Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER

6 minuten leestijd

1. De bijzondere Openbaring. God leeft God is geen dood ding. De Heere is geen eeuwige onbewogenheid. God leeft en is voor eeuwige expansie. Er is een eeuwige Zelfopenbaring Gods. Dat is : een ópen-breken met een eeuwige uitstraling van majesteit en heerlijkheid, met mededeeling van wijsheid, vreugd en leven. En dat geschiedt niet in onbewustheid, niet tegen of buiten Gods wil; dat is geen onbewuste ej ongewilde „uitvloeiïng" (emanatie), maar 't is een daad Gods en Hij doet het Zelf naar Zijn wil. Het is Zelfopenbaring, welke haar doel vindt in God Zelf ; 't moet alles medewerken tot Zelfverheerlijking,
Men moet het niet voorstellen, alsof de openbaring Gods pas begint met de schepping of om de wille van den mensch, om de wille van iets buiten God, geschiedt, Want de eeuwige God openbaart Zich Zelf van eeuwigheid om Zijns Zelfs wil — waarin Hij dan, naar Zijn raad en wil, later bijzonder de schepping en heel in 't bijzonder den mensch betrekt.
De Wezens-openbaring Gods is van eeuwigheid. Ter wille van Zich Zelf (de Wezens-of de „Zijns"-openbaring) openbaarde God de Vader Zich van eeuwigheid:1. in den Zoon ; 2. in Zijn Raad. De Zoons „het afschijnsel van Zijn heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid" Hebr. 1 : 3. (de eeuwige generatie van den Zoon; de wezenséénheid en wezensgelijkheid van den Zoon met den Vader, God uit God, licht uit licht). 2 Oor, vers 4 : „.... de heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is". Col. 1 : 15 : „dewelke het beeld is des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creaturen". (De Zoon is in gansch anderen zin „beeld Gods", dan we later, in den tijd, krijgen, als de mensch , .naar Gods beeld en gelijkenis" geschapen is ; dat is niet de wezens-éénheid met God ; Zoonschap van Christus, Kindschap der geloovigen. Cat. Zondag 13).
Van eeuwigheid is er een Wezens-openbaring Gods in den Zoon (openbaren = open-breken, uitstralen, mededeelen). Het is een objectiveeren Gods in Zijn Zoon Spr. 8 : 30 : „Toen was ik een voedsterling bij Hem en ik was dagelijks Zijne vermakingen, 'te aller tijd voor Zijn aangezicht" — zegt de eeuwige Wijsheid.
Ook objectiveerde, openbaarde God Zich in Zijn eeuwigen Raad, die realiteit in zich zelf heeft. Zoo vinden we in de eeuwigheid de openbaring Gods. De Wezens-, de „Zijns" openbaring Gods, in den Zoon en in Zijn Raad.
Maar God wilde Zich ook openbaren in de schepping, toen, naar Zijn eeuwigen Raad, de tijd daarvoor gekomen was. Ook de schepping is geen onbewuste daad Gods, geen emanatie (pantheïsme), maar het te voorschijn roepen van „hemel en aarde", om daarin Zich Zelf te openbaren en nader bekend te maken. (Ps. 8 ; Ps. 19). Bijzonder wilde God Zichzelf zien in den mensch, dien Hij schiep „naar Zijn beeld en gelijkenis". (De mensch wordt in Lukas 3 genoemd „Adam was de zoon van God").
En nu komt de Heere met Zijn „Ken"openbaring in de natuur, in de geschiedenis, in het geweten, om Zich Zelf aan den mensch, den beelddrager Gods, bekend te maken, opdat zij Hem allen kennen zouden. En nu onderscheiden we die „Ken"openbaring in algemeene en bijzondere openbaring. De algemeene openbaring is dan in het boek der natuur, in de geschiedenis, In het geweten, in het verstand van den redelijken-zedelijken mensch — maar de bijzondere „Ken"openbaring treffen we aan in woord en geschrift, dat van Godswege ons toekomt en waarin Hij Zich Zelf nader aan ons bekend maakt, voor zoover het Hem behaagt Zich Zelf aan ons te presenteeren en te ontsluieren (openbaring, apocalypse = het deksel er af nemen, de onbekendheid opheffen; geen „onbekende God"). Die bijzondere openbaring in woord en geschrift, verschijning, droom, enz. (we hebben een „sprekende" God, een God, die „verschijnt" enz.) is van de grootste beteekenis en voor den mensch onmisbaar. Want het is niet waar, wanneer men zegt, dat de mensch, nadat hij door God geschapen was en terwijl God Zich in de schepping en in het geweten openbaarde, van zelf de rechte en noodige kennis van God kreeg. God komt aanstonds tot den mensch in den weg van Zijn bijzondere openbaring („Ken"-openbaring) en spreekt met den mensch, verschijnt aan den mensch, onthult Zich aan den mensch, maakt Zich aan hem bekend. Hij onderwijst hem vanaf 't eerste oogenblik in het Paradijs op een zeer bijzondere wijze. (Gen. 1 en 2).
Deze bijzondere Zelf-openbaring Gods is, opdat de mensch, die naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is (ingeschapen Godskennis ; sensus divinitatis) Hem recht zou kennen en Hem van harte zou liefhebben en dienen en in Hem het eeuwige leven zou vinden, om hier in den tijd en straks in de eeuwigheid met Hem te leven. (Cat. Zond-3, vr. 6). En deze bijzondere Godsopenbaring, die van den grooten Paedagoog en Opvoeder komt, heeft een geschiedenis, naar de eeuwige idee van Gods alwijzen Raad. Er zit voortgang, opklimming, ontwikkeling in, al is zij aanstonds gericht op het hoogste doel : God recht te kennen en Hem van harte lief te hebben en eeuwig met Hem te leven. (Gen. 1 en 2). Van die opklimming en voortgang en ontwikkeling der bijzondere openbaring spreekt Hebr. 1 vers 1. Vele malen heeft God Zich geopenbaard en op velerlei manier, gaande straks dwars door het werk van Satan, den vader der leugen, heen, en gaande van Oud-tot Nieuw Testament, om in deze laatste dagen (na deze bedeeling zal er geen andere, geen derde bedeeling komen) tot ons te spreken door den Zoon.
Die bijzondere openbaring begon bij de schepping, bij den eersten mensch aanstonds in het Paradijs, maar eindigt nu niet bij de herschepping ; óók in den staat der heerlijkheid zal de Zelfopenbaring Gods voortduren ; dan zal Hij zijn „alles in al de Zijnen". In die Zelfopenbaring, welke nu haar hoogste heerlijkheid en zaligste volheid heeft in Jezus Christus, is de weg, de waarheid en het leven voor den mensch gelegen. „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kermen, den eenigen, waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt" (Joh. 17 : 3). En die Christus, met al Zijn volheid, komt nu tot ons in het gewaad des Woords. Het is de Christus der Schriften, die het leven van ons leven moet worden en zijn, door den Heiligen Geest.
Daarom is Gods Woord, de Heilige Schrift, voor ons onmisbaar en genoegzaam.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEREFORMEERDE GELOOFSLEER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken