Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

10 minuten leestijd

Organische of mechanische verbondsbeschouwing.
Nadat wij in de vorige artikelen ontkend hebben, dat bij Junius en Westminster van een mechanische verbondsbeschouwing mag worden gesproken, willen wij in dit artikel nader onderzoeken, wat ds. Diemer onder een organische verbondsbeschouwing verstaat. Wij behoeven ons daarbij, niet te beperken tot het verbond vóór den val, want daarin blijkt immer weer de eenheid van deze beide verbonden, dat onze beschouwing van het verbond, in het bizonder van het verbond der genade, terugkeert bij de uiteenzetting van het verbond vóór den val en omgekeerd, de beschouwlng van het verbond vóór den val keert terug in de beschouwing van het verbond na den val.
Op pag. 49/50 schrijft ds. Diemer : De mensch kan nooit het leven, ook niet het eeuwige leven, verdienen, noch onder het werk, noch onder het genadeverbond. God geeft het leven en dit openbaart zich onder het werkverbond in de gehoorzaamheid aan de wet. De mensch verliest het, maar door wedergeboorte en dus organisch ontvangen de uitverkorenen het opnieuw van Christus onder het genadeverbond en zij openbaren het nu door het geloof en bezitten het in dat geloof, want dat geloof is openbaring van de levensgemeenschap met Christus«.
Wij hebben enkele woorden onderstreept, omdat daaruit zeer duidelijk naar voren komt, wat hier onder organisch ten opzichte van het verbond wordt verstaan. Een organische verbondsbeschouwing na den val gaat uit van de gedachte, dat de bondelingen het leven Gods in zich hebben ontvangen, en wel door de wedergeboorte. De verbondsrelatie is eigenlijk niet anders dan het omdragen van het leven Gods, het deel hebben aan het leven Gods door dien mensch, dat hij reeds in de wedergeboorte in zich ontvangt. Niet door het geloof komt de mensch in verbondsbetrekking tot God, maar in en door het geloof openbaart hij deze verbondsbetrekking, die rust in het verborgen leven der wedergeboorte. Telkens weer wordt deze gedachte naar voren gebracht. Zoo lezen wij op pag. 61 van zijn studie : »Wij achten deze vergelijking echter onhoudbaar, want de geloovigen komen in dien staat door een organische daad Gods in in aan hen, n.l. door wedergeboorte, waardoor wij in wezen veranderen, terwijl de verbondsverhouding dezer theologen — bedoeld zijn Comrie, Boston, Examen van tolerantie en Watson — slechts een mechanische uitwendige daad is, waarbij er in het wezen van den mensch niets verandert.
Het is niet onze bedoeling, dit citaat uit het verband toe te lichten en evenmin willen wij den afdruk leggen op de onnauwkeurigheid van dien schrijver, die hem van een verandering van het wezen van den mensch doet spreken, waar zeer waarschijnlijk een verandering van de natuur van den mensch bedoeld is.
Dit citaat plaatsen wij enkel, omdat het, op zichzelf genomen, d.w.z. buiten het verband, waarin het voorkomt, zeer duidelijk de gedachte van ds. Diemer tot uitdrukking brengt, dat de wedergeboorte van den mensch een organische daad God is, om welke reden hij van een organische verbondsbeschouwing spreekt, als men de verbondsbetrekking op de wedergeboorte rusten laat. De verbondsverhouding, waarin Comrie c.s. en mensch tot God plaatst, is echter een mechanische daad, wijl men deze niet allereerst op de wedergeboorte laat rusten.
Nog een citaat voegen wij hierbij, waarin opnieuw de grondgedachte van heel het systeem van ds. Diemer wordt uitgedrukt. »De louter mechanische opvatting wordt bij de voorstanders daarvan ook toegepast op het genadeverbond (Occoejus CS.). God sluit ook dit verbond slechts voor het uitwendige woord met Adam en Eva in de belofte van het vrouwenzaad en in het gebod om dit te gelooven. Zij vergeten echter, dat aan deze uitwendige daad Gods een organische inwendige daad in Adam n Eva voorafging, n.l. de wedergeboorte of de herschepping. Dit is geen mechanische toevoeging aan hun natuur, maar een organische omkeering van deze natuur. Van dood werden zij levend gemaakt. Coccejus meenent, dat zij, zooals zij waren, het genadeverbond konden aannemen. Dit is echter zonder wedergeboorte onmogelijke uitwendige oprichting van het genadeverbond was niet anders dan de openbaring Gods van het genadeverbond, dat implicitie reeds in de wedergeboorte gegeven was, zooals het werkverbond reeds gegeven was in de eerste schepping, (pag. 75/76)
Na nauwkeurige overweging van deze gegevens, valt het niet gemakkelijk een oordeel daarover te vellen. Evenals bij een knot wol, die in de war is geraakt, men vaak niet weet, waar men beginnen moet om tot een goed einde te komen, zoo gaat het mij ook bij de beoordeeling van den gedachtengang van ds. Diemer. Allerlei gedachten zijn door elkander heen gevlochten, zoodat zij moeilijk één voor één in geregelde volgorde naast elkander zijn te plaatsen. Zoo wordt in dit laatste citaat en passant medegedeeld, dat, toen God na den val met Adam en Eva zijn verbond oprichtte in de belofte van het vrouwenzaad, Adam en Eva reeds wedergeboren waren. Hoe weet ds. Diemer dat ? Er is wel eens over getwist, of Adam en Eva tot bekeering en geloof zijn gekomen. Dat over deze kwestie getwist kon worden, is reeds een bewijs, dat de Schrift hierover weinig zegt, maar ds. Diemer is het niet alleen bekend, dat Adam en Eva tot bekeering zijn gekomen, maar hij weet zelfs, dat zij reeds wedergeboren waren, voordat God zich in genade tot hen neerboog. En wijl God hen opzocht spoedig na hun val, toen zij zich in het geboomte hadden verborgen, is die wedergeboorte dus nagenoeg onmiddellijk na den val tot stand gekomen.
Natuurlijk heeft ds. Diemer niet een anderen bijbel dan wij. Ook in zijn bijbel staat van dit alles niets te lezen, maar deze zijn stelling is de noodzakelijke gevolgtrekking van zijn verbondsbeschouwing. Want als God zijn verbond met Adam en Eva had opgericht zonder dat deze wedergeboren waren, lag heel zijn onderscheid tusschen organisch en mechanisch, de toetssteen, waarmede hij de theologische ontwikkeling van de verbondsgedachte meet, tegen den grond. Reeds dit had hem moeten leeren den toetssteen nog eens nader te toetsen.
Wat nu voorts zijn gebruik van de woorden organisch—mechanisch betreft. Ik kan eenigermate verstaan, dat hij de wedergeboorte een organische daad Gods noemt, in zooverre daarmede bedoeld zal zijn, dat in de wedergeboorte niet iets  aan de natuur van den mensch wordt toegevoegd, niet iets op die natuur wordt opgeplakt, dat er niet bijhoort, maar in de wedergeboorte ons een verandering en vernieuwing van die natuur wordt gegeven, zoodat zij weer op God gericht wordt, nadat zij zich in de zonde van God had afgekeerd. Toch is: het al niet geheel juist meer, als men de wedergeboorte als een organische verandering en vernieuwing der natuur karakteriseert, de daad, door welke God den mensch wederbaart, een organische daad te noemen, en nog verder raakt men van de oorspronkelijke bedoeling verwijderd, als men vervolgens die beschouwing, die het verbond in de wedergeboorte fundeert, een organische verbondsbeschouwing noemt. Hier worden de begrippen verbond en wedergeboorte eenvoudig met elkander verwisseld en wat van het eene geldt, op het andere toegepast.
Het woord organisch—mechanisch heeft bij toepassing op de verbondsbeschouwing alleen zin, wanneer men het verband, waarin het verbond tot de natuur des menschen staat, als van organischen of mechanischen aard aanduidt. Ook deze zin van het woordgebruik is: ds. Diemer niet geheel vreemd, maar hij heeft dan alleen het recht om van een mechanische verbondsbeschouwing bij tal van theologen te spreken, als deze een verbond leerden, dat eigenlijk niet bij de natuur van den mensch, zooals die door God geschapen is, past, maar mechanisch daarbij aangesloten wordt. Er is echter in de verste verte geen sprake van, dat Junius, Westminster, Comrie en anderen een dergelijke opvatting van het verbond hebben gehad en daarom wekt heel de onderscheiding van ds. Diemer niet dan verwarring. Heel de beschuldiging van ds. Diemer tegen de genoemde theologen komt hierop neer, dat zij het verbond vastleggen in het woord, waarmede God de verbondsbetrekking, waarin Hij zich tot den mensch gesteld heeft, openbaart; wij zouden ook kunnen zeggen, dat zij het vastleggen in de belofte des verbonds, terwijl ds. Diemer het vastlegt in de wedergeboorte.
Over het openbaringsbegrip, dat hiermede samenhangt, hebben wij reeds gesproken. In herinnerlng zij echter gebracht, dat ds. Diemer van de oprichting van het genadeverbond na den val, zooals Junius c.s. daarvan spreken, zegt: God sluit ook dit verbond slechts door het uitwendige woord met Adam en Eva in de belofte van het vrouwenzaad en in het gebod om dit te gelooven. De uitdrukking het uitwendige woord, doet mij denken aan een geestesstrooming in de dagen der Hervorming, wier protest ook altijd ging tegen het uitwendige Woord Gods, dat de Hervormers brachten, waartegen zij op het inwendige den nadruk legden, het inwendige woord en het inwendige licht. De Hervormers, tegen de Wederdoopers en Kwakers zich keerende, hebben die onderscheiding van uitwendig en inwendig verworpen. Het Woord Gods, dat zij predikten, was ongetwijfeld het geschreven Woord van God, door iedereen In den bijbel te lezen en nooit hebben zij dit Woord willen loslaten, maar zij hebben tevens gezegd, dat dit Woord in het hart geplant wordt en een zaad der wedergeboorte is. Ds. Diemer gaat daarom op de lijn der Wederdoopers over, als hij het gesproken Woord Gods —en dus ook het geschreven Woord Gods — als uitwendig, d.i. in het verband als minderwaardig betitelt, om daartegenover te stellen het meerwaardige, het inwendige, het werk der wedergeboorte.
Hier ligt natuurlijk de gedachte aan ten grondslag, dat het Woord van God geen scheppende kracht meer heeft, geen levenwekkende kracht, waardoor zelfs de dooden hooren en uitgaan uit hunne graven, gelijk de doode Lazarus op de roepstem des Heeren ontwaakte uit den slaap des doods, maar, gelijk ook dr. Kuyper heeft geleerd, dat alleen de levenden hooren kunnen en dus de prediking van het Woord Gods de wedergeboorte veronderstelt, waardoor de wedergeborenen het orgaan hebben ontvangen om het gepredikte Woord te hooren en te gelooven en op heit Woord zich te bekeeren. Vandaar ook de gedachte, dat Adam en Eva reeds wedergeboren waren, toen God zijn verbond met hen oprichtte.
Dit alles brengt aan het licht, dat de gedachtengang van ds. Diemer, die aan zijn beoordeeling van de ontwikkeling der verbondsgedachte ten grondslag ligt, twee lijnen bevat, die alles beheerschen en die bizonder het verschil tusschen hem en ons aangeven. De eerste is zijn leer der wedergeboorte, die overeenkomt met die van dr. Kuyper, en de tweede is het eigenaardige verband, dat hij legt tusschen het verbond en de wedergeboorte. Hier zal wel de reden liggen, waarom ds. Diemer meent, dat dr. Kuyper voor het eerst na eeuwen tot de zuivere verbondsgedachte is teruggekeerd. Hij beschrijft dit als een wederopnemen van de lijnen, door Bullinger en Calvijn getrokken, maar al heel spoedig door de theologen na hen verlaten. Ik heb er reeds op gewezen, dat het beroep, dat ds. Diemer op beide reformatoren doet, niet bizonder steekhoudend is en van vooroordeel niet vrij is te pleiten. Bij de bespreking zoowel van de leer der wedergeboorte als van het verband tusschen verbond en wedergeboorte, zal opnieuw blijken, dat de aansluiting aan de reformatorische theologie hier moeilijk vast te houden is.
O. a/d IJ.
Woelderink

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken