Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

EEN LASTIG ONDERWERP. (1)

6 minuten leestijd

Bij gelegenheid van de Gemeenteraadsverkiezingen te Leiden hield ds. J. W. Groot Enzerink een propagandarede voor de Christelijk Historische kiezers.
Naar het Chr. Hist, weekblad voor Zuid-Holland van die propagandarede bericht, zeide de Leidsche predikant o.m., dat er nog menig verschilpunt bestaat tusschen de Chr. Historischen en de Antirevolutionairen. Een dezer verschilpunten noemde hij de beschouwing over Artikel 36 der Geloofsbelijdenis. Spreker — zoo schrijft het weekblad — blijft vasthouden aan de eischen, die dat artikel stelt. Hij blijft opkomen voor een Christelijke Overheid, die Artikel 36 heeft toe te passen.
Hoe intusschen die toepassing practlsch tot uitdrukking is te brengen, daarover deelt het Chr. Historisch weekblad in zijn verslag, jammer genoeg, niets mede.
Immers, als het artikel alleen maar genoemd wordt, spitst men aldra de ooren om van het cardinale punt, dat in dat artikel voorkomt, iets naders te mogen vernemen. Doch men hoort daarvan nimmer iets.
Zoo staat het ook met de Staatkundig Gereformeerde Partij, die eveneens voor een Staatkunde, gegrond op artikel 36, het pleit voert. De partij benoemde zelfs bij haar optreden een commissie ter bestudeering van de methode van uitvoering van den eisch, in artikel 36 gesteld. Doch toen deze commissie op de jaarvergadering der partij in 1927 rapport aan de vergadering moest uitbrengen, verontschuldigde zij zich met de mededeeling, het rapport nog niet gereed te hebben. De commissie werd Intusschen niet gecontinueerd. De zaak ging in de doofpot, waarbij de voorzitter der vergadering de verklaring aflegde, dat er eigenlijk noch bij hem, noch bij de partij moeilijkheden omtrent de uitvoering van artikel 36 bestonden. Natuurlijk was de verklaring een uitvlucht, want bestonden er geen moeilijkheden, dan zou ook een studie-commissie niet behoeven te zijn ingesteld geworden.
En niet anders gaat het met de Hervormd dlssentieerende Antirevolutionairen te Zeist, die zich van de Antirevolutionaire Kiesvereeniging daar ter plaatse afscheidden, op grond van het feit, dat de Antirevolutionaire Partij zich niet naar het beginsel van artikel 36 gedraagt. Maar hoe de partij heit artikel practlsch in toepassing zou moeten brengen, daarover bewaren de Zeister broederen eveneens het stilzwijgen.
Zooals bekend is, loopt het geschil bij artikel 36 der Gereformeerde Geloofsbelijdenis, het artikel van het ambt der Overheid, niet over het begin of het slot van het artikel, maar over den zin, die in het midden van het artikel staat en waarin de Overheid de taak opgedragen wordt, om zich met de zaken van 's Heeren Kerk te bemoeien. De Overheid heeft zich bezig te houden met de kerkelijke en geestelijke aangelegenheden en heeft dit te doen te midden van , eene bevolking, in welke verschillende levensbeschouwingen tot openbaring komen.
Deze opdracht, het zich occupeeren met de dingen van 's Heeren Kerk, geeft voor de Overheid, zooals gezegd, moeilijkheden ; moeilijkheden, die te grooter worden, omdat ook op dit terrein zelfs de inzichten bij de Gereformeerde Theologen ver uit elkander loopen.
Met deze moeilijkheden nu zitten de Antirevolutionairen en de Christelijk Historischen, maar ook de Hervormd Gereformeerde Staatspartij en de Staatkundig Gereformeerden.
Om de inhoud van artikel 36 goed te begrijpen, dient allereerst de vraag onder de oogen te worden gezien, welk karakter het voorlaatste artikel der Nederlandsche Geloofsbelijdenis draagt.
De Nederlandsche Geloofsbelijdenis werd opgesteld in de dagen, toen de Wederdoopers, de Anabaptisten, woelende en muitende, tot schrik der bevolking het land doortrokken, de Overheden en Machten verwierpen en een communistisch leven leidden.
Van deze dagen der Wederdoopers en van wat er toen plaats had, schreef onlangs de Vechten IJselbode :
»In den tijd, dat de Nederlandsche Geloofsbelijdenis werd opgesteld (1561), beroerden de Anabaptisten (Wederdoopers) bijna alle landen. Luther, Zwingli, Calvijn en Beza, en die met hen leiding gaven aan de Reformatie, werden in hun arbeid belemmerd door de geestdrijverij van een groote schare in die tijden. Vandaar dan ook, dat in bijna alle buitenlandsche Confessies een dergelijk artikel voorkomt. De Gereformeerden, de volgelingen van Calvijn, en Beza, wenschten zich los te maken van een richting, die in haar denkbeelden en in de wijze van optreden in alle opzichten afweek van hetgeen door de Reformatoren werd voorgestaan. De Anatoaptisten wenschten hier een Paradijs-toestand op aarde, zonder privaat bezit, zonder Overheid, zonder zwaard, zonder eed. Revolutionaire woelingen werden door hen veroorzaakt (Jan van Leiden. Boerenopstand).
Dat de vorsten in die landen, waar zulke woelingen en excessen voorkwamen, scherp tegen hen optraden, is verklaarbaar. Nu zag Pilips II in zijn blinden ijver voor het Roomsch-Catholicisme de Calvinisten ook voor zulke oproermakers aan. En om nu aan den Koning duidelijk te maken, dat zij toch heel andere menschen waren, van een heel andere meening, werd in den nood der vervolging een belijdenis opgesteld en aan den Koning toegezonden en opgedragen zelfs. Hieraan moest de Koning kunnen zien, dat de Calvinisten de Overheid eerden en gehoorzaam wilden zijn, als dienaresse Gods. Daarom legden zij in hun beroep op den Koning nadruk op hetgeen aan de Overheid toekwam inzake de religie. Zij waren geen oproerlingen en ongehoorzamen, die de burgerlijke regeering wenschten te breken. Integendeel, ze erkenden, dat de Overheid het zwaard niet tevergeefs draagt, stelden er prijs op haar rechten vast te leggen, alsook de plichten der onderdanen*.
Tegenover het optreden der Wederdoopers nu stelden de Gereformeerde Vaderen in artikel 36 — het artikel van het a m to t der Overheid — een kloek getuigenis, waarin duidelijk beleden wordt dat de machten, die er zijn, van God zijn geordineerd geworden.
»Wij gelooven — zoo zeiden de Gereformeerde Vaderen — dat onze goede God uit oorzaak der verdorvenheid van het menschelijk geslacht. Koningen (Prinsen) en Overheden verordend heeft, willende, dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën, opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde, en het alles met goede orde onder de menschen bega. Tot dat einde heeft Hij de Overheid het zwaard in handen gegeven, tot straffe der boozen en tot bescherming der vromen«.
Dit getuigenis van de Gereformeerde Vaderen, in het eerste gedeelte van artikel 36 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis ondergebracht, is duidelijk en klaar en behoeft geen nadere toelichting. Elk Gereformeerd mensch, tot welke politieke partij hij behoort, zegt daar ja en amen op.
Antirevolutionairen, Christelijk Historischen — voorzoover zij de Gereformeerde belijdenis zijn toegedaan —, Staatkundig Gereformeerden en Hervormd Gereformeerde Staatspartijers zijn het met elkander roerend eens, dat wat hier door de Gereformeerde Vaderen over het ambt der Overheid wordt gezegd, juist en overeenkomstig het Woord Gods is.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken