Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

11 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar liunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden).
XX.

Het is een bewijs voor de natuurlijke blindheid van den gevallen mensch, dat hij steeds geneigd blijkt aan zichzelven voorbij te gaan met zijn oordeel over eigen leven en daden. Met het leven en met de verborgenheden van den naaste zijn de meesten veel beter op de hoogte, dan met hetgeen hun zei ven eigen is. Tot in de kleinste bijzonderheden meenen sommigen de geheime drijfveeren in de handelingen hunner naasten te kunnen aanwijzen, veel beter vaak dan dezen zelven het schijnen te weten. De Schrift leert ons, dat wij menschen zóó bestaan en dat daarin geworteld is de zonde van het kwaadspreken, van het oordeelen over onzen medemensch. Daarom vermaant de apostel Jacobus : „Broeders ! spreekt niet kwalijk van elkander, die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet. Indien gij naar den wet handelt zoo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter". En om ons de diepte en den ernst van het zedelijk kwaad daarin op het hart te binden, voegt de apostel er dan nog aan toe : „Er is een eenig wetgever, die behouden kan en verderven, doch wie zijt gij, die een ander oordeelt ? " Hij leert ons alzoo om aan onszelven toch vooral niet voorbij te gaan, het oog niet te sluiten voor ons eigen innerlijk zijn. Voor het luisteren naar die apostolische vermaning is er des te meer reden in een tijd, als dien wij beleven, nu wij zoo van alle kanten bepaald worden bij Gods oordeelen, die op zoo ontroerende wijze over de wereld openbaar worden. Alles lokt er ons dan toe te spreken over de donkerheid onzer dagen, over het crisis-leed en niet het minste ook over de zonde, den afval, de geestelijke verwording, die alom onder de volken, en ook onder ons volk openbaar worden. En men vindt allicht geloof, wanneer men daarop wijst, de geesel des woords er over legt en veel spreekt over deze overal en rondom ons aangrijnzende zedelijke ellende, die met ongeloof en goddeloosheid gepaard, naar onze meening een rechtvaardig oordeel verdienen.
Uit den aard der zaak denk ik er niet aan af te doen aan de donkere kleuren, waarmede het leven onzes tijds wordt geteekend, noch ook de schuld der volken te verkleinen en licht te achten. Zij hebben inderdaad Gods Woord verlaten en ontvangen dus het loon hunner ongerechtigheid en zullen aan de rechtvaardige oordeelen Gods niet kunnen ontkomen. Want het is nu eenmaal een levenswet, eene ordinantie Gods, dat „de dag aan den dag overvloediglijk sprake uitstort". Ook de zonde draagt consequenties in zich, waaraan de zondige volken niet zullen kunnen ontkomen en waaraan zij zich met alle hunne conferenties en volkenbonden niet zullen kunnen ontworstelen. Maar, en hierop leg ik nu den nadruk, datzelfde geldt nu ook van elk mensch in het bijzonder, geldt ook van ons persoonlijk leven. Ook wij merken er meestal weinig van, hoe naar het woord van den Psalmist de dag aan den dag overvloediglijk sprake uitstort. Hoe anders zouden wij onze eigene levenspolitiek voeren, indien wij er ons steeds klaar van bewust waren, dat hetgeen wij denken, zeggen en doen, onlosmakelijk met gevolgen is verbonden, waarvan wij, wanneer het eenmaal in onze overleggingen, in onze woorden en handelingen een rol heeft gespeeld, ons moeilijk of in het geheel niet meer kunnen losmaken. Nergens wijkt meer de staat der verzondigdheid van het menschelijk wezen, dan juist in de besmettelijke belasting, waardoor de zonde zich voortplant in ons eigen innerlijk en uitwendig leven.
In elk mensch schuilt eene levensverborgenheid, die ons krachtens ons redewezen en dus als beelddrager Gods alleen toekomt. De mensch heeft in onderscheiding van de dieren een bewustzijn, waarin hij voor zichzelven en als van zichzelven onderscheiden verschijnen kan. De mensch kan als met zichzelven spreken, met zichzelven overleggen, zich met zichzelven zóó beraden, dat zijn ik spreekt met zijn ik. Dat leert ons de ervaring van ons zelven en ook Gods Woord leert het ons. Zoo zegt de Prediker van zichzelven : „Ik sprak met mijn hart, zeggende : Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn". En zoo gaat hij voort: „Ik zeide in mijn hart", en dan somt hij ons allerlei overleggingen op, die hij met zichzelven houdt en de beschouwingen over wat menschen alzoo in het leven gebeuren kan. „In het hart des mans zijn vele gedachten", zegt Salomo, Spr. 19 vers 21. En de Psalmist spreekt er van, hoe zijne gedachten binnen in hem vermenigvuldigd werden. Ja, de ziel des menschen wordt vergeleken met eene „lamp des Heeren", die al „de binnenkameren des bulks", dus het innerlijke zelf des menschen doorzoekt, Spr. 20 vers 27. En zoo vraagt dan ook de apostel: „Want wie van de menschen weet hetgeen des menschen is, dan ae geest des menschen, die in hem is ? " 1 Cor. 2 vers 11. Daarbij komt, dat wij ook het herinneringsvermogen bezitten, dat ons telkenmale voor den geest kan brengen hetgeen wij voorheen hebben gedacht en beleefd. En dat herinneringsvermogen werkt niet alleen als wij het willen, maar ook vaak als van zelf, het dient zich soms bij ons aan. Wij geven daaraan dan ook uiting door te zeggen, dat ons iets „voor den geest komt, ", dat het ons „te binnen schiet". Er is dan ook eene onwillekeurige werking van ons herinneringsvermogen. Het doet zich gelden op geheel onverwachte en ook ongewilde wijze. En Gods kinderen weten bij ervaring, welk eene vreeselijke uitwerking de herinnering bij hen kan hebben, als zij plotseling de zonde en den gruwel weder oproept voor hun bewustzijn. Denk slechts aan hetgeen ook in dat oogenblik, waarin zij Gods aangezicht zoeken in den gebede, door hunne ziel kan gaan, hoe hun gebed verdorven wordt soms door de herinnering aan vroegere ongerechtigheid, die als het ware door Satan wordt gegrepen om hunne smeeking te ontwrichten. En daarom is het dan ook, dat de Heere Jezus als onze Hoogepriester ook de gebeden van Gods kinderen heiligen en reinigen moet, zullen zij toegaan tot den troon der genade. Daarom keeren ook onze gebeden zoo dikwijls schuldig tot ons weder en kunnen zij zoo diep schuldig stellen.
Het is dan ook juist daarom van zoo groot gewicht, dat wij ook voor ons persoonlijk leven gedachtig zijn aan hetgeen de Psalmdichter hoorde in de hemelen, waar de dag aan den dag overvloediglijk sprake uitstort. Wat voor de volken geldt, dat hunne daden zwanger zijn van een nieuw gebeuren, dat met onafwijsbare consequentie naar de wet van oorzaak en gevolg, moet komen, dat zelfde geldt ook in ons persoonlijk leven. Diezelfde ontroerende verantwoordelijkheid drukt ook als een zware, onafwentelbare last op ons persoonlijk. Wat wij innerlijk doorleven, heeft gevolgen voor onze toekomst. Hetgeen wij denken, 't geen in ons bewustzijn verschijnt, 't geen niemand op ons aangezicht lezen kan, wat verborgen blijft in de diepste schuilhoeken van ons hart, wat "wij aan ons zelven nauwelijks bekennen, 't is alles toch als een levensmoment in onze ziel, dat zich te zijner tijd weder zal openbaren in ons bewustzijn en door dat bewustzijn misschien ook nog wel in onze daden. Daarom komt 't zoo dikwijls voor, dat wij de menschen daden zien doen, die wij nimmer van hen zouden hebben verwacht. En 't komt ook wel voor, dat wij zelven doen, wat wij ook van onszelven nooit hadden verwacht. Hoe menigmaal komt het voor, dat wij met het oog op de zonden van anderen zeggen: „dat zou ik nooit kunnen doen", terwijl we soms heel spoedig daarna aan hetzelfde schuldig staan.
Nergens komt de verzondigdheid van den gevallen mensch klaarder aan den dag dan in de innerlijke verborgenheid des harten, waar de mensch aan zichzelven openbaar wordt.
Niemand is er, die den moed heeft, wat in hem soms verschijnt, bloot te leggen voor de wereld. Zelfs ontbreekt maar al te zeer de vrijmoedigheid om het aan onszelven te bekennen. En zoo loopt de mensch dan ook van nature met zichzelven voort, zichzelven vleiend, zichzelven misleidend, zich voor zichzelven verbergend, in een beeld van eigen waan en eigengerechtigheid. En het blijkt uit de levenswerkelijkheid, dat het den mensch noodig is wederom geboren te worden, als hij Gods Koninkrijk zien zal en in het licht van dat Koninkrijk ook zijn eigen geestelijk leven, zooals het waarachtig bestaat. Eerst als de mensch aan zichzelven ontdekt wordt, komt hij tot de erkentenis van zijn werkelijk innerlijk geestelijk leven en zijn. Eerst dan leert hij, hoe het ook voor zijn geestelijk leven geldt, hetgeen de Psalmist aanschouwde en! hoorde in den hemel, hoe de eene dag zijne sprake uitstort aan den andere. Eerst dan krijgt hij besef van de ontroerende verantwoordelijkheid. die op ons drukt voor ons eigen geestelijk leven. Want al wat in ons omgaat, wat wij in en door onzen geest leeren kennen als behoorende tot ons leven, tot het wezen en tot de levensdaad onzer persoonlijkheid, het draagt de consequentie in zich, die zich ook te eeniger tijd zal openbaren. Dat geldt van Gods genadewerk evenzeer als van hetgeen uit onszelven is. Maar juist hetgeen uit ons zelven is, heeft vaak zulk een verwoestende uitwerking in den loop van ons leven. Wees ik er straks reeds op, hoe uit de vulcaan der zonde kan opkomen, wat het gebed van Gods kinderen plotseling verderft, voor heel ons geestelijk leven is hetgeen in ons leeft, met onlosmakelijke gevolgen verbonden.
David geeft daarvan in zoo menig lied getuigenis, hoe hij zich verantwoordelijk weet voor hetgeen daar in de verborgenheid zijner ziel wegschuilt, hoe hij er zich van bewust is, dat hij verantwoordelijk staat en blijft voor hetgeen uit die zielsdiepten opkomen zal. In dezen zelfden 19den Psalm spreekt hij daarover tot zijnen God. „Wie", zoo vraagt hij, als met angst voor de gevolgen vervuld, „zou de afdwalingen verstaan ? Reinig mij van de verborgene". Hij wist het onder de ontdekkingen van Gods Heiligen Geest goed en klaar, hoe daar in zijn hart veel was, dat niet uit God was, dat uit hemzelven was opgekomen en dat resultaten, vreeselij ke gevolgen voor zijn levensgang hebben kon. Het waren verborgen afdwalingen, maar daarom toch wel afdwalingen, waarvoor hij schuldig zich wist en verantwoordelijk.
Daarom bad hij ook om de intoomende, terughoudende daad van Gods genade, om eene doorloutering van Gods Heiligen Geest, want hij eindigde met de bede, dat de overdenkingen zijns harten voor des Heeren aangezicht welbehagelijk mochten zijn. Hij wist, hoe ook geestelijk de dag aan den dag overvloediglijk sprake uitstort. Dat gold van den gruwel der zonde, zoowel als van de lieflijkheden, die uit Gods rechterhand aan Gods kinderen toekomen door den Heiligen Geest.
Dat blijkt immers zoo duidelijk uit hetgeen ons bekend is van zijn geestelijk leven. Heeft niet David daarom in zijne zielsworstelingen geroepen, dat de Heere gedenken zou aan Zijne barmhartigheden en goedertierenheden en dat Hij niet gedenken zou „der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen". Hetgeen hij in zijne jeugd gedacht, gesproken en gedaan had, kwam hem in den dag zijns ouderdoms nog weder voor den geest, stelde hem telkens nog weder schuldig, wierp hem nog weer in den smeltkroes zijner zielsworstelingen met den Heere zijnen God. En in den Sisten Psalm gaat de roepstem op : „schep mij een rein hart, o God ! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest". En in Psalm 139 bad hij : „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijne gedachten en zie of bij mij een schadelijke weg zij en leid mij op den eeuwigen weg". En heeft niet de apostel Paulus van dezelfde levenservaring getuigenis afgelegd, wanneer hij het bedenken des vleesches de dood noemt en vijandschap tegen God en roemt in de vrijmaking door de wet des Geestes des levens, die in Christus Jezus is ? Als hij de wet geestelijk noemt en van zichzelven belijdt : „maar ik ben vleeschlijk, verkocht onder de zonde", ligt daarin dan niet diezelfde levensovertuiging uitgesproken van zijne ontroerende verantwoordelijkheid voor de gevolgen, die daarin opgesloten liggen ? Ja, de dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit. Dat woord, door den dichter gelezen in de hemelen, verkondigt ons hoe ons leven zijne consequenties in zich sluit. Wat wij nu zijn, beslist over wat wij wezen zullen. Het leven van de kinderen dezer wereld gaat met hare ijdelheid voorbij. Wat de mensch zaait, hij zal het maaien. En zoo staat er omgekeerd van Gods ware volk geschreven : „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kunnen, den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft". Dit eeuwige leven vangt nu en hier reeds aan. Het is een beginsel der eeuwige vreugde, dat zich straks in volkomenheid ontplooien zal, als de dag der genade zijne sprake uitstorten zal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken