Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

11 minuten leestijd

Genesis 1 : 28. En God zegende hen en God zeide tot hen : Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde en onderwerpt haar en hebt heerschappij over de visschen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat over de aarde kruipt.

2e Serie. Uit het ongeschreven Woord. II.
De mensch is wel diep gevallen, zoo diep, dat hij zelden meer iets beseft van de groote voorrechten, die hem in vergelijking met andere schepselen te beurt zijn gevallen. Aan de hooge, edele gaven zijns geestes beantwoorden de schoonste, heerlijkste genietingen, waarvan de lagere levende wezens niet kunnen smaken. Als Gods beelddrager beschikt hij over een redebewustzijn, dat hem in staat stelt met de kennis Gods eene gemeenschap met Hem te doorleven, waardoor eene wondere heerlijkheid hem geopenbaard wordt, die de dieren niet vermogen te genieten. En dank zij die zelfde rede kan hij ook de natuur benaderen, niet sleohts door natuurlijke aandriften gedrongen, maar bewogen door eene geestkracht, die hem in de schepselen de wonderwerken van den Schepper ontdekken doet. En bovendien mag hij met zijne medemenschen een omgang kennen, die, aanvangende in de eenheid van man en vrouw, zich heeft opgeheven tot de geneugten niet alleen, maar ook tot de plichten van een gemeenschapsleven, waarin zich vergezichten aan hem voorstellen, die aan heel zijn leven een wonderbare beteekenis verleenen. En dat alles gaat gepaard met intonaties van het gevoelsleven, die een glans van heerlijk licht werpen over het menschelijk bestaan.
Maar de tegenstelling is ook waar en wordt door sommige wijsgeeren op den voorgrond gesteld, datzelfde redelijke bewustzijn stelt den mensch in staat om smarten te doorleven, die vlijmen door zijne ziel. Indien wij geen redebewustzijn deelachtig waren, zou het leed van ons leven, waarvan Mozes reeds zeide, dat het meeste onzer jaren moeite en verdriet is, ons niet kunnen treffen.
De hoogheid van den mensch, als naar Gods beeld geschapen wezen, is de grond voor de verheven heerschersplaats, die hij inneemt in de wereld, maar baart ook tegelijkertijd de mogelijkheid van een misbruik zijner gaven. Het redelijk, zedelijk bewustzijn, dat hij in zich draagt, stelt hem in staat zich als een „ik" te kennen en te onderscheiden te midden der wereld, waarin hij leeft, zijn „ik" ook te onderscheiden van het goddelijke Wezen, zich aan Hem te onderwerpen en tot Hem te zeggen : U kiest mijn hart eeuwig tot mijn Koning. Doch datzelfde redelijk, zedelijk bewustzijn biedt tevens den grond voor de ontroerende mogelijkheid zich te stellen tegen zijnen Schepper en tot Hem te zeggen : „ik wil niet, dat Gij koning over mij zijn zult". Het stelt den drager van Gods beeld in staat de touwen van zich te werpen en de banden te verscheuren van de ingeschapen levenswetten. En de Heere zelve heeft vanwege dien edelen aanleg Zich met dien mensch in betrekking kunnen stellen, heeft gemeenschap met hem kunnen oefenen, heeft met den mensch reeds krachtens schepping naar Zijn beeld kunnen spreken en, sprekende met hem, Zijn goddelijk Woord hem kunnen geven als een licht op zijn pad en een lamp voor zijn voet. Zoodra de mensch in het aanzijn is geroepen en hij als man en vrouw is voortgebracht, vangt het proces van gemeenschap aan tusschen God en mensch en met die betrekking ook de daad der openbaring Gods. Zoo is er dus terstond bij de verschijning des menschen eene openbaring ingetreden, die de strekking heeft den mensch te ontdekken aan zichzelven, opdat hij ook zijn God zou kennen. God leert den mensch, die uit Zijne kunstenaarshand op zoo geheel bijzondere, in vergelijking Het de andere schepselen, op zoo geheel eenige wijze voortgekomen is, door zijn bewustzijn te ontsluiten allereerst voor wat zijn eigen menschelijk wezen en leven is, voor de doeleinden, die het te verwezenlijken heeft. En daarom is het eerste, dat tot den mensch gesproken wordt, nadat Gods zegen over hem is uitgegaan : „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u."
Er is een merkwaardig onderscheid gemaakt tusschen de lagere schepselen en den mensch. Allereerst is er een groot verschil op te merken tusschen Gods betrekking tot de hemellichamen en die tot de schepselen met eene levende ziel. Van de hemellichamen en van het kruid der aarde geldt, zoodra zij zijn voortgebracht: „En God zag, dat het goed was". Maar zoodra er sprake is van „het gewemel van levende zielen" in de wateren, van de groote walvisschen, van het gevogelte des hemels, dan staat er niet alleen geschreven, dat God zag, dat het goed was, maar wordt er aan toegevoegd: „God zegende ze". En die zegen luidt: „zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de wateren in de zeeën en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde". Maar God zegt tot deze schepselen niets. Die zegen wordt over hen uitgesproken, wordt hun opgelegd, maar zij zelven v/eten daarvan niet, kunnen daarvan niet weten, omdat zij Gods sprake niet kunnen verstaan. Gods zegenend werken is over hen, doch zij weten het niet. Zij genieten van Zijne wondere goedheid geheel onbewust. Zij leven daarhenen, ontvangen alle weldaden Gods, maar hebben geen besef van hetgeen er met hen geschiedt. Doch anders is het wanneer de mensch verschenen is op deze aarde. „God schiep den mensch naar Zijn beeld, man en vrouw schiep Hij ze". Van hen wordt in het geheel niet gezegd, dat God zag, dat hij goed was, want hij was naar Gods eigen beeld geschapen als een bijzonder kunstgewrocht en dat was eene schoonheid en eene heerlijkheid, op zichzelve beschouwd zoo groot, dat het woord „goed" om zulks te noemen niet genoegzaam was. Eerst later, als Zijn gansche scheppingswerk door God wordt in oogenschouw genomen, dan wordt van dat scheppingswerk in zijn geheel gezegd : „En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed". En die lofzegging strekt zich dan ook uit over den mensch, ook hij was zeer goed en heeft zulke met alle schepselen gemeen. Hij was dus wel goed, maar het wordt van den mensch, wanneer man en vrouw geschapen zijn, niet afzonder-lijk gezegd, omdat dit voor den drager van Gods beeld niet noodig was te zeggen. Maar wel wordt van den mensch gezegd : „En God zegende hen". Ook over dien mensch gaat dat zegenende, levenwekkende woord uit, dat als een adem des levens zijn levensvuur aanwakkeren moet. Ook in dien mensch zal Gods zegen werken als eene immanente, bezielende, stuwende kracht, die zijn leven niet slechts in stand houden zal, maar het als een bron van nieuw-leven stellen zal. Gods zegen is toch niet als de ijdele gelukwenschen, die de menschen elkander vaak toevoegen en medegeven, maar hij is als een drager van kracht, als een levenwekkend woord, dat Zijn scheppend woord, waardoor de dingen zijn geroepen eenmaal voor het eerst, als in en aan de schepselen meegeeft, opdat hun leven een levensdrang zal worden, die nieuw leven voortbrengt. Die zegen wordt ook over de kinderen der menschen gelegd, wordt man en vrouw ingelegd, wordt hun als medegegeven op den weg des levens. Dat hebben de menschen dus gemeen met het gewemel der levende zielen, met het gevogelte. Maar het onderscheid is dit : Over die lagere schepselen wordt Gods zegen gelegd en zij weten het niet, beseffen het niet. Zij zijn prijsgegeven aan de driften hunner natuur en vervullen alzoo spontaan en automatisch de hun ingelegde levenswet. Er is in hen bij die voortbrenging geene bewuste keuze, er is geene sprake van eene daad. Maar tot den mensch zegt God: „weest vruchtbaar". Hier is dus sprake van een woord Gods, dat tot den mensch uitgaat. God richt Zich tot het menschelijk bewustzijn door het woord, brengt het voor den mensch tot klaarheid. De wijze, waarop dat woord tot den mensch gericht wordt, is niet nader toegelicht. Dit ééne slechts wordt duidelijk, dat God den zegen geeft aan den mensch en aan het menschelijk bewustzijn daarvan heeft kond gedaan, het voor den mensch in het licht stelde, zóó, dat die mensch het moest verstaan als eene door God zelven hem geopenbaarde waarheid. Zoo onthult God den mensch deze in hem wonende levensdrift tot vermenigvuldiging des levens. Bij den mensch mag deze levensdrang niet, als bij de dieren, eene reine natuurdrift wezen, maar moet hij, dank zij zijn redelijk wezen, eene welbewuste, eene zedelijke daad zijn. Heel het sexueele leven des menschen verschijnt daardoor in hooger licht, krijgt daardoor een ander karakter. Als redelijk, zedelijk wezen moet de mensch zijne vruchtbaarheid kennen en ook willen ontplooien. Als eene bestemming des levens moet hem de drang tot voortplanting wezen. De mensch zal daarin een levensdoel moeten onderkennen, dat hij welbewust nastreeft, een ideaal zal hij er in moeten zien, dat hem voortwenkt, opdat hij in de verwezenlijking daarvan eene levenswet gehoorzamen zal. In de procreatie, in de voortplanting des geslachts, is dus eene goddelijke scheppingsordinantie te zien, die den mensch in den beginne door God zelven wordt geopenbaard. God laat den mensch deze aandrift tot voortbrengen, die alle levende wezens kenmerkt, die eene eigenschap des levens is, zien in het licht van een zedelijk ideaal, dat in de verwerkelijking zijner bestemming is gegrond, omdat het met zijne bestemming is gegeven. Het leven, dat de mensch deelachtig is, draagt den drang tot levensontplooiing in zich, tot het voortbrengen van een geslacht. En in de sexueele daad moet dat dus het doel zijn, dat de mensch welbewust nastreeft. En God openbaart zulks aan den mensch, maakt het hem bekend, zegt het tot den mensch, opdat daardoor eene geheel andere waardeering van het sexueele leven in het menschelijk hewustzijn zal geboren worden.
Dat eerste woord, dat God tot den mensch spreekt, heeft dus de strekking den mensch de levensaandriften te doen verstaan en te leeren waardeeren in het licht eener doelmatigheid, die als een normatieve wet gehoorzaamheid eischt, dus door den mensch zelven zal worden gewild.
Doch als wij dan merken op de zedelijke verschijnselen, die onze dagen te aanschouwen geven, hoe blijkt dan van de zedelijke verwording, van de totale ontwrichting der zedelijke grondslagen in dit moderne leven, vooral ook op sexueel gebied. Het kenmerkt zich door eene afgrijselijke verwildering, door verdierlijking, door perversiteit, waarover Gods vloek is aangekondigd niet alleen, maar waaraan ook Gods vloek wordt voltrokken. Naarmate de ontkerstening voortschrijdt, naarmate het gezag van Gods Woord wijkt, naar die zelfde mate werd ook het sexueele leven gesteld buiten het licht zijner natuurlijke bestemming. Het kan worden waargenomen, hoe duizenden en duizenden, verleid door de kunstmiddelen eener dusgenaamde wetenschap, eene scheiding maken leerden tusschen het sexueele genot en de gevolgen der sexueele daad en alzoo de van God in het leven ingelegde levensfunctie aan hare bestemming onttrekken. Doch omdat het eene goddelijke ordinantie is, die in het vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen eene natuurlijke levenswet stelt, daarom kan ook de mensch zich met al de kunstmiddelen zijner dusgenaamde wetenschap toch niet straffeloos daaraan vergrijpen. Duizenden doen zulks onder alle kringen des volks, maar ook duizenden lijden onder de vreeselijke gevolgen van dit onnatuurlijk kwaad.
Wie de steeds grooter wordende lijsten der echtscheidingen aanziet en bedenkt, hoe elk scheidingsproces door eene geschiedenis wordt gekenmerkt van een dikwijls ontroerend leed, geboren uit vergalde humeuren en korzelige gedragingen, die de vrucht meestal zijn van zenuwzieke gestellen, opgekomen uit de verborgen zonden van een onnatuurlijke levensverhouding, dien is het duidelijk, hoe niet straffeloos Gods ordinantie kan worden vertreden. En wie opmerkt, hoe de sociale ziekte van den modernen tijd, de krankzinnigheid, steeds nieuwe slachtoffers maakt, steeds nieuwe gestichten vullen kan, en hoe ook daarin de verwording van het sexueele leven met hare afgrijselijke krankheden maar al te vaak een factor van beteekenis blijkt, voor dien moet het wel duidelijk zijn, hoe het vergrijp aan de grondwet van alle leven, dat zich openbaart in allerlei vormen van ontucht, eene geweldige wrake met zich brengt, waaronder de moderne menschheid zucht en lijdt.
Als de mensch, geschapen man en vrouw, als het schepsel bij uitnemendheid, beelddrager Gods, op deze aarde verschijnt, dan is het eerste woord, dat God tot hem spreekt, de onthulling van die levenswet, die in het vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen het doel van het leven zelf aan den mensch voorhoudt, opdat hij in reinen en kuischen wandel de hoogste openbaring van het beeld Gods, dat hij draagt, zal onderkennen in de daad der voortbrenging, waarin de mensch met den Schepper zelven de treffendste gelijkenis toont. En met de gehoorzaamheid aan deze scheppingsordinantie, die God terstond den mensch in het hooge, heilige licht van Zijn Woord voor zijn bewustzijn stelt, is gegeven de verwerkelijking der bestemming des natuurlijken levens en dus de gezondheid en het levensgeluk van den mensch. Reeds dat eerste Gods Woord, tot het menschelijk bewustzijn gesproken, die ontdekking voor de ware menschelijke natuur, de kennis dezer ordinantie, van den Schepper zelven den kinderen der menschen ingelegd, toont ons welk een kostbare gave der menschheid is bereid in het eeuwig blijvend Woord van God. Het leert den mensch, dat God door Zijn bevelen niet sleohts beloften geeft voor de toekomst, maar licht en heil en zegen schenkt in dit heden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken