Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

11 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden). XXIII.
In de hemelen heeft de Schepper dus het Woord geschreven, dat der menschheid Zijnen goddelijken Naam verkondigen moest. Zij prediken de onzienlijke dingen Gods, openbaren haar Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid. En daarin is nu ook het geweldige zedelijke feit gegeven, dat „zij niet te verontschuldigen zijn". Want diezelfde God, die daar in de hemelen Zijne almacht openbaart en daardoor zulk eene onafwijsbare sprake doet uitgaan tot al wat mensch is, verschijnt nu tevens in het menschelijk bewustzijn met Zijn zedelijken eisch, met de roeping zich Hem te onderwerpen, gehoorzaamheid te betoonen aan en volstrekte onderworpenheid jegens Hem, in Wiens hand onze adem is en bij Wien alle onze paden zijn.
Spreekt dus in de hemelen als het werk Zijner handen het woord der schepping van Gods majesteit en heerlijkheid, wanneer zij worden aanschouwd ; in de zielen der menschenkinderen vindt het een weerklank, die zich uitbreidt over al wat In ons is. Hij, die de Schepper der hemelen is, schiep ook deze aarde, opdat zij hare plaats onder die millioenen hemelbollen zou innemen en den weg wandelen, dien Hij voor haar heeft bepaald. En op die aarde schiep Hij al wat leeft, en dus ook den mensch, wien Hij een redelijk bewustzijn schonk, opdat Hij zal worden gekend en Hem alzoo van die menschheid de lof en de aanbidding worde gebracht, de eere en de heerlijkheid. En daarom, die menschheid gevoelt zich in hare diepe afhankelijkheid aan Hem gebonden, zelfs dan, als door de giftige werking der zonde haar zielsoog verduisterde voor de volle heerlijkheid Zijns Wezens. Daarom, waar de mensch verschijnt, daar is hij altijd een godsdienstig wezen, zoodat ook de diepstgezonken volken een religieus leven blijken te bezitten, al doet de moderne God-looze onderzoeker wat hij maar immer kan, om menschen te ontdekken onder de primitieve volken, die even God-loos zouden zijn als hij zichzelven waant. De dwaasheid dezer quasi-wetenschap komt nergens meer in uit, dan in haar streven om uit het niet, langs den weg eener blinde evolutie, ook de hoogste zedelijke en redelijke gaven des geestes af te leiden. En dit nog niet, omdat hare gegevens zulks vorderen, maar omdat 2ij, die zich als de onbevooroordeelde bij uitnemendheid aandient en als vrij van elke dogmatische smet, zelve haar uitgangspunt heeft in het groote vooroordeel eener uit zichzelve, door spontane evolutie geworden wereld. En voor de geschiedenis der menschheid veronderstelt zij een oerwensch, uit dierlijke voorgeslachten geboren, zonder rede en dus zonder zedelijkheid en religie, die eveneens langs den weg eener blinde evolutie zou zijn verworven. En zoo zoekt zij naar een oer-mensch zonder godsdienstig leven om alzoo een steun te vinden voor het beginsel eener redelooze ontwikkeling en voor een wereld, geworden zonder de werkzaamheid des Scheppers.
Doch het is al te vergeefs gebleken. Deze quasi-wetenschap bracht het niet verder dan een phantasiebeeld, dat overbleef, als van den mensch, zooals wij dien kennen, alles werd af-en weggedacht, wat aan cultuur herinnerde. Doch de mensch, zooals hij wezenlijk bestaat, is altijd een schepsel gebleken, dat ook in zijn zieleleven de sporen vertoonde van het werkstuk te zijn des Almachtigen. De mensch, hoe diep ook weggezonken, heeft toch immer beseffen van het goddelijke Wezen, dat hem schiep en draagt van oogenblik tot oogenblik.
God heeft dus voor zijne oogen in de hemelen geschreven zijn Scheppers-naam en in de wonderwerken Zijner hand, in de wetmatigheid en de orde, die zij voorstellen, ordinantiën des levens geopenbaard, waaruit ook na den val in misdaad en zonde de volkeren wijsheid kunnen leeren en de menschen een eeuwig licht kunnen zien opgaan over hun levenspad. Daarom zijn zij, naar het woord des apostels, niet te verontschuldigen.
Maar, en dit is nu opmerkenswaardig, het woord, dat God spreekt in de schepping. Zijne sprake, die ons tegenruischt in de gansche natuur, draagt toch een bijzonder, een geheel eenig karakter. En daarop wijst ons de Psalmdichter, als hij zegt : „Geene sprake en geene woorden zijn er". Deze versregel schijnt in lijnrechte tegenspraak met den aanvang van dit lied. Dat begin legt nadruk op het feit, dat Gods eer verteld wordt door de hemelen en dat er van het uitspansel eene verkondiging uitgaat, die ons meldt van het werk Zijner handen. En hier komt hij nu om er onze aandacht op te vestigen, dat er geene sprake en geene woorden zijn, waar hunne stem niet wordt gehoord. De hemelen worden niet ontsteld door het rumoer dezer aarde. De hemelen worden niet bewogen met geruisch, zij worden niet geroerd door geluid. In de diepten der hemelen boven ons klapwiekt geen nachtvogel, klinken geene kreten, die getuigen van den doodsstrijd en de worsteling om het leven, zooals op deze aarde de rust van het woud in de nachten plotseling wordt onderbroken door den schreeuw van den roofvogel en het noodgeschrei van zijne prooi. Als gij staat op de vlakte des velds en het wondere schoon aanschouwt van het nachtelijk firmament, dan hoort gij in die diepten des hemels slechts de stilte, dat ontroerende eeuwige zwijgen, door geen enkele zucht zelfs gestoord. In de hemelen daarboven ons heerscht eene onmetelijke, onpeilbare stilte, die ons zoo machtig omgordt, dat wij, als in de eenzame slapelooze nachten alleen zijn met de ruisching van ons eigen bloed, dat de polsen doet kloppen zelfs in ons oor. Omdat de hemelen zoo stille zijn, zoo eenzaam zwijgend, zoo wonder geluidloos, zoo onbewogen bewogen door de mysterieuse krachten, die heel het firmament van oogenblik tot oogenblik vernieuwen en de sterrebeelden als verschuiven voor onzen blik. Maar al die beweging, hoe machtig, hoe schoon, hoe wonderlijk ook, verloopt geluidloos, in geheimnisvolle stilte.
Wij menschen beschikken over de taal, die ons dient als het voertuig onzer gedachten, als het openbaringsinstrument van hetgeen leeft in onze ziel, van heel den inhoud van ons verborgen bewustzijnsleven. En die taal is ons gegeven, opdat wij door haar God en den Vader zouden loven, gelijk wij haar misbruiken om de menschen te vervloeken, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn. De taal vertolkt des menschen diepste levensgevoelens. Maar merk nu op de tegenstelling: de hemelen vertellen Gods eer, verkondigen Zijner handen werk, maar in een wonder, geheimnisvol, ontroerend zwijgen. Zij spreken alleen doordat zij de dragers zijn der teekenen van des Scheppers heerlijkheid. Geene sprake en geene woorden zijn er.
En merk nu op dat andere onderscheid. Onder de volkeren heerscht er eene verscheidenheid van spraak. Toen de menschen zich wilden verzetten tegen Zijn wereldplan, vernietigde Hij den raad der heidenen, brak Hij de gedachten der volken en Hij zeide : „Kom aan, laat ons nedervaren en laat ons hunne spraak aldaar verwarren, opdat een iegelijk de spraak zijns naasten niet hoore". En zoo is er dan ook de veelvuldige verscheidenheid der talen, waarvan wij menschen er slechts weinige vermogen te kennen. Wij verstaan niet elke taal en de grootste taalgeleerden nog maar enkele weinige op de duizenden talen, die er zijn. En zoo geschiedt het, dat de menschen elkander dikwijls niet verstaan, zelfs dan nog niet, wanneer zij eene zelfde taal spreken. Ach, hoeveel misverstand heerscht er doordat de menschen elkanders taal niet verstaan en hoevele verschillen zijn er, die, hoewel zij slechts verschil in woorden zijn, worden opgeblazen tot onoverbrugbare kloven. Indien de menschen elkander beter verstonden, in hunne sprake meer zochten naar het wezen der gedachten, er zouden mindere twisten en minder verdeeldheid heerschen dan gewoonlijk het geval is. Doch daaraan ontbreekt het maar al te vaak. En zoo zien wij, dat vele moeilijkheden gemaakt worden, hoewel er de eenheid heerschen kon.
Maar geheel anders is het nu met de sprake Gods in de hemelen. Dezen getuigen zwijgend en zij worden door ieder verstaan. Hunne sprake hoort een ieder, onder welken hemel ook. Toch is zij zonder woorden gesproken. En overal, in het barre Noorden en in het zoele Zuiden, in Oosten of Westen en ook onder de verste volken en onder de diepst vernederden, onder hen, die als de kinderen der natuur in diepe armoede leven, zoowel als onder ons, die on beschaving en cultuur ons beroemen onder al wat mensch is, wordt de taal der hemelen gehoord en verstaan. En toch zijn zij zonder woorden.
De stem der hemelen wordt niet gehoord. Zwijgend volgen de sterrebeelden hunnen weg, zwijgend komen zij op en zwijgend gaan zij onder en in hun stillen omgang gaat er van hen eene machtige sprake uit, eene taal zóó klaar, zóó helder en verstaanbaar, dat de kinderen der menschen haar moeten vernemen. En zoo hooren zij allen, de eeuwen door, dat de eeuwige Schepper wijs is van hart en sterk van kracht, dat Hij de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, dat Hij de aarde beweegt uit hare plaats, dat Hij de zon gebiedt en de sterren verzegelt, Hij, die de hemelen uitbreidt en treedt op de hoogten der zee, die den Wagen maakt, den Orion en het Zevengesternte en van Wien het ten laatste zelfs bij het aanschouwen van de wonderwerken boven ons moet gelden : „Wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad ? "
Ja, der hemelen stemme wordt niet gehoord en toch spreken zij luide, zoo luide, dat hunne sprake doordringt in elke menschenziel. Zij getuigen tot de menschheid aller eeuwen, van het paradijs tot aan het einde der dagen, van de grootheid en de wijsheid, van de onveranderlijkheid, van de oneindigheid en eeuwigheid des Almachtigen. Zij spreken als het ontroerend schoone kunstwerk van Hem, die de Kunstenaar is en hun getuigenis gaat uit tot onze zielen door het oog. Hunne stem wordt niet gehoord, hunne pracht en heerlijkheid slechts aanschouwd. En alzoo wordt de taal hunner schoonheid, de sprake hunner verhevenheid door al wie mensch is beluisterd, opdat niemand kan zeggen : Voor mij was Hij niet daar en ik kon van Hem niet weten. „Geene sprake en geene woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord". En toch vertellen de hemelen Gods eere en het uitspansel Zijner handen werk. Doch hoe geweldig ook dit getuigenis, hoe schoon ook deze zwijgende sprake, hoe genoegzaam ook om den mensch er aan te herinneren dat hij schepsel en de Schepper de eeuwige en de almachtige God is, toch is dat woord in de hemelen geschreven en gesproken niet bij machte één zondaar te roepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Het is geen woord met levendmakende kracht, het kan niet wederbaren tot eene nieuwe en levende hope, niet bekeeren tot den levenden God. De zaligheid is niet in de prediking der natuur, zooals zij tot ons uitgaat van de hemelen met hunne schoonheid in de nachten of in den lichtglans hunner dagen. De schepping Gods in hare verhevenste openbaringen spreekt wel tot de menschenziel van de grootheid Zijner krachten, van de wonderheid van Zijn scheppend vermogen, verkondigt wel de kleinheid der menschen, drukt hen wel neer in hunne volstrekte afhankelijkheid, predikt wel Gods majesteit en heerlijkheid, maar is niet gepaard met de wederbarende werking van Gods Heiligen Geest. Daarom, voor de redding der zondaarsziel is in het scheppingswoord, dat in de hemelen geschreven werd, geen kracht gegeven. Om de menschheid te brengen tot een nieuw en ander leven, is een Woord van noode, dat als een zaad der wedergeboorte uitgezonden wordt. Dat Woord is het eeuwig Woord zelf, waardoor de hemelen gemaakt zijn, maar dat Zijn scheppend werk heeft doorgezet in de herschepping der gevallen menschheid door vleesch te worden en onder ons te wonen. Hij spreekt niet als het zwijgende woord in de hemelen, maar komt .als het gesproken en sprekende Woord tevens. De Heere Jezus, die zelve de weg, de waarheid en het leven is, heeft tot ons gesproken het Woord van God. God zelve heeft tot ons gesproken door den Zoon. Van Zijne kribbe en Zijn kruis, als de Verrezene en de Verheerlijkte, sprak en spreekt Hij tot ons niet slechts van Gods mogendheid en wijsheid, maar van de eeuwige liefde des Vaders. De natuur predikt die liefde niet. Maar wie den Zoon gezien heeft, die heeft den Vader gezien. Het geluid dat uit den hemel der hemelen weerklinkt om deze aarde te verkondigen de heerlijkheid van den Schepper, die hare Herschepper tevens is. En die mensch zal zelve als een kunstgewrocht van Zijn ontfermen licht worden in den Heere en als eene sterre van Gods heil der wereld Gods glorie verkondigen door zijn woorden en daden, door zijn leven en sterven, want Gods kinderen zijn allen kinderen des lichts.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken