zyn eigen stoutmoedigheid. Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik, een onreine, een doode hond, my onderwinde tot U te naderen, daar ik maar stof en assche ben. Hy waagt het op de ingewanden van den ontfermenden Jezus.
En de melaatsche zeide : „Heere, indien Gy wilt, Gy kunt my reinigen." 't Is een kort gebed, maar in dat gebed geeft de man groote eere aan Jezus : Gy kunt, wat niemand kan. Gy hebt er de macht toe my te genezen. Als Gy het nu ook slechts wilt. Als het met den raad des Heeren kan bestaan. Als de genezing nu maar met Uw wijsheid bestaanbaar is. Het is juist wat wij by lichamelyke krankheden bidden : „Heere, Gy zyt machtig de krankheid weg te nemen, nochtans niet onze wil, maar Uw wil geschiede !"
Wat zal Jezus, de Heere, nu doen ? Welk een gespannen aandacht onder de schare ! Met ingehouden adem staan zij daar. De achterste rijen rekken zich uit om te kunnen zien. Wat zal Hij doen ?
„En Jezus, " zegt Markus, „met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde." Neen, Hij walgde niet van Hem, Hij gevoelde geen afkeer van hem, neen, met deelneming, met deernis en medelijden, met barmhartigheid innerlijk bewogen, smolt zijn hart bij het gezicht van den ongelukkige.
Medelijden kan niet rusten en is werkzaam. Jeuzs strekte de hand uit! Zegent die hand, want het is de hand, die de aarde heeft voortgebracht en de bergen gegrondvest. Het is de hand, die de hemelen heeft uitgebreid en de sterren geschapen. Het is de hand, die den schepter draagt, die over alle schepters heerscht.
Maar naar wien strekt die hand zich uit, die heilige en almachtige rechterhand? Naar een mensch, die wellicht de verachtste en ellendigste in het gansche land was, naar eenen zondaar, om wien zich niemand bekommerde. Ja, wat veracht is voor de wereld en wat niets is, dat heeft God uitverkoren. Hij woont bij de ellendigen.
Jezus strekte de hand uit naar den ellendige, die daar aan Zijne voeten ligt, en raakte hem aan. Bij de menschen is het zóó : de onreine brengt door de aanraking zijn eigen onreinheid op den ander over. Maar bij Christus is het zóó : Hij brengt door de aanraking Zijn eigen reinheid op den onreine over.
„Hij raakte hem aan" ; dat is een onbeschrijfelijk hartroerende trek. Hij had het niet noodig, dat Hij hem aanraakte. Dat uitstrekken van de hand, of alleen Zijn woord, was genoeg geweest om hem te genezen. Maar Hij wilde meer dan genezen. Hij wilde den beangste ook bemoedigen.
O, het hart van dien melaatsche, wat gaat er in om ! Altijd gemeden, altijd geschuwd, soms met steenworpen verdreven, en nu een hand op zijn hoofd, de hand, die zich de eeuwen door helpend uitbreidt naar wat ellendig en onrein en krank is. De schare rondom Jezus zag, dat Jezus de hand uitstrekte en den melaatsche aanraakte. Eene huivering ging door hunne leden. De groote profeet liet zich besmetten. Hij deinsde niet terug voor die geweldige krankheid.
Welk een evangelie is daarin gegeven ! Welk eene prediking ! Komt nu, gij, die u zelf als een onreine hebt leeren kennen in de melaatschheid van uwe zondigheid.
Treedt nader en ziet met bewonderende aanbidding en aanbiddende bewondering dat groote wonder der ontferming, dat hier plaats vond. Daar heeft de Heere u wat mede te zeggen. Want die aanraking, dat zich laten verontreinigen van den Heere Jezus, spreekt mij van eene andere verontreiniging.
De Zone Gods, de Zaligmaker, is uit den reinen hemel neergedaald en in de gestalte van een dienstknecht hier op aarde heeft Hij het melaatsche lichaam der uitverkoren gemeente aangeraakt en is Hij als een melaatsche gerekend. Daarom werd Hij uitgeworpen buiten de legerplaats, buiten de stad. Daarom moest Hij buiten Jeruzalem den smartelijken dood des kruises ondergaan. Daar heeft Hij vrijwillig de schuld der geestelijke melaatschheid op zich genomen en zielemelaatschen gereinigd door Zijn bloed.
Jezus strekte de hand uit, raakte den melaatsche aan en dan volgt het korte, verlossende woord : „Ik wil, word gereinigd."
Zoo werkte de Heere in de schepping. Hij zeide : „Daar zij licht" ; en daar was licht. Zoo werkt ook hier dat woord, door hetwelk ook alle dingen gemaakt zijn. Hij sprak nu in diezelfde scheppingsmacht : „Word gereinigd."
En terstond werd Hij van zijne melaatschheid gereinigd. Niet ten halve, maar geheel gereinigd. Niet langzamerhand, maar in één oogenblik. Waar het woord des Konings is, daar is heerschappij. Waar de Heere spreekt, moet alles luisteren naar Zijn wil. De melaatsche werd zoo volkomen gereinigd, dat de Heere hem naar den priester zond, opdat deze hem rein zou verklaren. En niet het geringste van de melaatschheid kon het daarin geoefende oog van den priester meer ontdekken.
O ! wonder van ontferming ! Wie zal beschrijven, wat er in zijne ziele omging, toen hij zag, dat hij terstond op het machtige woord van Jezus was gereinigd. Nu geen ellendige meer. Nu de afzichtelijke krankheid geheel verdwenen. Nu geen banneling meer. Zijn hart springt op van vreugde en de danktoon welt uit hem op : „Loof den Heere, mijne ziele, die alle uwe krankheden geneest!"
O ! gij, die nog onbekeerd in de onreinheid van den zondigen natuurstaat verkeert, och ! dat gij eens wijs werd, eer het te laat zal zijn. Blijft gij in uwe melaatschheid, dan blijft gij buiten alle gemeenschap der heiligen, ja buiten alle aandeel aan den Heere en den hemel. En daarom, mocht het besef van uwen eeuwigen ongeluksstaat u toch eens doen uitzien naar den Medicijnmeester om genezing, voordat u de dood verrast. Arme, melaatsche balling! Mocht gij komen met een levende kennis en belijdenis van uw geestelijke onreinheid, met een begeerte om gereinigd te worden, met een diepe erkentenis van uw eigen onmacht en de onmacht van alle schepselen buiten u, om u te helpen.
Mocht gij komen als een hopelooze en hulpelooze melaatsche met hooge gedachten van Jezus, dat Hij, die er toe machtig is, de Eenige is, die u helpen kan.
Mocht gij naderen met diepe verootmoediging van u zelven voor Hem, Hem aanbidden en u voor Hem neerwerpen met een gescheurd harte, in plaats van de gescheurde kleederen der melaatschen.
En mocht de Heere Jezus Zijn genadige hand ook tot u uitstrekken en u aanraken met Zijne reinigmakende kracht en, met barmhartigheid innerlijk over u bewogen, tot u ook zeggen : „Ik wil, word gereinigd."
En gij, verslagen ziele, mocht gij het dan ondervinden, dat gij van uwe geestelijke melaatschheid terstond gereinigd wordt.
En gij, kinderen des Heeren, die nu zoo gelukkig zijt, dat de Heere Jezus dat eeuwig wonder van genade aan u heeft verricht en dat gij onder die weinigen behoort, die dat groote voorrecht ten deel viel, wat zult gij den Heere vergelden voor die groote weldaad aan u bewezen ?
Gij mocht Hem wel de eere geven voor dat groote wonderwerk der genade aan u geschied en Hem de lof en heerlijkheid geven, zooals een der tien melaatschen deed, waarvan Lukas verhaalt. Met groote stemme verheerlijkte hij God en viel op het aangezicht voor Jezus' voeten. Hem dankende.
Gij leeft in het midden van melaatschen, in een onreine en besmettelijke wereld, bewaart dan nu u zelven rein.
Ook kinderen Gods moeten nog zeggen : „Wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed." Onder de overblijfselen van geestelijke melaatschheid, waarvan gij nog niet zijt gereinigd, moogt gij wel de bede van David opzenden: „Wasch mij wel van mijne ongerechtigheid en reinig mij van mijne zonden. Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn ; wasch mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw."
Zoo moet gij telkens weder opnieuw, met schaamte en smart en walging, tot den Heere Jezus de toevlucht nemen om meerder reiniging en tot rechtvaardigheid en heiligmaking geloovig het van Hem verwachten.
Hij is voortdurend de geopende fontein tegen de zonde en tegen de onreinheid. Een iegelijk, die deze hope heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.
Zoo zult gij, die rein zijt, al meer rein worden en het werk in u begonnen, zal in u volmaakt worden op den dag van Christus en gij zult, van alle melaatschheid ontdaan, eenmaal ingan in den stad Gods, het hemelsche Jeruzalem, waar niet in zal komen iets, dat onrein is.
Moge dan de geschiedenis van den melaatsche ook uw geschiedenis zijn. Eerst vol van melaatschheid, huiveringwekkend, roepend : „Onrein, onrein."
Zoo door schuldbesef verslagen uw eigen melaatschheid beseffend en bij Geesteslicht de diepe verdorvenheid van uw hart met heete tranen beschreiend.
Dan, als de melaatsche, op het aangezicht neerliggend voor Jezus, terwijl de hand der ontferming rust op zijn hoofd. Zalig de mensch, die dat mag ervaren. Te ondervinden, dat de Heere u kon, maar ook wilde genezen en dat alles daartoe in Christus uit genade was bereid. En ten slotte : Gereinigd ! Om met een hart vol genade de groote barmhartigheid Gods te loven voor het eeuwig wonder van ontferming aan een armen, melaatschen zondaar bewezen, in stillen ootmoed en dank voor die onverdiende en verbeurde weldaad der verkiezende genade.

Den Ham (O.).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 18 August 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van Thursday 18 August 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken