Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

8 minuten leestijd

Gewetensbezwaren.
Overheid en Geweten.

Dr. P. Prins, Geref. pred. te Deventer, is kort geleden aan de V.U. gepromoveerd op een proefschrift : „Het Geweten". Over zoo'n onderwerp — een buitengewoon belangrijk onderwerp, vooral in onzen tijd — valt dan nog wel wat „na te praten". En in het Calvinistisch Weekblad gebeurt dat dan ook. Dr. Prins behandelt daar enkele vragen, die hem gesteld zijn geworden. Een van de vragen gaat dan over „het geweten en de Overheid". Moet de Overheid b.v. voor gewetensbezwaren, die bij een grooter of kleiner aantal onderdanen gevonden worden, uit den weg gaan ?
Dr. Prins zegt : de Overheid moet het veld behouden, dat God haar heeft gewezen ! Dat is dus positief. De Overheid moet Overheid zijn en moet haar taak vervullen, gelijk God haar opgedragen heeft. En de Overheid moet maar niet uit den weg gaan en moet maar niet het veld ruimen, als men hier of daar, zwakker of sterker ingezet, aan de Overheid een „halt" gaat toeroepen. Alleen waar God haar een „halt" toeroept, of een „terug" gebiedt, moet zij daaraan voldoen.
Maar — moet de Overheid dan geen eerbied hebben voor „gewetensbezwaren" ; en moet er niet zijn „vrijheid van geweten" voor de onderdanen ?
Dr. Prins blijft dan bij de positieve taak van de Overheid en eischt, dat de Overheid het veld zal behouden, dat God haar heeft gewezen en daar moet zij haar taak vervullen en niet nalaten.
„Ik ben me goed bewust" — aldus dr. Prins — „dat ik hiermee dingen zeg, die velen in onze kringen tot nu toe iets anders hebben gezien. Men heeft vooral in de vorige eeuw op alle manieren geëischt „eerbied voor het geweten". Maar gaandeweg was er onder den naam „geweten" een opvatting ingeslopen, als zou de Overheid voor ieders persoonlijke geestelijke overtuiging ruimte moeten laten en opzij moeten gaan. Dit is geheel onhoudbaar. Want iemand kan b.v. persoonlijk overtuigd zijn, dat het gebruik van wapengeweld ten eenenmale en in èlk voorkomend geval verwerpelijk is. — Als nu de Overheid hieraan zou moeten toegeven, dan zou haar Overheidstaak wel eens onmogelijk gemaakt kunnen worden".
Als de Overheid deze menschen in hun eisch : „geen wapenen dragen", moest volgen, zou zij niet meer haar eigen weg kunnen gaan. Zij zou dan met een zigzaglijn verder moeten gaan, totdat zij zou verongelukken.
„Ik houd dus vol de stelling" — aldus dr. P. — „dat de Overheid voor gewetensbezwaren het veld niet moet ruimen, - te meer, omdat dit begrip „gewetensbezwaren" zóó is uitgerekt geworden, dat het in den laatsten tijd een geheel andere beteekenis heeft gekregen, dan het vroeger had". Zij, die zoo gaarne wijzen op het verleden en dan spreken van „onbeperkte eerbiediging voor ieders individueele geweten", en zich daarbij dan zoo gaarne beroepen op den tijd van de groote Reformatie en op dat specifiek Hollandsche „de eerbiediging van het geweten" — zeggen dan tegelijk : „is Holland niet bij uitstek het land, dat 80 jaar gevochten heeft voor de vrijheid van geweten ? " Maar — dan vergeten zij hierbij, dat die „vrijheid van geweten", waarvoor onze vaderen streden, zéér veel verschilt van de gewetensvrijheid, waarvoor velen in onze dagen het pleit voeren".
Vroeger ging het om vrijheid van geweten (waartegenover de inquisitie optrad met martelwerktuigen) in den zin van : „vrijheid om God te mogen dienen naar Zijn Woord en Wet". Het ging om wat men in z'n consciëntie voor God van gevoelen was inzake de religie, inzake Gods Woord en Zijn Kerk ; om de rechten en de vrijheden en de privilegiën als natie.
„Gewetensvrijheid was dus bij onze vaderen ongeveer gelijk met vrijheid van godsdienst. En dan moeten we die vrijheid óók nog opvatten met eenige reserve. Want eigenlijk ging het om de vrijheid van den godsdienst des harten. En geleidelijk is bij dezen strijd ook betrokken de vrijheid van uitoefening van den godsdienst. En ja, in dezen zin hebben onze vaderen inderdaad gestreden voor gewetensvrijheid. Maar dat is principieel iets anders dan het recht van eiken staatsburger om zijn individueele overtuiging, ook met alle practische consequenties voor het publieke leven uit te leven", en dat dan ook aan de Overheid voor te leggen als eisch der onderdanen. Want zóó zou de Overheid, die Gods dienaresse is en van God zich haar taak ziet aangewezen, Gods opdracht moeten verwaarloozen en afzeggen, voor de individueele (gevoels) meening van ieder der staatsburgers.
Natuurlijk waarborgt de Grondwet de vrijheid van godsdienst — maar over dit punt gaat de strijd in onze dagen niet. 't Gaat over gansch andere dingen.
En b.v. wanneer een dienstweigeraar zich beroept op zijn geweten, wat is dan dat geweten en dat gewetensbezwaar ? En moet de Overheid, die zich haar taak door God ziet aangewezen, voor het woord an een mensch dan opzij gaan ? Geldt hier ook niet (en dan nu voor de Overheid) : gij zult Gode méér gehoorzaam zijn dan den menschen ?
„Als we dus de vraag stellen" — aldus dr. P. — „ben ik van de plicht van gehoorzaamheid aan de Overheid ontslagen, zoodra ik mij bij de een of andere kwestie beroepen heb op mijn geweten ? " — dan moet op deze vraag het antwoord zijn : „neen !"
Vast moet onder ons staan, dat de Overheid geroepen is, zooals alle menschen, om Gods geboden te eerbiedigen en te doen. En de Overheid moet dan voor haar eigen consciëntie beslissen, of zij het een of ander beroep op Gods Woord, zelf óók ziet als zoodanig. In geval zij zelf hiervan overtuigd is, zal de zaak geen moeite meebrengen. Dan zal er „evenwijdigheid ontstaan tusschen den wil van de Overheid en den wil van den betrokken onderdaan".
Indien evenwel een duidelijk verschil aan 't licht treedt tusschen hetgeen de Overheid houdt voor Gods gebod èn hetgeen de betrokken onderdaan als zoodanig beschouwt — dan is het conflict onvermijdelijk.
„Maar" — aldus dr. P. — „daarbij mag men dan niet zonder meer den eisch stellen, dat de Overheid hierbij de lijdende partij zou zijn, en de onderdaan de triumfeerende !"
Dr. Prins zegt : „Ik meen, dat in dit geval het woord der H. Schrift van kracht is (1 Petrus 2. vs. 18) : „Zijt met alle vreeze onderdanig den heeren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden. Want dat is genade, indien iemand om het geweten zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte". Hier zal wel sprake zijn van huisknechten, die het gelijk aan hun zijde hebben, en des te meer geldt dan het recht van de Overheid om gehoorzaamheid te eischen en voor den onderdaan om te gehoorzamen, als iemand subjectief en dus voor zich zelf bezwaren heeft, waarbij geen instantie nog is die een officieel oordeel in deze heeft gegeven. „Persoonlijk" bezwaard, zal men dan moeten gehoorzamen, zoo noodig bereid om er ook voor te lijden.
Want wie moet uitmaken, of het Overheidsbevel Schriftuurlijk is, of dat het beroep van den onderdaan op de Schrift zuiver is ?
Immers zal de Overheid zelve voor haar consciëntie moeten uitmaken, wat zij als wil van God ziet. En als zij naar haar consciëntie een deel van haar taak ziet als van God geboden, moet zij daarbij in het uiterste geval durven trotseeren de onderdanen, die zich op hun consciëntie beroepen en op wat zij als Gods Woord meenen te moeten volgen.
Een ander geval is b.v., wanneer de Overheid van de Kerk dingen eischt, die lijnrecht in strijd zijn met het Woord van God en de belijdenis der Kerk, dan is er voor de Kerk maar één weg : dat zij het klaar gebod van haar Koning volgt en de aardsche Overheid (die haar God ongehoorzaam is, door dingen te eischen, die God haar niet opgedragen heeft, ja, die God haar verbiedt) niet gehoorzaamt. De zaak staat dan zóó, dat de Overheid niet een getuigenis van één mensch persoonlijk als „zijn overtuiging" tegenover zich krijgt, maar van de Kerk des Heeren, die bij het Woord en haar belijdenis leeft en die niet mag doen, wat haar Koning in den hemel haar verbiedt te doen. Het gaat dan niet meer om het individueele geweten en de Overheid, maar om het klare Woord van God en de Overheid.
Nooit mogen we zóó maar op één lijn zetten : „Gods Woord eischt" èn „Mijn geweten zegt " Immers mijn geweten is geen wetgevende instantie. Ons geweten zegt ons nooit positief wat we doen moeten. Het geweten is veeleer een negatieve instantie. En ook in dit negatieve (wat we niet mogen doen) spreekt het geweten niet het laatste woord, en ook daarin (n. 1. in wat we niet zouden mogen doen) kan het dwalen.
Gods Woord boven alles !
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken