Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

7 minuten leestijd

Doorgrond mij, o God 1 en ken mijn hart; beproef mij en ken mijne gedachten ; en zie of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg. Psalm 139 vs. 23 en 24.

Als David, de dichter van dezen psalm, den Heere in deze woorden bidt, hem te doorgronden, komt deze bede u wellicht onbegrijpelijk voor. Wat David vraagt, is immers een feit; de Heere kent elks gedachten, doorgrondt ieders hart, ook het hart desgenen, die niet doorgrond wil wezen en dus niet met deze bede instemt. Hebben wij het niet, reeds van onze vroegste jeugd af, geleefd, dat de Heere God alleen de Alwetende is, voor Wiens oogen niets verborgen is ? Ja, ook David, die in onze tekstwoorden bidt, heeft het bij het begin van dezen psalm getuigd, dat de kennis Gods over alle dingen gaat: „Heere, Gij doorgrondt en kent mij". En die aanhef : „Heere, Gij doorgrondt en kent mij", wordt in het vervolg nader uiteengezet. De Psalmist David prijst den Alwetenden en Alomtegenwoordigen God, Die hem in zijn binnenste doorziet. Geen ding zóó verborgen, of 't is naakt en geopend voor Hem! Geen plaats op aarde, of de Heere is er tegenwoordig! Mijn zitten en mijn opstaan ; de gedachten, die ik voor anderen verbergen wil; de weg, dien ik bewandel; het woord zelfs, dat nog niet op mijne tong is, het is voor den Heere niet verborgen. Vóór de grondlegging der wereld had Hij reeds in Zijn boek geschreven het uur mijner geboorte, den dag van mijn dood, de plaats van mijn werkzaamheid, den kring, waarin ik zou verkeeren; al de gebeurtenissen en lotgevallen, die mij in dit leven zouden overkomen.
Zóó blijkt dus de geheele psalm te zijn een verklaring en uiteenzetting van het: „Heere, Gij doorgrondt en kent mij." Zeer diep is David doordrongen van de Alwetendheid en Alomtegenwoordigheid des Heeren.
Ziet, als nu David bidt: „Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart", dan is dat niet, omdat hij nog twijfelt aan de alwetendheid des Heeren. Maar hij bidt, dat de Heere, Die alleen zijn hart kent, hem ook doe verstaan, wat er in zijn hart omgaat. Hij legt zijn hart voor den Heere open, met de bede, dat Hij hem ook doe kennen, wie en wat hij is. Hij spreekt het uit: Heere, hier ligt mijn hart voor Uw alziend oog geopend ; ik bied mijzelven U ter onderzoeking aan ; niets wil ik voor U achterhouden ; ik bid U : Dring Gij door tot in mijn binnenste en indien er nog eenige verborgen zonde is, die ik niet heb opgemerkt, reinig mij daarvan, doe ze mij kennen, opdat ik die in Uw kracht verzaken mag.
„Beproef mij, o Heere, en ken mijne gedachten" : is. er nog een verkeerde gedachte bij mij, niet tot Uwe eere, o, licht mij dan voor door het licht van Uwen Geest, opdat ik daarnaar mijne schreden mag richten.
„Zie, of bij mij een schadelijke weg is" : Zie, of ik ook wandel op een weg, die mij tot schade zou kunnen wezen ; en wanneer Gij zulk een weg bij mij ontdekt, dat ik het zien mag, opdat ik dien ontvliede, trek Gij zelf mij af, door Uwe almachtige hand, en leidt mij op den eeuwigen weg, die tot het eeuwige leven leidt.
Wat bidt David hier anders dan dit: Heere, hier ligt mijn hart voor U, ik kan het niet doorgronden, Gij alleen kent het volkomen; maak mij nu door Uwen Geest opmerkzaam op al het verkeerde, opdat ik mijn verborgen afdwalingen zien mag; bewaar mij, dat ik U zou onteeren en mij zelven schaden.
Deze bede wordt vaak uitgesproken, zonder dat de beteekenis ervan verstaan wordt. Is het zoo gemakkelijk met deze bede in te stemmen ? Neen, van nature komt het gansche bestaan van den mensch ertegen in verzet; hij wenscht zijn hart voor God niet bloot te leggen. Hij wil niet, dat God hem doorgrondt; hij leeft liever in een gestadig zelfbedrog; hij sluit moedwillig het oog voor hooger licht. Door den rechtvaardigen en strengen Rechter wenscht nu allerminst doorgrond te worden. Met den mond moge hij Diens Alwetendheid belijden, voor Hem allerminst wenscht hij zijn hart open te leggen. Zoo was het reeds bij het eerste menschenpaar, als het na den val zich bij de nadering Gods verbergt. Adam wil God en zichzelven misleiden, door de schuld op de slang te werpen. Zoo is het met ieder mensch van nature. Vanwaar anders die uitvluchten en voorwendsels, waarmede men zijn bekeering uitstelt, vanwaar anders dan van den heimelijken toeleg om eigen onwil voor God en voor zichzelven te bedekken ! Van nature willen wij niet door God doorgrond worden, van nature willen wij onszelven niet kennen, want die kennis roept ons tot een verzaken van de zonde en een dienen van God, waarin het natuurlijk hart geen lust heeft.
Dit gebed van David : „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijne gedachten; en zie of bij mij een schadelijke weg zij en leid mij op den eeuwigen weg", gaat in tegen onzen hoogmoed, tegen onze eigenliefde. Geen mensch wil daarmee van nature instemmen. Maar als we met David door genade geleerd hebben, in deze bede ons hart voor den Heere open te leggen, dan wordt het een heerlijke bede. Bij David spreekt zich in deze bede uit een lust tot heiligmaking, een hartelijke begeerte, om naar alle Gods geboden te leven. Ziet, dat is een treffend bewijs, dat David een wedergeborene is en daarom is deze bede zoo heerlijk. David is zich bewust, dat hij nog maar weinig zelfkennis bezit. Hij wenscht meer van zichzelven te kennen. Daar zijn misschien nog zonden, die hij buiten zijn weten koestert; daar zijn wellicht nog schadelijke wegen, waarop hij wandelt; verkeerde gewoonten, die hij, zonder dat hij het zich bewust is, blijft aanhouden, en die voor hem een beletsel bieden om toe te nemen in godzaligheid. Daarom bidt hij : Heere, doorgrondt gij mij en leer mij mijn afdwalingen ver­ staan. Moge ik mijzelven toch maar recht kennen, opdat ik alles vlieden mag wat U, mijn God, onteert en U in mijn denken, spreken en handelen meer mag verheerlijken.
Gelijk David, zoo doet ook de oprechte Christen. Dat is juist het groote verschil met den natuurlijken mensch. De natuurlijke mensch wil zijn zonden niet zien, sluit er de oogen voor en bedekt ze het liefst. Maar de oprechte Christen wil ze juist zien. Omdat hij ze nog zoo weinig ziet, vraagt hij naar meer zelfkennis, naar meer licht des Heiligen Geestes, Die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij vreest er voor, dat er in hem nog zonden zijn, waardoor hij aan Gods eere tekort doet en die zijn vordering in de loopbaan van Christus tegenhouden. Zijn jagen is er naar, meer aan het eigen-ik te sterven, den ouden mensch te dooden, er voor bewaard te blijven dat hij zou vallen in zonden, die hij niet kende.
Daarom is het zijn bede en, mijn lezer, is 't ook uw bede door genade geworden:
Doorgrond' m', en ken mijn hart, o Heer, Is 't geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef m', en zie of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed' ? En doe mij toch met vaste schreden, Den weg der zaligheid betreden.
V.

G. d. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken