Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

DAT IS JAMMER.
Het Herv. Zondagsblad wijst er op, dat ds. A. B. te Winkel, zeker een van onze bekwaamste leden der Synode, nu voor drie jaar buiten de Synode zal vallen, omdat hij, aan de beurt van aftreden zijnde, door een ouderling moet worden vervangen en een zittend predikant niet voor hem Is opgestaan, om plaats voor hem te maken. Ook wij betreuren dat grootelijks. Wie iets van de werkwijze der Synode kent en van de onderwerpen weet, die juist dit jaar (en waarschijnlijk de eerstkomende jaren) staan behandeld te worden, zal dat met ons betreuren.
Had dat niet kunnen voorkomen worden ? Het Herv. Zondagsblad schrijft aldus :
»Ds. A. B. te Winkel, van Den Haag, zat voor Z.-Holland. Zijn zittingstijd loopt binnen enkele weken af. En dat niet alleen. Voor hem als predikant-lid moet voor de volgende drie jaren een ouderling-lid gekozen, wat ook gebeurd is.
Maar nu : het uitvallen van ds. te Winkel, die herhaaldelijk vice-president der Synode was, had o.i. moeten worden voorkomen. Het Prov. Kerkbestuur van Zuid-Holland had dat in zijn macht. Men heeft dat echter niet gedaan. En zoo zal ds. te Winkel buiten de Synode blijven. Wij betreuren dat om meer dan éen reden. Hij was een Synode-lid met kennis van zaken. Men fluistert wel eens, dat er eigenlijk maar heel enkele goede Synode-leden zijn, d.w.z. die er zitten met de vereischte kennis van zaken. Ds. te W. was een van die weinigen. En bovendien was hij een man van invloed, die vanwege zyn breeden blik op het geheele terrein der Kerk veel waardeering vond. Wel zeer wonderlijk is, dat men nu op de a.s. Synode over het groote stadsprobleem moet handelen, zonder dat er ook maar één predikant van de grootste steden zitting heeft.
De vrijzinnigen doen anders. Zij schoven steeds hun generaal, nu wijlen ds. Niemeijer, naar voren. En thans zet men de traditie in Friesland voort. De vice-president van het Prov. Kerkbestuur, ds. Vink, nu president geworden door het overlijden van den president ds. Bruins, maakte reeds in de eerste zitting van dat 'bestuur plaats voor ds. Van Krevelen, die thans president is geworden.
De besten vooraan ! Dat is het parool der vrijzinnigen.
En bij ons ? Daar laat men de kundigsten vallen ! Jammer ! Zéér jammer !
Vooral nu de Synode van 1934 zoo zeer belangrijk belooft te worden aan allerlei, dat reeds eerder aan de orde was, waarbij het op zaak-kundigheid aankomt.
Er valt thans niet meer aan te veranderen, het zij zoo, maar wij willen onze teleurstelling over dezen gang van zaken toch uitspreken.

OP DEN MAN AF VRAGEN.
De Kerkeraad der Ned. Hervormde Gemeente te Alblasserdam, waar een zeer „gemengde" bevolking woont, heeft, om den ernst van de Doopsbediening te verhoogen, enkele maatregelen genomen ; o.a. om voortaan de ouders in de kerk één voor één (en niet meer allen tezaam en tegelijk) op de doopvragen te laten antwoorden. De N. Rott. Ct., die soms zoo „vuil" liberaal en zoo „hatelijk" modern kan zijn in z'n rubriek „Kerknieuws" (bij welke rubriek wij ons nu maar bepalen) heeft natuurlijk den spot gedreven met deze dingen, 't Zij zoo. 't Vat geeft uit, wat het inhoudt. Maar nu komt b.v. een man als mr. ds. C. J. Bartels te Colmschate in „De Nederlander" vertellen, dat hij al lang doet wat nu in Alblasserdam besloten is te gaan doen.
Het vragen op den man af pas ik reeds eenige jaren toe om dezelfde reden als u noemt. Na het voorlezen der doopvragen roep ik de namen en voornamen der ouders stuk voor stuk af en vraag hun het antwoord. Bij de bevestiging van lidmaten doe ik trouwens hetzelfde.
Hoewel het vragen „op de man af" altijd beter is dan vraag en antwoord „in massa , heb ik inmiddels toch niet den indruk, dat met dit middel „meer ernst bij de doopsbediening" wordt bereikt. Ook het persoonlijk „ja wat men weer even sleurmatig of magisch op als het massa-„ja". |
Ik vraag mij dan ook af : moet niet de Kerk zelf beginnen met „meer ernst" te maken. Daarvoor is in de eerste plaats noodig, dat zj zich de geestelijke gesteldheid van haar doorsnee-kerkvolk realiseert. Want begrijpt het doorsnee-kerkvolk wel het doopformulier en de doopvragen ? Moeten formulier en doopvragen niet veel korter en bondiger zijn, ontdaan van allerlei plechtige omhaal van woorden ? En : moet niet de pastorale praktijk anders worden ? Er moet m.i. huisbezoek gedaan worden vóór den doop, niet daarna. Dat bezoek moet afgesproken zijn, zoodat vader en moeder beide thuis zijn, en de kinderen naar bed zijn.
Natuurlijk stelt een dergelijke methode van huisbezoek groote technische eischen. Want men moet daarvoor zijn geheele gemeente kennen en weten waar kinderen zijn geboren. Dat probleem is echter zelfs in groote gemeenten, mits met „ernstige" techniek, te overwinnen.
Vervolgens klemt daarbij het vraagstuk van „tijd hebben". Welke dominé heeft tijd daarvoor ? Ik erken de volle zwaarte van die vraag. Maar aan den anderen kant erken ik, dat wij, predikanten, volle ,,ernst" moeten maken met wat we in onzen beroepsbrief op ons hebben genomen, waarin toch uitdrukkelijk wordt genoemd „het bezoeken der gemeenteleden aan hunne huizen".
En tenslotte spreekt daarbij mee het vraagstuk van personeel. De predikanten moeten bij het huisbezoek kunnen worden bijgestaan, subsidiair vervangen, door de ouderlingen. Op het punt van de taak der ouderlingen moet de Kerk ook „ernst" maken. In bovenstaande richting zoekende, kan de Kerk "„meerdere ernst" met de doopstbediening toereiken grootendeels zonder reorganisatie of verandering in de reglementen*.
Wel zeer eigenaardig, dat, wat aan den Kerkeraad van Alblasserdam als een ongeneerde fout wordt aangerekend door de „N. R. Crt.", door ds. B., als reeds in de praktijk bestaande, bevestigd wordt.

DE SCHEIDING EN DE GEREFORMEERDE GEZINDHEID.
Op den Bondsdag van de Herv. Jongelings-Vereen. op Geref. grondslag, te Utrecht gehouden op Hemelvaartsdag, heeft prof. Visscher over bovengenoemd onderwerp gesproken. Zijn referaat is intussehen in druk verschenen als uitgave van den Bond.
Aan de rede ontleenen we het volgende :
Voor de Kerk kan alleen Gods Woord als norm dienen. Zij leeft uit Christus, haar Hoofd, uit Wien telkens meerdere schatten ons geschonken worden. Omdat de Waarheid voor alle eeuwen één is, is ook de Kerk één in haar leven. Dat is het lichtend spoor door een donkere wereld. In haar moet het leven van Christus openbaar worden, wat nog iets anders is dan een opgezegd lesje of een nagesproken belijdenis, 't Gaat niet om een verstard dogma, maar om rijker geestelijk leven. De Reformatie was een worsteling van het leven en van het licht, om tot openbaring te komen tegenover dood en duisternis. Ook onze Nationale Kerk was de bezielende kracht bij de geboorte van ons volk. Langzamerhand kwam er overheersching van de leugen en in den strijd met den tijdgeest komt de Scheiding. Dat bewijzen Comrie's dagen. Zoo was het in 1734, zoo was het in 1834 en zoo is het ook in 1934. Koning Willem I hield zich correct tegenover allerlei Kerkformaties, behalve tegenover onze oude Nationale Kerk. Door de aanhoudende zorg der Regeering werd zij van haar vrijheid beroofd. In den ontkerstenden Staat werd de Nationale Kerk der verwording prijs gegeven. Onder den schijn van de Waarheid te beschermen werd de leugen bevoorrecht. Dat bracht het Conflict tusschen de Gereformeerde Gezindheid en het „Staatscreatuur" van 1816. In de Scheiding van 1834 is te zien één der vormen van verzet van Gods levende Kerk tegen het dwangbuis van het onrechtmatig opgelegde instituut. De Scheiding is niet gemaakt, maar geworden. Maar hoe begrijpelijk die beweging van 1834 ook is, daarom is de daad der Afscheiding nog niet de daad die Woord en Belijdenis eischen. Er was een misverstand in het spel: de Kerk en de haar opgedwongen organisatie werden vereenzelvigd. In het verzet tegen het onrecht, de Kerk aangedaan, was de Gereformeerde Gezindheid één, maar niet in de daad van de Scheiding, die een inbreuk was op de Confessie, waarvoor men meende te strijden. Groen's houding tegenover de Afscheiding is hieruit te verklaren. Groen wilde geen scheiding, maar een geloofséénheid tegen het ongeloof. Hij deed een toeroep op het recht der Kerk en noemde de Scheiding zonde, dewijl de Formulieren niet waren afgeschaft en het recht der Kerk daardoor was bewaard gebleven.
De Doleantie van 1886 is begonnen met haar afkeer van de Scheiding uit te spreken, door een beroep te doen op het juiste Kerkbegrip. Maar zes jaar later, in 1892, gaf zij wezenlijk haar geboorterecht prijs. Twee onderscheidene soorten van kerkelijke bewegingen vloeiden toen inéén; en uit een gekruist ras groeien niet altijd gezonde spruiten. Groen veroordeelde den ij delen waan en zelfverheffing van de Scheiding, waarbij er minachting was van degenen, die achtergebleven waren. Toch moet men ook deze dingen zien onder het licht van Gods voorzienigheid en in de Afscheiding, is óok een vleugel van Gods Kerk, een moment der Gereformeerde Gezindheid. De Kerken der Scheiding zijn niet alléén de ware Kerken, al geven sommigen zich daarvoor uit. Maar het is al niet geschied buiten Gods voorzienige leiding met Zijn Kerk.
De tegenwoordige toestand onder ons is niet rooskleurig. Wat Groen van Prinsterer verweet aan de kerkelijke orthodoxie, dat zij in onbewogenheid voortleefde, geldt nóg als verwijt. En het voortgaande scheidingsproces onder ons vindt daarin z'n oorzaak. Daarbij ligt er een zegen in de gescheiden Kerkformaties, die kerken bouwen en predikers onderhouden. Onze orthodoxie ziet het rustig aan, dat toet volk verloren gaat.
De Scheiding zelve heeft ook ingeboet in geestelijke kracht. Men heeft daar den geest des tijds niet kunnen ontloopen. En het is zeer de vraag of nu de Scheiding nog zou zijn ontstaan ? De Gezangenkwestie en de beschouwingen aangaande Artikel 36 bewijzen het diep verval. Men heeft ook een andere houding aangenomen tegenover het rechtsprobleem der Kerk, door Groen eenmaal gesteld. Er is geen worsteling meer, ook in de A.R. Partij niet, voor het recht. Men weent niet aan Babels rivieren. Het eens zoo heerlijke Jeruzalem : de ons nationale leven bezielende Kerk, hebben zij vergeten. Men liet los het onvergankelijk recht op de beiijdenis, aan de Kerk door Staatsgeweld ontnomen. De Hervormde Anti-Revolutionairen hebben zich de vraag te stellen, of zij heden nog bereid zijn tot den strijd voor het recht der Kerk. De redding der Kerk is levensbelang voor ons volk. Als de A.R. Partij niet anders wil zijn dan een soort liberalisme, dat liever in het gestoelte der eere zit, dan in den strijd gaat, dan moeten de Hervormde Anti-Revolutionairen het compas der beginselen weer ter hand nemen.
Op U, Hervormd Gereformeerde jongelingen — aldus besloot spreker zijn rede — rust de roeping tot den strijd voor dat recht der Kerk. Verlossing van het onrecht btoaart de morgenstond eener hereeniging van al het volk, dat waarachtig Gereformeerd is. Het leed der Scheiding kan slechts overwonnen worden in de ééne, het nationale leven bezielende, leidende Gereformeerde Kerk. Daarom : bidt en strijdt om den vrede van Jeruzalem en daarmede om het recht van Gods Kerk.

HOE VADER BRAKEL DACHT OVER HET DUIZENDJARIG VREDERIJK. —
Naar het oordeel van Vader Brakel, inzake het Duizendjarig Vrederijk op aarde, vraagt men nog al eens. Daarom willen we trachten zoo beknopt mogelijk, maar tegelijk zoo volledig mogelijk, hier zijne gedachten af te schrijven.
Wilhelmus a Brakel, in leven bedienaar des Goddelijken Woords te Rotterdam, heeft een bekend boek geschreven Logikè Latreia, dat is : Redelijke Godsdienst, in drie deelen. In het 3de of laatste stuk geeft hij een verklaring van de Openbaringen van Johannes en daar zegt hij, bij de behandeling van hoofdstuk 20, onderscheidene dingen, rakende de leer van een Duizendjarig vrederijk op aarde. (Wij gebruiken de uitgave van Redelijke Godsdienst, verschenen bij D. Donner te Leiden. 1893).
Het eerste wat ons opvalt is, dat Brakel steeds spreekt van „een heerlijke staat der Kerk". Zijn gedachten gaan niet in de richting van de meeste Chiliasten. Maar hij verwacht een bizonderen opbloei van de Kerk, een ideaal-toestand, wat duizend jaar duren zal. Hij zegt, dat hij 't wel niet toeleven zal, maar hij verwacht, dat de bizondere geestelijke opbloei toch komen zal; en wel als de Paap en de Turk vernietigd zullen zijn; want dat zijn de instrumenten van den draak.
We beginnen met onze citaten of aanhalingen op blz. 317 en gaan dan verder.
Daar lezen we ('t gaat dus om de uitlegging van Openb. 20) : „Het eerste, dat na de vernietiging van den Antichrist" (dat is voor Brakel : Rome's Kerk) „komen zal, is een duizendjarige heerlijke staat der Kerk op aarde". Dan zal wèg genomen worden 't geen hinderen zou, door Satan te binden, opdat hij de volkeren niet meer verleiden zou. Hij zaait ketterijen, hij verblindt de zinnen der ongeloovigen, heerscht over hen en houdt ze onder zijne strikken gevangen en bestrijdt de geloovigen op allerlei wijze ; maar nu zou hem dat afgesneden worden en dat voor een tijd van „duizend jaren". „Dat is niet zóó te verstaan, alsof er in dien tijd van de duizend jaren volstrekt geene duivelen meer op de aarde zouden zijn; hij zal altijd als een brullende leeuw omgaan, zoekende wien hij mocht verslinden ; maar 't ziet op de publiekheid ; hij zal geen openbare staande partij tegen de Kerk kunnen uitmaken, gelijk hij deed, eerst door de Heidensche keizers en daarna door den antichrist. En na de duizend jaren zal hij 't wederom doen door Gog en Magog".
Brakel heeft het er dus over, dat voor de Kerk van Christus na de bloedige tijden van de heidensche keizers en na de vervolgingen van Rome (de Antichrist) een tijd van betrekkelijke rust voor de Kerk zal intreden, gedurende duizend jaren. Daarna zullen de verschrikkingen, in de laatste tijden, weer terug komen, als Gog en Magog den kop zullen verheffen".
Van „die binding van satan" zegt Brakel: „'t is alleen een wegruimen van dat, hetwelk te voren hinderde" (tolz. 320). „Gelijk de duivel duizend jaar zal gebonden zijn, zoo zal ook de goddelooze partij der Kerk die duizend jaren ingetoomd worden, dat ze geen macht en geen leger te velde zullen kunnen brengen om de Kerk te bestrijden en te verdrukken". „Het herleven der martelaren" is de openbare voor den dagkoming van hun zaak, door de heerlijke vertooning der Kerk in de wereld en zoo zal „het niet wederom herleven der overige dooden" zijn : hun demping en ten onderhouding, zoodat ze niets kunnen beginnen tegen de Kerk.
Brakel heeft het dus over „de herleving der Kerk na de verdrukking"; en hij noemt dat „de eerste opstanding" (terwijl dan later de tweede opstanding komt, na de tijden van Gog en Magog, als Christus op de wolken ten oordeel verschijnt, waarop voor de vromen de eeuwige heerlijkheid zal volgen).
„Niet allen, die in de Kerk zijn, zullen deelen in de heerlijkheid van de Kerk, maar die waarlijk de geestelijke goederen des verbonds der Genade zullen deelachtig zijn, die zullen deelen in de heerlijkheid van de Kerk, meer dan ooit te voren; doch 't zal nog alles onvolmaakt zijn".
De Kerk zal dus weer publiekelijk tot eere komen ; „wat de heerlijke vertooning in de wereld betreft" (blz. 321). „Het uitkomen van dien staat en het heerlijk voor den dag komen van de Kerk was eene opstanding, een leven uit de dooden". Eerst zal de Kerk „herleven" (duizend jaren) en daarna „in den tijd van Gog en Magog, wederom in een lagen en verachten staat komen, 't welk wederom is als een dood ; daaruit zal de Kerk door de heerlijke verschijning van Christus ten oordeel wederom verlost worden".
Brakel noemt in dit verband „de eerste dood" de tijd van de verdrukking van den Antichrist (Rome). „De eerste opstanding" komt dan met 't onderdrukken van den Antichrist (Rome) en de herleving der Kerk. Doch daarna komt dan wéér een „dood-staat" van de Kerk (Gog en Magog) ; maar dan komt „de tweede opstanding" en dan gaat het, met de verschijning van Christus, tot de eeuwige heerlijkheid. Die in „de eerste opstanding" mogen deelen, zullen door den „tweeden dood" (tijd van God en Magog) niet beschadigd worden ! (blz. 321). „Onder den Antichrist liet de Heere Jezus Zijne Koninklijke macht zoozeer niet zien, maar daarna zal Hij weer als Slons Koning in heerlijkheid zich openbaren". Er was toen niet zoo'n geestelijke openbaring in en van de Kerk, maar daarna zal een meer heerlijke staat van de Kerk gezien worden.
Of de geloovigen, die dan leven zullen, al die duizend jaren zullen leven ?
Wel neen ! zegt Brakel. Men moet het niet zóó verstaan, dat ieder geloovige op zich zelf genomen duizend jaren leven zal; want Methusalem's jaren zullen niet wederkomen. Zij zullen sterven gelijk de menschen nu ; zeventig of tachtig jaren zal dan zoowel het leven des menschen zijn als nu, enz."
Dan vraagt Brak el (blz. 322) : Is in den laatsten tijd der wereld een heerlijke staat der Kerk op aarde te wachten?
En zijn antwoord is : „Dit is het gevoelen van zeer vele uitnemende godgeleerden van alle tijden, en van verre de meesten in onze dagen, en 't is mij zoo klaar uit het Woord Gods, dat ik daaraan gansch geen twijfeling heb. Als de Antichrist geheel vernietigd zal zijn, en éér Gog en Magog zullen opstaan, zal de duivel zóó ingebonden zijn, dat hij geen strijdende partij tegen de Kerk zal kunnen ter baan brengen. Dan zullen de heiligen met Christus als priesters en koningen heerschen".
Brakel verwacht dus geen duizendjarig vrederijk zooals de Chiliasten. Christus komt niet op aarde. De gestorven martelaren komen niet terug op aarde. Christus' kracht zal meer openbaar worden en wat de martelaren hebben beleden, zal blijken niet dood te zijn, maar hun leer en belijdenis zal „herleven" met kracht. De Antichrist zal geheel vernietigd dan worden ! En de duivel zal zóó ingebonden worden, dat de publieke invloed en macht van de Kerk zal worden gezien. En daarna zal er weer inzinking komen enz.
Ook over de toevloeiïng der volkeren tot de Kerk heeft Brakel geschreven in dit verband. Openb. 11 vers 15 : „De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijnen Christus". „Dit geeft te kennen een buitengewonen toevloed van allerlei natiën tot Christus en Zijnen dienst, 't welk niet anders kan dan de Kerk heerlijk maken". „De duivel zal ingebonden worden, zoodat hij geen openbare partij tegen de Kerk strijdende zal kunnen opmaken, gelijk hij eerst door den heidenschen keizer en daarna door den Antichrist gedaan heeft en nog doet". „De Turk, de erfvijand van de Kerk, zal geheel verbroken worden, om den weg te banen tot het te zamen brengen en bekeeren der Joden, en door hen tot toekeering der Oostersche volkeren, Openb. 16 : 12". „De geheele Joodsche natie zal onzen Heere Jezus erkennen en zich tot Hem bekeeren. Hem op buitengewone wijze liefhebben, eeren en verheerlijken". „Daar zal zijn een wondere ijver onder de Heidenen, om Christus te kennen en in Hem te gelooven. De kennis van den Heere Jezus, de liefde tot Hem, de ijver voor Hem, de heiligheid des levens, de heerlijkheid, zal zóó groot zijn in de Joodsche natie, dat de Heidenen tot hen zullen toevloeien en tot het geloof in Christus. Rom. 11 : 15. Zach. 8 : 13, 23. Micha 4 : 1, 2".
(Slot volgt).

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken