Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

10 minuten leestijd

Genesis 8 : 21. Kan de Heere rook dien liefeljjken reuk en de Heere zeide in zijn hart: k zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des menschen wil, want het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijne jeugd aan. En Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan gelijik als Ik gedaan heb.

XXIII.
5e Serie.
De openbaring Gods aan Zijne Kerk is saamgeweven niet alleen met de geschiedenis der menschheid, maar laat ook haar licht opgaan over het proces, dat de gansche kosmos doorloopt. Dit is zóó, omdat ook het zondeproces niet slechts beteekenis heeft voor de menschheid en hare historische ontwikkeling stelt in het teeken van den val en wederoprichting, maar ook eene kosmische strekking heeft. Indien de mensch in Gods scheppingswerk het einddoel is, opdat hij als beelddrager Gods het hoofde der schepping wezen zal, zoodat den eeuwigen Schepper ook door het zelfbewuste redewezen lof en eere zal worden toegebracht, dan is het gevolg daarvan, dat als die mensch, die dus het einddoel is in de schepping, aan zijne hooge, heilige toestemming ontvalt, daarmede ook de kosmos in zijn geheel zijne eindbestemming niet meer bereiken kan. Nu is het wel waar, dat met name in de twee laatste eeuwen, die ons den geweldigen voortgang der zoogenaamde exacte wetenschappen brachten en daarmede den opbloei eener wonderbare techniek, voor het bewustzijn van den cultuurmensch onze plaats in het heelal is gewijzigd. De ontsluiting van de diepte der hemelen voor het menschelijk weten, de ontdekking dus der wereld van het oneindig groote, die ons deed begrijpen, dat deze aarde met al wat daarin is, slechts een stipje is te midden der millioenen hemelbollen, heeft een wereldbeeld opgeroepen, waarin onze aarde niet meer het centrum is, waarom zich alles beweegt en waarom dan ook alles is, omdat wij menschen er op leven. Deze nieuwe blik op het kosmische gezichtsveld heeft eenerzijds den mensch vernederd, weggedrongen van de hooge plaats, waarop hij in het licht van Gods Woord verschijnt, en anderzijds in diezelfde moderne menschheid een geweldige trots gewekt op hetgeen hare redekracht vermag, nu het blijkt, dat zelfs de diepten der hemelen voor haar niet gesloten zijn. Doch boe dit ook moge zijn, voor het moderne bewustzijn heeft de mensch niet meer de centrale plaats in den kosmos, die hem in de Schrift wordt toegewezen. Dit is dan ook een der momenten, waarin de moderne en de Christelijke wereldbeschouwing met elkander botsen en waarvan wij ons dus rekenschap hebben te geven. Het zou niet juist zijn de oogen te sluiten en de ooren dicht te stoppen voor de nieuwe werkelijkheid van den nieuwen hemel boven ons, dien men voorheen niet kon kennen. Toen in de dagen van Calvijn deze nieuwe ontdekkingen begonnen zich baan te breken, heeft hij dien arbeid der wetenschap niet afgekeurd, doch integendeel de waarde daarvan erkend. En hij heeft ook niet geleerd, dat wij moeten doen, alsof dit alles niets beteekende, doch omgekeerd er nadruk op gelegd, dat deze resultaten niet in strijd konden zijn met Gods Woord, want dat Woord had eene geheel andere strekking en doelde op des menschen wijswording tot zaligheid en niet op zijne wijswording in de natuurwetenschap.
Doch dit beteekent niet, dat het kosmische proces en de ontwikkeling der menschheid in de Schrift niets met elkander van doen zouden hebben. De mensch leeft immers op deze aarde. En hoe klein deze geworden moge zijn in het licht van dit door de moderne wetenschap ontdekte nieuwe heelal met zijne gebieden van sterrenstelsels, met zijne gebieden, waarin vele sterrenstelsels opeengehoopt zijn en gebieden, waar deze uiterst schaarsch zijn en waarin toch soms plaatselijke verdichtingen optreden, die tot een duizendtal sterrenstelsels omvatten.
Als de moderne wetenschap deze resultaten verwierf, dan mag zij zich daarin verblijden, daarop wijzen in het bewustzijn van hare triumphen. Velen in onze dagen meenen, dat Gods Woord daarmede onbestaanbaar is en de Christelijke wereldbeschouwing het daartegen dan toch maar heeft afgelegd en de Schriftuurlijke belichting heeft afgedaan. Doch dan blijkt ook daaruit, hoe weinig dit Schriftuurlijk licht in zijn wezen werd gekend en hoe de apostel Paulus recht had met zijne waarschuwing, dat wij niet haastiglijk zullen bewogen worden van verstand of verschrikt, want ook Gods Woord heeft vele tientallen eeuwen, voordat er eene moderne wetenschap was over den kosmos en over den mensch in zijne nietige kleinheid, geen ander licht laten opgaan dan ons nu door de telescopen wordt ontdekt. Het licht van Gods Heiligen Geest heeft profetisch reeds geopenbaard hetgeen heden in de wetenschappelijke vormen ons wordt voorgesteld. Dat licht des Geestes ontdekte geen andere diepten dan de telescopen hebben ontsloten, maar het waardeerde deze anders, omdat het licht van Gods openbaring een ander is dan dat onzer rede alleen. Jesaja was geen sterrekundige onzer dagen, doch hij zag door den kijker van des Heeren Geest. Heeft hij kennis gehad van de grootheid van het heelal, van de onbeduidende kleinheid dezer aarde te midden der oneindige ruimte en de ontallijke sterrenstelsels, die er hunne banen doorwandelen ? Luister naar zijn woord : „Heft uwe oogen op omhoog en ziet, wie deze dingen geschapen heeft, die in getal hun heir voortbrengt, die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is, wordt er niet één gemist". Ja, het blijkt, dat de profeet van duizenden sterrenstelsels wist op zijne wijze en bij het licht zijns Gods. En heeft hij de nietigheid des menschen gekend, de menschheid om zoo te zeggen uit haar centrale plaats in den kosmos uitgelicht ? Ja, ook dat heeft hij gedaan. Luister slechts, hoe hij gezegd heeft: „Ziet, de volken zijn geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje van de weegschaal. Alle volken zijn als niets voor Hem en zij worden bij Hem geacht minder dan niet en ijdelheid". En dat ook Jesaja de aarde gekend heeft als een stip te midden der hemellichamen, blijkt het niet daaruit, dat Hij God den Heere ons voorstelt „als die daar zit boven den kloot der aarde en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen" ? En om dan in een ander deel der Schrift te lezen, als de Heere Abraham uitleidt op de vlakte des velds onder den nachtelijken hemel en hij hoort, hoe de Heere zegt: „Zie nu op naar den hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt", ligt dan ook daarin niet opgesloten, hoe geweldig het universum is en hoe nietig daartegenover de aarde en de mensch ? Inderdaad, Gods Woord openbaarde reeds vóór vele eeuwen de ontdekking dezer moderne wetenschap, die voor de moderne menschheid ten gevolge heeft gehad, dat zij meende in tegenstelling te staan met Gods Woord. In dat Woord stond het echter wel, maar zij had geen oogen om te zien, want voor het licht des Geestes had zij haar hart gesloten. Dus al is het wereldbeeld der Schrift niet als dat der moderne wetenschap, het wezenlijke daarin is in de Schrift niet alleen niet onbekend, maar de onmiddellijke vrucht der openbarende daden Gods. Alleen maar, dit is het onderscheid, dat desondanks de mensch als beelddrager Gods het einde van Gods scheppende daden is en de mensch ook bestemd blijft als aller schepselen hoofd, Gods heerlijkheid uit te roepen en als priester in het heelal het Gode als een dankoffer op te dragen. Alzoo blijft de mensch het centrum, dat God zelfs in de vleeschwording des Woords den menschen gelyk wordt, onzer één, ons in alle dingen gelijk, uitgenomen de zonde, opdat in dien Mensch, die het hoofd is, de kosmos zal worden herboren. De zonde, in de wereld der engelen ontstaan, wordt in de wereld der menschen overgebracht, doch opdat Satan niet zal triumpheeren en Gods Souvereine Majesteit niet zal breken, wordt zij in de wereld der menschen overwonnen in den Christus Gods.
Of er nu op andere hemellichamen óok menschen zijn ? Daarvan is aan niemand iets bekend. God heeft het in Zijn Woord ons niet geopenbaard. En niemand zal den sluier daarover kunnen oplichten, want dit ligt buiten de grenzen van het menschelijk kennen. En daarover is het dus beter te zwijgen, daar slechts de phantasie op dit gebied haren skepter zwaaien kan. Doch dit blijkt uit de Schrift, dat in Gods oog de mensch het edele schepsel is, dat naar Zijn beeld en gelijkenis werd geschapen en dat dus in hem, die valt, ook de wederbaring van den kosmos zal geschieden en geschiedt. En zoo is het dus begrijpelijk, dat Gods openbaring zich ook uitstrekt over hetgeen er met den aardbodem zal geschieden, want deze is de woonplaats van den mensch. Daarom is dus ook deze aarde, hoe klein zij moge zijn, het oord, waarin zich dit centrale feit der kosmische wederbaring voltrekt in de wederbaring van Gods volk, dat bestemd is in het einde aller dingen de heerlijkheid Gods tot de uitstraling te brengen, die het creatuur Hem schuldig is als drager van Zijn beeld.
En zoo zien wij dus ook hier, hoe de Heere, na de geweldige catastrophe van den zondvloed, als Hij door en in Noach van Gods uitverkoren Kerk het offer der dankbaarheid ontvangt, nu ook aan die Kerk in Noach een licht doet opgaan over de toekomstige geschiedenis van den aardbodem, die de menschheid ter woning bereid werd. Gods Kerk moet dat weten, opdat zij zal verstaan, dat de Heere de voorwaarden bereiden zal, die vervuld moeten wezen, om haar het bereieen der eindbestemming te waarborgen. En daarom komt de Heere met de belofte, dat Hij den aardbodem voortaan niet meer zal vervloeken om des menschen wil. En niet omdat nu die mensch zoo geheel veranderd is en zoo braaf is geworden, niet omdat de mensch nu geleerd heeft en voortaan weder naar zijn God zal vragen. Niet omdat er nu weder een paradijs op aarde zal worden ontsloten en voortaan de zonde weder zal gebannen zijn van deze droog geworden aarde. Dat zij verre. Al is Noach de uitverkorene, hij is toch uit den eersten Adam van nature en als in de oude wereld zal God door zijne nakomelingschap trekken de gouden draad der verkiezing. Al was in Noach het verbond opgericht, ook onder dat verband blijft de mensch een Adamskind van nature en zal het hem noodig zijn herboren te worden tot eene nieuwe en levende hope. De Heere zal er Zijne Kerk uit roepen. Maar daarom mag zij dan ook weten, dat God den aardbodem niet meer om des menschen wil vervloeken zal, hoewel die mensch zich nu niet mag inbeelden, dat die belofte gegeven wordt, omdat hij zooveel beter is dan de oude, ondergegane wereld. God belooft het omgekeerd juist, omdat die mensch, ondanks het geweldige oordeel, dat Hij zoo pas over die voorbijgegane eeuwen in den zondvloed heeft voltrokken, niet is veranderd. Het zou ijdel zijn hem nogmaals op dezelfde wijze te treffen. Omdat ook na den vloed de mensch de verzondigde mensch is gebleven, uit wien geene verwachting zijn kan tot in eeuwigheid, daarom zal de Heere den vloed niet andermaal als een tuchtroede bezigen. De oordeelen Gods, ook onze dagen leeren het, zijn niet sterk genoeg om de menschen te bekeeren tot den levenden God. Dat wonder geschiedt alleen in de daad der eeuwige liefde, waarbij het oordeel wordt voltrokken aan den Zoon. Daarom heeft Hij gezegd: „Alzoo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 23 April 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van Thursday 23 April 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken